Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201306931/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306931/1/V3.

Datum uitspraak: 12 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 juli 2013 in zaak nr. 12/34431 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de advisering van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) niet aan zijn besluit van 29 oktober 2012 ten grondslag heeft mogen leggen, nu hij zich onvoldoende ervan heeft vergewist dat deze advisering zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk is. De rechtbank heeft hiertoe redengevend geacht dat in het aanvullend BMA-advies van 28 maart 2013 niet is vermeld dat bij de vreemdeling sprake is van een complexe posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss). Door aldus te overwegen heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat de arts van het BMA bij het opstellen van zijn aanvullend advies van 28 maart 2013 de brief van de behandelaar van 19 maart 2013 heeft betrokken en op basis daarvan heeft geconcludeerd dat bedoelde medische informatie niet leidt tot een wijziging van de conclusie van het BMA-advies van 2 oktober 2012, nu deze informatie medisch inhoudelijk gezien geen nieuwe informatie oplevert. Daarbij heeft de staatssecretaris erop gewezen dat het niet aan het BMA is om een diagnose te stellen, maar op basis van bestaande medische klachten advies uit te brengen over de medische noodsituatie op korte termijn.

2.1. In de brief van 17 juli 2012 - die deel uitmaakt van de medische informatie op basis waarvan het BMA-advies van 2 oktober 2012 is uitgebracht - heeft de behandelend psychiater vermeld dat, voor zover van belang, de vreemdeling in het zorgprogramma angststoornissen is opgenomen, waarbij de werkhypothese is dat naast een gegeneraliseerde angststoornis sprake is van suïcidaliteit en ptss met actieve herbelevingen en psychotische overschrijdingen. Daarbij is de vreemdeling secundair getraumatiseerd door een recente poging tot doodslag. De kinderen van de vreemdeling lijden ook onder de situatie, zij zullen worden aangemeld voor het KOPP-project (Kinderen van ouders met Psychische Problemen) om verergering van hun klachten te voorkomen. Een risicotaxatie laat zien dat bij een dergelijke onbehandelde ptss, bij een dergelijke stress en dreiging, bij het ontbreken van beschermende factoren de kans op suïcide groot is, aldus de behandelend psychiater.

Het BMA heeft in het advies van 2 oktober 2012, waarbij de werkhypothese van de behandelend psychiater is overgenomen, te kennen gegeven dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Een uitgewerkt zelfmoordplan en zelfmoordpogingen zijn niet bekend. Verder zijn geen crisissituaties bekend door de psychotische klachten en is de vreemdeling niet (gedwongen) opgenomen geweest.

In de brief van 19 maart 2013 heeft de behandelend psychiater vermeld dat, voor zover van belang, bij de vreemdeling sprake is van een complexe ptss, een gegeneraliseerde angststoornis en somatische pijnklachten. Het uitblijven van behandeling kan een sterke ontregeling van haar complexe ptss tot gevolg hebben met een sterk verhoogde kans op suïcide. De vreemdeling schiet tekort in haar rol als ouder. De ontwikkeling van de kinderen is bedreigd, aldus de behandelend psychiater.

Het BMA heeft in het aanvullend advies van 28 maart 2013 aangegeven dat, voor zover van belang, de aanvullende informatie van de behandelaars, waaronder voormelde brief van 19 maart 2013, niet leidt tot een wijziging van de conclusies van het advies van 2 oktober 2012. Volgens het BMA is medisch inhoudelijk geen nieuwe informatie aanwezig. Door de behandelend psychiater wordt een toename van de klachtenintensiteit vermeld, maar hierdoor kan volgens het BMA niet worden gesteld dat sprake is van een medische noodsituatie op korte termijn. Maatregelen in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ), volledige ADL-afhankelijkheid, een gedwongen opname of een anderszins levensbedreigende situatie door ziekte binnen drie maanden worden niet verwacht.

2.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 5 februari 2013 in zaak nr. 201112291/1/V1) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. De staatssecretaris moet zich, indien hij een BMA-advies, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

2.3. Dat het BMA zich niet concreet heeft uitgelaten over het begrip 'complexe ptss', leidt niet tot het oordeel dat de staatssecretaris het besluit van 29 oktober 2012 niet op de advisering van het BMA heeft mogen baseren. Uit het BMA-advies van 2 oktober 2012 blijkt dat de opsteller daarvan op basis van onder meer de informatie van de behandelend psychiater van 17 juli 2012 gemotiveerd heeft geconcludeerd dat bij het staken van de behandeling van de vreemdeling geen medische noodsituatie op korte termijn is te verwachten. De BMA-arts heeft voorts de door de behandelend psychiater verstrekte informatie van 19 maart 2013, inhoudende dat sprake is van een complexe ptss en dat door verergering en ontregeling een sterk verhoogde kans op suïcide is te verwachten indien behandeling uitblijft, kenbaar bij de advisering betrokken door zich in het aanvullend advies van 28 maart 2013 op het standpunt te stellen dat deze informatie niet leidt tot een wijziging van de conclusies van het BMA-advies van 2 oktober 2012, nu in die informatie geen nieuwe inhoudelijke medische feiten zijn genoemd.

Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het besluit niet wordt gedragen door een zorgvuldig tot stand gekomen en inzichtelijk medisch advies van het BMA.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 oktober 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op het vorenoverwogene, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat zij in de bezwaarprocedure ten onrechte niet is gehoord.

4.1. De staatssecretaris heeft in het besluit van 29 oktober 2012 toegelicht dat de vreemdeling in de bezwaarprocedure niet is gehoord, omdat het door haar gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond is.

4.2. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

4.3. Gelet op de inhoud van het besluit van 10 oktober 2012, waaraan het BMA-advies van 2 oktober 2012 ten grondslag is gelegd, en de tegen dat besluit gemaakte bezwaren van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris, gegeven de onder 4.2. weergegeven maatstaf, van het horen van de vreemdeling mogen afzien.

5. Het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2012 is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 juli 2013 in zaak nr. 12/34431;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins- de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Roosmalen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013

53.