Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201302044/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding parkeervoorziening supermarkt aan de Wythústerwei te Stiens" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302044/1/R4.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Stiens, gemeente Leeuwarderadeel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Leeuwarderadeel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding parkeervoorziening supermarkt aan de Wythústerwei te Stiens" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [andere appellant] en de raad, vertegenwoordigd door M.A.A.W. van Vugt en A. Flameling, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij]), vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan maakt ter plaatse van een deel van het Waling Dijkstrapark de uitbreiding van een parkeervoorziening bij een supermarkt aan de Wythústerwei 12-14 mogelijk van 35 naar 76 parkeerplaatsen. [appellant] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied en kunnen zich met het plan niet verenigen.

3. [appellant] en anderen betogen dat de raad het plan in strijd met de inspraakverordening heeft voorbereid. Uit het feit dat meer dan 70 mensen een zienswijze hebben ingediend, blijkt volgens [appellant] en anderen dat het plan, anders dan de raad heeft gesteld, een grote impact heeft.

3.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Reeds daarom faalt het betoog.

4. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat het plan is vastgesteld in strijd met gewekte verwachtingen. Bij hoorzittingen over de wijziging van het bestemmingsplan in 1994 en 2002 is door ambtenaren en de burgemeester toegezegd dat op deze locatie geen verdere uitbreidingen zouden plaatsvinden, aldus [appellant] en anderen.

4.1. De raad voert aan dat niet is onderbouwd dat een toezegging is gedaan waar [appellant] en anderen gerechtvaardigd op konden vertrouwen. Volgens de raad heeft het college noch de raad een besluit genomen waaruit blijkt van een toezegging. De raad betwist voorts dat tijdens een hoorzitting een toezegging is gedaan en als er al een opmerking gemaakt zou zijn, dan is deze volgens de raad niet door het bevoegde bestuursorgaan gemaakt. Verder kunnen volgens de raad na tien jaar gewijzigde inzichten en normen met betrekking tot parkeerplaatsen nopen tot een gerechtvaardigde wijziging van beleid.

4.2. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen, indien een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de belanghebbende gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat ter plaatse het aantal parkeerplaatsen niet zou worden uitgebreid. De raad heeft het plan derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

5. [appellant] en anderen betogen dat het plan onvoldoende is gemotiveerd en niet zorgvuldig is voorbereid. De raad heeft volgens hen niet aannemelijk gemaakt dat het aantal parkeerplaatsen moet worden uitgebreid en onvoldoende gewogen en onderzocht wat de nadelige gevolgen voor de omwonenden zijn. In dit verband betogen zij dat de uitbreiding van de parkeervoorziening ten koste gaat van een deel van het park en het uitzicht van omwonenden, dat de uitbreiding een verkeersaantrekkende werking heeft en dat het verkeer door de vestiging van een Bol.com afhaalpunt nog verder zal toenemen, en dat de gevolgen op het gebied van geluid en verkeersveiligheid ten onrechte niet zijn onderzocht.

5.1. De raad stelt dat de huidige 35 parkeerplaatsen tijdens piekmomenten op donderdag, vrijdag, zaterdag en elke namiddag tussen 17:00 uur en 18:00 uur niet toereikend zijn. Bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen is volgens de raad gebruik gemaakt van CROW-publicatie 182 "Parkeerkencijfers - Basis voor parkeernormering" uit 2008. Op basis van de normen uit deze publicatie bestaat behoefte aan 76 parkeerplaatsen bij de supermarkt, aldus de raad. De raad verwijst hierbij tevens naar een advies van ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud) aan [partij] uit 2008. De raad stelt dat het plan geen uitbreiding van de supermarkt mogelijk maakt en dat de oppervlakte van de detailhandelsvoorzieningen bepalend is voor de verkeersaantrekkende werking van een gebied. De raad verwacht gelet daarop geen toename van verkeer en geluid als gevolg van het plan. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de afhaallocatie van Bol.com in de huidige supermarkt is gevestigd en niet heeft geleid tot uitbreiding van de bruto vloeroppervlakte, waardoor er geen extra parkeerplaatsen voor benodigd zijn. De raad verwacht door het aanleggen van meer parkeerplaatsen een verkeersveiliger verkeerssituatie te creëren, omdat zoekverkeer in de toekomst op piekmomenten een goede parkeergelegenheid wordt geboden.

5.2. Volgens CROW-publicatie 182 ligt de parkeernorm in geval van een supermarkt in het centrum van een dorp, dat niet gelegen is in stedelijk gebied, tussen 3 en 4,5 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlakte. Volgens het voornoemde advies van Oranjewoud kan in dit geval een parkeernorm gehanteerd worden van 4 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlakte. De piekbehoefte van donderdagavond tot en met zaterdag en de huidige parkeeroverlast van in de woonbuurt parkerende bezoekers van de winkels en het zoekverkeer komt volgens Oranjewoud de leefbaarheid en de verkeersveiligheid in de buurt niet ten goede en zij adviseert daarom vanuit verkeerskundig oogpunt om het aantal parkeerplaatsen uit te breiden.

5.2.1. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte van CROW-publicatie 182 is uitgegaan, of dat hij bij het toepassen daarvan van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. De raad kon zich gelet daarop in redelijkheid op basis van deze publicatie op het standpunt stellen dat de uitbreiding met 41 parkeerplaatsen nodig is om aan de bestaande parkeerbehoefte te voldoen, en dat aan het belang van deze uitbreiding een zwaarder gewicht toekomt dan aan de belangen die gemoeid zijn met het behoud van het betrokken deel van het park en het uitzicht daarop.

5.3. Over de gestelde verkeersaantrekkende werking van de extra parkeerplaatsen en de gevolgen daarvan op het gebied van geluid en verkeersveiligheid, wordt als volgt overwogen. Zoals hiervoor is overwogen kon de raad in redelijkheid de uitbreiding met 41 parkeerplaatsen nodig achten om te voorzien in de bestaande parkeerbehoefte. In zoverre is er geen aanleiding om aan te nemen dat de parkeerplaatsen zullen leiden tot meer verkeer.

5.3.1. Zowel in de huidige situatie als na de realisatie van de parkeerplaatsen rijden bezoekers via de Wythústerwei vanuit noordwestelijke en zuidoostelijke richting en via de Gysbert Japicxstrjitte uit noordoostelijke richting naar de supermarkt. De afstand tussen het parkeerterrein en de dichtstbij gelegen woning bedraagt ongeveer 25 m. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de te verwachten wijziging in de verkeersbewegingen als gevolg van het parkeren op het parkeerterrein in plaats van in de nabij de supermarkt gelegen woonstraten een zodanige wijziging van de verkeersstromen teweeg zal brengen, dat de raad het plan niet in redelijkheid zonder onderzoek naar de geluidbelasting en de verkeersveiligheid heeft kunnen vaststellen.

5.3.2. De raad heeft voorts naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen aannemen dat de extra parkeerplaatsen een positief effect zullen hebben op de verkeersveiligheid, nu naar verwachting het zoekverkeer op piekmomenten zal verminderen, omdat gelet op de CROW-publicatie voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] en anderen ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

539-780.