Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2088

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201302379/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2012 heeft raad het bestemmingsplan "Buytenpark" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302379/2/R4.

Datum uitspraak: 12 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Zoetermeer,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Zoetermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2012 heeft raad het bestemmingsplan "Buytenpark" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad en [verzoeker] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 oktober 2013, waar [verzoeker] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Baukema-Bos, mr. M.C.H.W. van Aubel, ing. I.W. van Woersem en ing. D.A. Vogel, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Tuinvereniging Seghwaert (hierna: de tuinvereniging), vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Buiten bezwaren van partijen heeft de raad na de zitting nadere stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoeker] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie-Volkstuinen" dat voorziet in de verplaatsing van het bestaande tuincomplex van de tuinvereniging naar een locatie nabij zijn woning. Volgens hem bestaat er geen noodzaak tot verplaatsing van het bestaande tuincomplex nu geen concrete plannen bestaan om op de huidige locatie een andere ontwikkeling te realiseren. De financiële uitvoerbaarheid van de verplaatsing is gelet daarop eveneens onvoldoende verzekerd nu de financiële bijdrage van de gemeente gedeeltelijk ten laste wordt gebracht van de herontwikkeling van de huidige locatie. De gemeente is voorts niet verplicht een vervangende locatie te bieden en het onderzoek naar een nieuwe locatie is volgens [verzoeker] onvolledig en onzorgvuldig uitgevoerd. Hiertoe voert hij onder meer aan dat de belangrijkste reden waarom voor Buytenpark is gekozen is gelegen in de voorkeur van het bestuur van de tuinverenging voor deze locatie. [verzoeker] stelt voorts dat een onjuiste afweging heeft plaatsgevonden tussen het belang dat 120 particulieren hebben bij een niet openbaar toegankelijk tuincomplex ten opzichte van duizenden mensen die willen genieten van het huidige openbare weidelandschap. Voorts is het belang van [verzoeker] onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. Het tuincomplex op korte afstand van zijn perceel zal leiden tot aantasting van zijn privacy en uitzicht, alsmede leiden tot geluidoverlast en lichthinder, aldus [verzoeker].

2.1. De raad heeft toegelicht dat sinds 2005 wordt gewerkt aan de herontwikkeling van het Kwadrant, het gebied waarin het bestaande tuincomplex aan de Edisonstraat is gelegen. Mede door de ligging is het gebied een belangrijke toegangspoort geworden van de stad waardoor het potentie heeft voor stedelijke ontwikkeling. Hoewel er mede door de financiële crisis op dit moment geen concrete initiatieven bestaan voor de invulling van de huidige locatie van de tuinvereniging is het volgens de raad van belang dat in geval van herstel van de economie snel kan worden gehandeld wat betreft de ontwikkeling van het Kwadrant. Voorafgaande aan de vaststelling van het plan is dan ook de huurovereenkomst met de tuinvereniging beëindigd. Nu er wel behoefte is aan het tuincomplex hecht de raad eraan dat het tuincomplex in de stad gefaciliteerd blijft en is hij ook bereid daartoe middelen beschikbaar te stellen.

In het kader van de besluitvorming is een afweging gemaakt tussen de belangen van de omwonenden van de Voorweg, de belangen van recreanten en natuurliefhebbers in het Buytenpark, de belangen van de leden van de tuinvereniging en de belangen van ‘de stad’ om het voorzieningenniveau op peil te houden, een goed woningaanbod te creëren en dergelijke. Daarbij heeft de raad meegewogen dat het gebied thans van beperkte waarde is voor de inwoners van Zoetermeer omdat het terrein nauwelijks ontsloten is en de openheid wordt beperkt door de puinheuvels in het Buytenpark. Voorts bedraagt de afstand van het tuincomplex tot het perceel van [verzoeker] ongeveer 38 m en tot de woning van [verzoeker] ongeveer 111 meter. Vanuit de woning is geen zicht op de beoogde locatie van het tuincomplex. Geluid- en lichthinder vanwege het gebruik van de gronden als siertuinen wordt nauwelijks verwacht, onder meer nu alleen verlichting zal worden aangebracht op het parkeerterrein en bij het verenigingsgebouw, aldus de raad.

2.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging betrokken te worden. In het door [verzoeker] aangevoerde ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestaande locatie van de tuinvereniging zich inmiddels beter leent voor stedelijke functies en dat met de verplaatsing van de tuinvereniging naar een andere locatie een maatschappelijk belang is gemoeid.

In het verweerschrift is voorts toegelicht dat de gemeente een bedrag van € 260.000 beschikbaar heeft gesteld voor de inrichting van het nieuwe complex. Dit bedrag wordt voorgeschoten en ofwel terugverdiend met de herontwikkeling van het Kwadrant, dan wel eenmalig ten laste gebracht van de algemene middelen. Gelet daarop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid het plan in zoverre onvoldoende is gewaarborgd.

In de memo van 9 februari 2005 zijn acht alternatieve locaties bezien aan de hand van de in de memo beschreven randvoorwaarden voor herhuisvesting en is geconcludeerd dat de locatie in Buytenpark en de locatie Sportscheg in Oosterheem de meest geschikte locaties zijn. Deze locaties zijn nader onderzocht en beschreven in de Rapportage Vergelijking alternatieve locaties Tuinvereniging Seghwaert van 23 juni 2006. Uit dat rapport volgt dat de locatie in Buytenpark de voorkeur heeft boven de locatie in Oosterheem. De kanttekeningen die [verzoeker] heeft geplaatst bij het alternatievenonderzoek geven de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het alternatievenonderzoek zo gebrekkig is dat de voorkeur in redelijkheid niet naar de locatie in Buytenpark had mogen uitgaan.

In het kader van de belangenafweging heeft de raad voorts in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen hechten aan de belangen die zijn gemoeid met de verwezenlijking van het plan dan aan het belang van [verzoeker]. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat niet aannemelijk is dat het woon- en leefklimaat van [verzoeker] onevenredig wordt aangetast als gevolg van het plan in zoverre. De betogen falen.

3. [verzoeker] betoogt verder dat het plandeel in strijd met artikel 2, tweede lid, van de Verordening Ruimte is vastgesteld, nu de toegestane bebouwing wat betreft omvang en verschijningsvorm niet past in de omgeving. Hij voert hiertoe aan dat, nu de beoogde locatie is omgeven door de bestemming "Natuur", de locatie vrij van bebouwing dient te zijn.

3.1. De raad stelt dat geen sprake is van strijd met de Verordening Ruimte en voert daartoe aan dat het beoogde tuincomplex ongeveer 4 ha beslaat, waarvan slechts 8,3% kan worden gebruikt om gebouwen op te richten. Per tuin is een kas/gebouw toegestaan met een maximale oppervlakte van 25m² en een maximale bouwhoogte van 3 m en verder is een gebouw/gebouwen voor gemeenschappelijk gebruik toegestaan met een maximale oppervlakte van 325 m² met een maximale bouwhoogte van 5 m. De gebouwen zijn noodzakelijk voor de huurders van het tuincomplex. Verder ligt de beoogde locatie in de directe nabijheid van de Voorweg en de Achterweg waar sprake is van lintbebouwing. De raad bestrijdt dan ook dat de locatie vrij van bebouwing dient te zijn.

3.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening Ruimte, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren (zoals aangegeven op kaart 1) bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid, kunnen bestemmingsplannen, in afwijking van het bepaalde in lid 1, voor gronden buiten de bebouwingscontouren de volgende ontwikkelingen mogelijk maken:

(…)

f) functies en bebouwing passend bij stedelijk groen buiten de bebouwingscontour

Nieuwe functies passend bij stedelijk groen buiten de bebouwingscontour, zoals sportvelden, volkstuinen en begraafplaatsen, binnen de op kaart 1 daarvoor aangewezen gebieden, waarbij gebouwen zijn toegestaan die in relatie staan tot de functie met een omvang en verschijningsvorm die passen in de omgeving.

(…)

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Volkstuinen" aangewezen gronden bestemd voor maximaal 120 volkstuinen.

Ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, onder a tot en met d, zijn per volkstuin gebouwen en/of kassen toegestaan met een totale oppervlakte van maximaal 25 m², zijn binnen het bestemmingsvlak gemeenschappelijke gebouwen toegestaan met een totale oppervlakte van maximaal 325 m², mag de goothoogte van gemeenschappelijke gebouwen maximaal 3 m bedragen en de bouwhoogte maximaal 5 m en mag de bouwhoogte van de overige gebouwen en kassen maximaal 3 m bedragen.

3.3. De voorzitter stelt vast dat de Verordening Ruimte buiten de bebouwingscontouren uitdrukkelijk volkstuinen toestaat met gebouwen die in relatie staan tot de functie met een omvang en verschijningsvorm die passen in de omgeving. In het aangevoerde ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bebouwingsmogelijkheden waarin het plandeel voorziet zich verdragen met de Verordening. Het betoog faalt.

4. [verzoeker] betoogt verder dat het plandeel zich niet verdraagt met de aanwijzing van de Voorweg als beschermd stadsgezicht. Hij voert hiertoe aan dat de beoogde ontwikkeling het bestaande doorzicht vanaf de Voorweg over het open landschap van de achterliggende Nieuwe Polder zal belemmeren.

4.1. In de toelichting bij de aanwijzing van de Voorweg als beschermd stadsgezicht wordt als typering en bijzondere kwaliteit onder meer genoemd de gaaf bewaarde samenhang tussen dijk, wetering, bebouwing en open polderlandschap in het deel ten westen van de Leidschendamweg/Amerikaweg. Ter zitting heeft de raad onbetwist gesteld dat de beoogde locatie van de tuinvereniging geen deel uitmaakt van het beschermde stadsgezicht, met uitzondering van een deel van de Achterweg die zal worden verbreed zodat het tuincomplex bereikbaar wordt voor autoverkeer. De raad stelt dat vanaf het gedeelte van de Voorweg gelegen tussen de huisnummers 224 en 226 in de huidige situatie sprake is van een doorzicht naar het achterliggende polderlandschap over en langs het beoogde tuincomplex. Dit doorzicht blijft behouden doordat ter plaatse een onverhard of half verhard pad wordt aangelegd, aldus de raad.

Gelet daarop staat het plan niet in de weg aan handhaving van het bestaande doorzicht zodat de voorzitter geen aanleiding ziet voor het oordeel dat plan in zoverre in strijd komt met de aanwijzing van de Voorweg als beschermd stadsgezicht.

5. [verzoeker] voert verder aan dat het beoogde tuincomplex het aan de noordzijde van de Voorweg nieuw aan te leggen jacht- en leefgebied van de steenuil zal verstoren. Hij voert hiertoe aan dat in het natuurwaardenonderzoek geen rekening is gehouden met de beoogde vestiging van de steenuil ter plaatse. Bovendien ziet de beperking van de lichtsterkte van lichtmasten op het tuincomplex ten onrechte uitsluitend op foerageergebieden en horsten van ransuilen.

5.1. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat reeds enkele jaren wordt gewerkt aan de herinrichting van de Nieuwe Driemanspolder aan de zuidzijde van de Voorweg voor waterberging. Vanwege de daarvan te verwachten negatieve effecten voor de steenuil is in het kader van het bestemmingsplan Nieuwe Driemanspolder het mitigatie- en compensatieplan Nieuwe Driemanspolder opgesteld. Aan de noordzijde van de Voorweg wordt het verlies van jachtgebied zowel wat betreft oppervlakte als kwaliteit gecompenseerd in het Buytenpark met minstens 19 ha tot maximaal 28 ha nieuw jachtgebied. In het mitigatie- en compensatieplan is rekening gehouden met de komst van de tuinvereniging en de beoogde locatie voor de tuinvereniging vormt volgens de raad geen beletsel voor de steenuil. Er is voldoende jachtgebied in de omgeving van de nestkasten aanwezig.

5.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, onder i, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Volkstuinen" aangewezen gronden bestemd voor lichtmasten, waarbij de verlichtingssterkte op de foerageergebieden en de horsten van ransuilnesten niet meer mag bedragen dan 0,6 lux.

In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad toegelicht dat alleen op het parkeerterrein en bij het verenigingsgebouw verlichting zal worden aangebracht, waarbij gebruik zal worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting met detectielampen. Voorts heeft de raad toegelicht dat de verwijzing naar foerageergebieden in artikel 8, lid 8.1, onder i, van de planvoorschriften, betrekking heeft op de foerageergebieden van zowel uilen als vleermuizen. De horsten verwijzen naar de broedplaatsen van ransuilen. Hiertoe is toegelicht dat van de aanwezige uilensoorten alleen de ransuil lichtgevoelig is. Gelet op deze toelichting, alsmede op de omstandigheid dat in het mitigatie- en compensatieplan Nieuwe Driemanspolder reeds rekening is gehouden met de vestiging van de tuinvereniging in het gebied, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het beoogde tuincomplex zich niet verdraagt met het aan de noordzijde van de Voorweg nieuw aan te leggen jacht- en leefgebied van de steenuil. Het betoog faalt.

6. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in het aangevoerde geen aanleiding voor de verwachting dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat derhalve geen grond. Het verzoek dient te worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013

472.