Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201300879/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:28553, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen een termijn van 28 dagen te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit). Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300879/1/V3.

Datum uitspraak: 15 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 december 2012 in zaak nr. 12/12528 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen een termijn van 28 dagen te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit). Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 december 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu het terugkeerbesluit niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, de staatssecretaris hem niet in de gelegenheid had hoeven stellen zijn zienswijze kenbaar te maken, omdat de artikelen 3:2 en 4:8 van de Awb niet op de voorbereiding van het terugkeerbesluit van toepassing zijn.

Daartoe voert de vreemdeling aan dat het terugkeerbesluit een belastend besluit is, dat moet worden genomen met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Het is niet mogelijk een terugkeerbesluit te nemen indien de vreemdeling niet voorafgaand aan het opleggen van een dergelijk besluit in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze hierover kenbaar te maken, aldus de vreemdeling.

2.1. In de grief wordt terecht aangenomen dat het terugkeerbesluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het terugkeerbesluit is de krachtens artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000 gegeven schriftelijke beslissing van de staatssecretaris om de vreemdeling op te dragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en is aldus op rechtsgevolg gericht.

2.2. De in de grief opgeworpen rechtsvraag of bij het nemen van een terugkeerbesluit artikel 4:8 van de Awb van toepassing is, heeft de Afdeling reeds beantwoord bij uitspraak van 5 november 2012 in zaak nr. 201208138/1/V3. Uit de overwegingen 1.1. en 1.2. van deze uitspraak volgt dat de staatssecretaris de vreemdeling voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit in de gelegenheid moet stellen zijn zienswijze hierover naar voren te brengen.

2.3. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de staatssecretaris de vreemdeling voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit heeft geïnformeerd over dit besluit en dat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het op te leggen terugkeerbesluit kenbaar te maken. Ook anderszins is niet gebleken dat de staatssecretaris aan de verplichting tot horen heeft voldaan.

2.4. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat het terugkeerbesluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Evenmin heeft de rechtbank onderkend dat de staatssecretaris voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit niet aan artikel 4:8, eerste lid, van de Awb heeft voldaan.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep van de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit van 16 maart 2012 alsnog gegrond verklaren en dit besluit in zoverre wegens strijd met artikel 4:8 van de Awb vernietigen.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 december 2012 in zaak nr. 12/12528, voor zover aangevallen;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep tegen het terugkeerbesluit gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 16 maart 2012, kenmerk 2007035245, in zoverre;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van de Kolk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2013

347-755.