Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201300415/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de CSG het verzoek van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet schadefonds geweldsmisdrijven
Wet schadefonds geweldsmisdrijven 4
Wet schadefonds geweldsmisdrijven 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300415/1/A2.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 november 2012 in zaak nr. 12/527 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de CSG het verzoek van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven, afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2012 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. H.K. Naves, advocaat te Assen, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag en mr. E.G. Aalbers, werkzaam bij het fonds, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: Wsg), zoals deze bepaling gold tot 1 januari 2012, wordt de uitkering naar redelijkheid en billijkheid bepaald. Zij beloopt ten hoogste het bedrag van de door het letsel of overlijden veroorzaakte schade. Een uitkering blijft achterwege indien de financiële omstandigheden waarin de benadeelde verkeert zodanig zijn, dat de schade zonder overwegend bezwaar door hem of degene van wie hij voor zijn onderhoud afhankelijk is, gedragen kan worden, met dien verstande dat bij overlijden alleen in aanmerking komen de schade door het derven van levensonderhoud en de kosten van lijkbezorging.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, zoals deze bepaling geldt vanaf 1 januari 2012, wordt de uitkering naar redelijkheid en billijkheid bepaald. Zij beloopt ten hoogste het bedrag van de door het letsel of overlijden veroorzaakte schade, daaronder begrepen immateriële schade van nabestaanden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, zoals deze bepaling gold tot 1 januari 2012, moet een verzoek om een uitkering bij het fonds worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop het misdrijf is gepleegd. Wordt het verzoek door een nabestaande gedaan, dan begint die termijn te lopen van de dag van het overlijden. Een na afloop van de termijn ingediend verzoek wordt niettemin behandeld, indien blijkt dat het verzoek zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.

Ingevolge het tweede lid, zoals deze bepaling gold tot 1 januari 2012, kan, indien een verzoek tijdig is ingediend, een aanvullend verzoek worden gedaan met betrekking tot schade die ten tijde van de indiening van het eerste verzoek nog niet bekend was.

Ingevolge artikel IV van de Wet van 6 juni 2011 tot aanpassing van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in verband met uitbreiding van de categorieën van personen die recht hebben op een uitkering uit het fonds en verruiming van de gevallen waarin men aanspraak kan maken op een dergelijke uitkering, aanpassing aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en enkele andere aanpassingen (hierna: de Wet aanpassing Wsg) wordt aan de artikelen 3, eerste lid, onderdeel d en tweede lid, onderdelen c, d, en e, en 4, eerste lid, van de Wsg, zoals deze komen te luiden na de inwerkingtreding van deze wet, slechts toepassing gegeven voor zover het geweldsmisdrijf, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, is gepleegd na inwerkingtreding van deze wet.

De CSG hanteerde vooruitlopend op het van kracht worden van de Wet aanpassing Wsg vanaf 26 april 2011 tot 1 januari 2012 het tijdelijke beleid dat een nabestaande aanspraak kan maken op een uitkering voor immateriële schade, waarbij de beperking gold dat het beleid van toepassing was op aanvragen die in behandeling zijn op 26 april 2011 of ná die datum zijn ingediend, zodat in zaken die op die datum al onherroepelijk waren afgedaan, niet met een herhaalde aanvraag een beroep kan worden gedaan op dit beleid.

Omdat de Wet aanpassing Wsg door het daarbij geldende overgangsrecht het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade eerst mogelijk maakt bij misdrijven die zijn gepleegd ná 1 januari 2012 hanteert de CSG vanaf 1 januari 2012 het beleid dat een dergelijke vergoeding ook kan worden toegekend in alle nog lopende en nog in te dienen aanvragen, zij het dat in zaken die op 1 januari 2012 reeds onherroepelijk waren afgedaan, met een herhaalde aanvraag geen beroep kan worden gedaan op dit beleid.

Van het tijdelijke beleid is een samenvatting op de website van het schadefonds gepubliceerd. Het nieuwe beleid is niet op die wijze openbaar gemaakt. Het tijdelijke en het nieuwe beleid zijn neergelegd in interne beleidsnotities, welke de Afdeling desgevraagd zijn toegezonden.

2. Op 12 december 2006 is de dochter van [appellante] slachtoffer geworden van een geweldsmisdrijf als gevolg waarvan zij is overleden. Op 20 maart 2007 heeft [appellante] als nabestaande een verzoek ingediend om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven. Bij besluit van 11 juni 2007 heeft de CSG een bedrag van € 468,00 toegekend ter vergoeding van reiskosten, telefoonkosten en afscheidsbegeleiding.

Bij besluit van 8 april 2009 heeft de CSG op een verzoek van [appellante] van 9 februari 2009 een bedrag van € 350,00 toegekend ter vergoeding van reiskosten en het verzoek om vergoeding van verlies aan inkomsten als gevolg van arbeidsongeschiktheid afgewezen.

Op 21 september 2011 heeft [appellante] het nu in geschil zijnde verzoek ingediend om vergoeding van immateriële schade voor nabestaanden. Bij besluit van 13 april 2012 heeft de CSG het bezwaar van [appellante] tegen de afwijzing van dit verzoek ongegrond verklaard op de grond dat nabestaanden van een slachtoffer van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf sinds 26 april 2011 op grond van de tijdelijke beleidsregels weliswaar in bepaalde gevallen aanspraak kunnen maken op een uitkering voor immateriële schade en dat deze tijdelijke beleidsregels van toepassing zijn op het verzoek van [appellante], maar dat uit die beleidsregels eveneens volgt dat verzoeken die op 26 april 2011 reeds onherroepelijk zijn afgedaan niet door middel van een nieuw verzoek alsnog voor vergoeding van schade in aanmerking komen. Nu op een eerder verzoek onherroepelijk is beslist, is een uitkering wegens immateriële schade en de daaruit voortvloeiende materiële schade niet mogelijk, aldus de CSG.

De rechtbank heeft het standpunt van de CSG gevolgd.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het tijdelijke beleid op haar verzoek van toepassing was. Daartoe voert zij aan dat haar verzoek van 21 september 2011 niet als een herhaald, maar als een nieuw verzoek moet worden beschouwd, nu het ziet op vergoeding van immateriële schade, terwijl de eerdere verzoeken op vergoeding van materiële schade betrekking hadden.

Subsidiair voert zij aan dat, anders dan de CSG en de rechtbank aannemen, uit de Wsg noch het tijdelijke beleid volgt dat slechts één (doorlopend) verzoek kan worden ingediend, hetgeen ook blijkt uit de besluitvorming op de door haar eerder ingediende verzoeken.

Meer subsidiair voert zij aan dat de CSG nog niet onherroepelijk op haar verzoek heeft beslist, nu de CSG de mogelijkheid heeft opengehouden om nogmaals een aanvraag in te dienen voor vergoeding van de kosten van een gedenkteken voor haar dochter.

3.1. Net als de rechtbank merkt de Afdeling het door de CSG gevoerde tijdelijke beleid aan als begunstigend buitenwettelijk beleid waarmee is beoogd vooruit te lopen op de verruiming van de Wsg per 1 januari 2012, zij het met een zekere beperking in de tijd, waardoor het uitsluitend van toepassing is op de eerste aanvraag om schadevergoeding na een geweldsmisdrijf die op 26 april 2011 nog in behandeling is dan wel op of na 26 april 2011 is ingediend. In het geval dat op de eerste aanvraag al voor 26 april 2011 onherroepelijk is beslist, kan met een volgende aanvraag geen beroep worden gedaan op het beleid. Daarmee is de werking van het beleid, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, beperkt tot eerste aanvragen waarop voor het van kracht worden van het beleid nog niet onherroepelijk is besloten. Dit geldt evenzeer voor het nieuwe beleid dat vanaf 1 januari 2012 wordt gehanteerd. Weliswaar is de datum 26 april 2011 in het nieuwe beleid niet uitdrukkelijk opgenomen, maar dat moet, zoals ter zitting door de CSG is toegelicht, wel zo worden begrepen. Dit teneinde te voorkomen dat door de toepassing van het nieuwe beleid in gevallen waarin na 26 april 2011 een eerste verzoek is ingediend en waarop voor 1 januari 2012 een onherroepelijk besluit is gevolgd, op vergoeding van immateriële schade geen aanspraak bestaat, terwijl die gevallen onder de werking van het tijdelijke beleid daarvoor wel in aanmerking konden komen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot de slotsom is gekomen dat de CSG zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellante] aan het tijdelijke beleid geen aanspraak op vergoeding van immateriële schade kon ontlenen. Het verzoek is een herhaald verzoek in de zin van het beleid, aangezien het niet het eerste verzoek is na het geweldsmisdrijf en op het eerste verzoek voor 26 april 2011 onherroepelijk is besloten. Niet valt uit het beleid af te leiden dat met een herhaald verzoek wordt gedoeld op een aan een eerdere aanvraag gelijke aanvraag, zoals door [appellante] bepleit.

Het betoog faalt.

3.2. Het subsidiaire betoog van [appellante] kan evenmin worden gevolgd. De CSG en de rechtbank hebben niet aangenomen dat uit de Wsg dan wel het tijdelijke beleid volgt dat slechts één (doorlopend) verzoek kan worden ingediend. De wettelijke regeling voorziet in het indienen van een verzoek dat kan worden gevolgd door aanvullende verzoeken. In dit systeem is het verzoek van 11 juni 2007 het eerste verzoek en konden daarna, zoals [appellante] ook heeft gedaan, aanvullende verzoeken worden ingediend. Het beleid laat dit systeem onverlet. Het houdt een verruiming in van de volgens dit systeem bestaande mogelijkheden, zij het onder beperkingen. De meer subsidiaire stelling van [appellante] kan evenmin worden gevolgd. Niet kan worden aangenomen dat ten tijde van haar aanvraag om immateriële schadevergoeding nog geen onherroepelijk schadevergoedingsbesluit was genomen. Bepalend is in dit geval immers dat het besluit van 11 juni 2007 op haar eerste aanvraag van 20 maart 2007 vóór 26 april 2011 onherroepelijk is geworden. Dat de CSG [appellante] had laten weten dat zij in de toekomst nog een aanvraag kon indienen voor de gemaakte kosten van een gedenkteken voor haar dochter, maakt dit niet anders. Dit verzoek betreft geen immateriële schade.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

47-705.