Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201301141/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Langeveen, Dollerweg ong." vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet op de Raad van State
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/710
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301141/1/R1.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Langeveen, gemeente Tubbergen,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Langeveen, gemeente Tubbergen,

3. [appellant sub 3], wonend te Langeveen, gemeente Tubbergen,

4. [appellant sub 4], wonend te Langeveen, gemeente Tubbergen,

en

de raad van de gemeente Tubbergen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Langeveen, Dollerweg ong." vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en de raad, vertegenwoordigd door ing. M. Proper en ing. S.A.J. Scheepers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door ing. E.J.M. Zandbelt, werkzaam bij Countus Accountants & Adviseurs, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de vestiging van een intensieve veehouderij, zonder bedrijfswoning, op het perceel nabij [locatie 1].

3. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen onder meer dat het plan niet in overeenstemming is met het reconstructieplan Salland-Twente, zoals vastgesteld bij besluit van 15 september 2004 en gewijzigd bij besluit van 1 juli 2009 (hierna: het reconstructieplan), omdat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de daarin opgenomen salderingsregeling. Het gaat volgens hen, anders dan het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) meent, niet om "uitbreiding op afstand", maar om nieuwvestiging van een intensieve veehouderij.

Voor zover de raad stelt dat het te vestigen agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 2] geen saldering behoeft toe te passen nu de plannen daarvoor reeds vóór 18 december 2008 vergevorderd waren, betogen [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] dat het agrarisch bedrijf alleen een principeverzoek aan de raad heeft gedaan waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Volgens [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] waren de plannen om op het perceel een pluimveehouderij te vestigen op 18 december 2008 onvoldoende vergevorderd.

3.1. De raad stelt dat het plan binnen de gemeente is beoordeeld als een nieuwvestiging. Voorts stelt de raad dat niet voldaan behoeft te worden aan de salderingsregeling, nu het initiatief van [belanghebbende] op 18 december 2008 reeds een lopend initiatief was. In dit kader verwijst de raad naar hetgeen is overwogen in 2.8.2 van de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011 in zaak nr. 200909196/1/R1. [belanghebbende] had op 8 september 2008, dus vóór 18 december 2008, een verzoek ingediend waarin onder meer het initiatief was beschreven, de noodzakelijkheid werd aangetoond en was onderbouwd waarom het initiatief voldeed aan de wetgeving. Het college van burgemeester en wethouders heeft op dit verzoek op 14 oktober 2008 een positief principebesluit genomen. Gelet hierop was het initiatief van [belanghebbende] dan ook in een ver gevorderd stadium, aldus de raad.

3.2. Blijkens de verbeelding zijn aan het perceel de bestemming "Agrarisch - Bedrijf" en de aanduidingen "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" en "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 0,7 ha.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat per bestemmingsvlak ten hoogste één agrarisch bedrijf is toegestaan;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf in de vorm van intensieve veehouderij, met dien verstande dat per bestemmingsvlak ten hoogste één intensieve veehouderij is toegestaan en de aanwezigheid van de intensieve veehouderij niet leidt tot meer dan één agrarisch bedrijf per bestemmingsvlak;

c. landbouwontwikkelingsgebied, ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied";

d. het behoud, de versterking en/of het herstel van de landschappelijke inbedding van het agrarisch bedrijf;

met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen, erven en agrarische gronden.

Ingevolge lid 4.2, onder c, geldt voor bedrijfswoningen bovendien dat per bestemmingsvlak ten hoogste één bedrijfswoning mag worden gebouwd, dan wel zoveel als aanwezig zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning is toegestaan.

3.3. Ingevolge artikel 2.9.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 dienen bestemmingsplannen voor gebieden die zijn opgenomen in het reconstructieplan, wat betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, in overeenstemming te zijn met het reconstructieplan.

3.4. Ingevolge paragraaf 5.6.1 van het reconstructieplan is de vestiging van nieuwe agrarische bouwpercelen voor intensieve veehouderijen alleen mogelijk als:

1. een ondernemer zijn intensieve veehouderij verplaatst voor het realiseren van publieke belangen;

2. een ondernemer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft en zijn intensieve veehouderij verplaatst naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn.

De te verplaatsen intensieve veehouderij dient volgens het reconstructieplan een volwaardig bedrijf te zijn. Aan de vestiging van een nieuw agrarisch bouwperceel voor de intensieve veehouderij is de voorwaarde verbonden dat op de uitplaatsingslocatie of locaties in de provincie Overijssel het agrarische bouwperceel of de agrarische bouwpercelen voor de intensieve veehouderij planologisch en juridisch wordt dan wel worden opgeheven. Deze voorwaarde wordt "saldering" genoemd, aldus het reconstructieplan.

Bij een aantal gevallen kan volgens het reconstructieplan van de voorwaarde van "salderen" worden afgeweken, waaronder bij lopende initiatieven. Lopende initiatieven waarvoor voor het besluit tot het ter inzage leggen van de Ontwerp Omgevingsvisie genomen op 18 december 2008 de aanvragen voor een bouwvergunning ingediend zijn, kunnen zonder de voorwaarde van "saldering" afgerond worden.

De andere gevallen waaronder van de voorwaarde van "salderen" kan worden afgeweken zijn de verplaatsing van een intensieve veehouderijtak van een gemengd bedrijf indien op de uitplaatsingslocatie een landbouwbedrijf - niet zijnde een intensieve veehouderij - wordt voortgezet en/of de ontwikkeling van clusters van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden.

3.5. [belanghebbende] exploiteert samen met zijn vader een pluimveebedrijf op het perceel [locatie 3]. [belanghebbende] heeft op 8 september 2008 een principeverzoek ingediend voor het oprichten van een nieuw bedrijf aan de [locatie 2]. In het nadere verzoek van 20 november 2009 heeft [belanghebbende] aangegeven dat het om een nieuw pluimveebedrijf gaat dat geheel los van het bedrijf op [locatie 3] zal worden geëxploiteerd en waarvoor op 3 september 2010 een afzonderlijke milieuvergunning is verleend.

3.6. In haar uitspraak van 5 oktober 2011 in zaak nr. 200909196/1/R1 heeft de Afdeling geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten de overgangsregeling voor lopende initiatieven niet in redelijkheid hebben kunnen opnemen in de bestreden wijziging van het reconstructieplan. De Afdeling stelde vast dat in de bestreden wijziging van het reconstructieplan alleen is geregeld dat wanneer bij een lopend initiatief een aanvraag om een bouwvergunning vóór 18 december 2008 is ingediend van de voorwaarde van saldering wordt afgezien. De Afdeling betrok in haar oordeel dat dit volgens provinciale staten niet betekent dat de bestreden wijziging van het reconstructieplan geen ruimte laat om in gevallen waarin niet vóór 18 december 2008 een aanvraag om een bouwvergunning is ingediend, niet van de voorwaarde van saldering af te zien, waarbij ter invulling van deze ruimte volgens provinciale staten moet worden gekeken naar het tijdstip waarop de plannen om een veehouderij te (her)vestigen in een landbouwontwikkelingsgebied zijn aangevangen en hoe ver de plannen op de peildatum 18 december 2008 waren gevorderd.

3.7. Vast staat dat [belanghebbende] niet vóór 18 december 2008 een aanvraag om een bouwvergunning ten behoeve van de in het plan voorziene pluimveehouderij heeft ingediend. De raad heeft voorts aangevoerd dat het principeverzoek waarover het college van burgemeester en wethouders op 14 oktober 2008 een positief principebesluit heeft genomen, een uitgebreide projectbeschrijving geeft en dat daarin is onderbouwd op welke wijze wordt voldaan aan de wetgeving. De Afdeling overweegt dat in het principebesluit weliswaar in beginsel wordt ingestemd met de voorgenomen nieuwvestiging van het pluimveebedrijf aan de [locatie 2], maar dat het college van burgemeester en wethouders de voorwaarde stelt dat het nog aan te leveren makelaarsadvies, de (milieu)onderzoeken, de financiële onderbouwing en een beplantingsplan de vestiging van een nieuw bedrijf op het perceel [locatie 2] dienen te rechtvaardigen. De Afdeling overweegt dat van de stukken die benodigd waren voor die afweging, alleen een makelaarsadvies en een beplantingsplan vóór 18 december 2008 waren ingediend. De onderzoeken naar geluid, luchtkwaliteit en geur dateren onderscheidenlijk van 16 september 2009, 13 november 2009 en 20 november 2009, derhalve ruim ná de peildatum van 18 december 2008. Voorts dateren het onderzoek naar de bedrijfsomvang van 20 november 2009 en het archeologisch onderzoek van februari 2011 van ná voornoemde peildatum. Verder was ten tijde van het bestreden besluit nog geen aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van een stal ingediend. [belanghebbende] heeft ter zitting verklaard dat hij deze aanvraag kort vóór 1 april 2013 heeft ingediend. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het initiatief van [belanghebbende] voor de vestiging van een pluimveebedrijf aan de [locatie 2] op 18 december 2008 niet zodanig ver gevorderd was dat het ondanks het ontbreken van een vóór 18 december 2008 ingediende aanvraag om een bouwvergunning niettemin zou kunnen worden aangemerkt als een lopend initiatief in de zin van het reconstructieplan. Het initiatief voldoet in zoverre niet aan de voorwaarden waaronder van saldering als bedoeld in het reconstructieplan kan worden afgeweken. Niet is gesteld dat de andere voorwaarden om van saldering af te zien wel van toepassing zijn.

3.8. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.9.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

4. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

5. De Afdeling overweegt ten aanzien van het verzoek van [belanghebbende] om een bestuurlijke lus toe te passen zodat kan worden voldaan aan de salderingseis, dat zij daartoe geen aanleiding ziet. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken dat daarvoor concrete mogelijkheden bestaan binnen een afzienbare termijn.

6. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

7. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

De kosten van [appellant sub 4] voor het verzenden van processtukken komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Wat betreft de door [appellant sub 1] verzochte vergoeding van de gemaakte kosten voor een rechtsbijstandverlener, komen alleen de gemaakte kosten voor een rechtsbijstandverlener in aanmerking die gemaakt zijn voor proceshandelingen door een rechtsbijstandverlener, zoals het indienen van een beroepschrift of het vertegenwoordigen op de zitting. In dit geval is niet gebleken dat de vermelde rechtsbijstandverlener proceshandelingen heeft verricht. Aldus is van proceskosten van [appellant sub 1] die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 10 december 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Langeveen, Dollerweg ong.";

III. draagt de raad van de gemeente Tubbergen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Tubbergen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 49,08 (zegge: negenenveertig euro en acht cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Tubbergen tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 91,08 (zegge: eenennegentig euro en acht cent);

veroordeelt de raad van de gemeente Tubbergen tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 259,08 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro en acht cent);

V. gelast dat de raad van de gemeente Tubbergen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 3] en € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 4].

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

191-763.