Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2029

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201302517/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:233, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2011 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om een huisvestingsvergunning voor de woonruimte aan [locatie] te Rotterdam (hierna: de woonruimte) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302517/1/A3.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2013 in zaak nr. 12/2306 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Rotterdam

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2011 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om een huisvestingsvergunning voor de woonruimte aan [locatie] te Rotterdam (hierna: de woonruimte) afgewezen.

Bij besluit van 17 april 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 april 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 18 maart 2013 heeft het college een huisvestingsvergunning verstrekt voor de woonruimte.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. F. Ben-Saddek, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5, eerste volzin, van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wijst de gemeenteraad in de huisvestingsverordening de categorieën van woningzoekenden aan die met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking komen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (hierna: Wbmgp) kan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (thans: de minister voor Wonen en Rijksdienst) op aanvraag van de gemeenteraad gebieden aanwijzen waarin aan woningzoekenden op grond van de artikelen 8 en 9 eisen kunnen worden gesteld.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, kan de gemeenteraad, indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in de huisvestingsverordening bepalen dat woningzoekenden die minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag van een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene zijn van de regio waarin de gemeente is gelegen, slechts voor een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van in die verordening aangewezen categorieën van woonruimte in aanmerking komen indien zij beschikken over:

a. een inkomen op grond van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid;

b. een inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf;

c. een inkomen op grond van een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden;

d. een ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet;

e. een ouderdoms- of nabestaandenpensioen als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, of

f. studiefinanciering als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam (hierna: de Huisvestingsverordening) is het verboden een te huur aangeboden zelfstandige of onzelfstandige woonruimte met een huurprijs onder de huurprijsgrens, zonder een huisvestingsvergunning in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, komt de aanvrager die minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag van een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene is van één van de gemeenten van de stadsregio slechts in aanmerking voor een huisvestingsvergunning, indien hij beschikt over:

a. een inkomen op grond van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid;

b. een inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf;

c. een inkomen op grond van een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden;

d. een ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet;

e. een ouderdoms- of nabestaandenpensioen als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, of

f. studiefinanciering als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders aan de aanvrager die niet voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eis, de aangevraagde huisvestingsvergunning verlenen, indien het weigeren van de huisvestingsvergunning tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden.

Ingevolge artikel 4.1 kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in deze verordening, indien vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in deze verordening zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. [wederpartij] heeft zich op 22 januari 1990 in de gemeente Rotterdam gevestigd en zich aldaar ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De woning waarvoor hij een huisvestingsvergunning heeft aangevraagd, bevindt zich binnen een door de minister aangewezen gebied als bedoeld in artikel 5 van de Wbmgp en heeft een huurprijs onder de huurprijsgrens. Niet in geschil is dat [wederpartij] in de periode van 3 augustus 2010 tot 13 oktober 2010 niet als ingezetene van de gemeente Rotterdam stond ingeschreven, zodat hij niet gedurende zes jaar voorafgaande aan de aanvraag om een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene is geweest van de Stadsregio Rotterdam. Voorts staat vast dat het inkomen van [wederpartij] bestaat uit een bijstandsuitkering.

3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de hardheidsclausule van artikel 2.5, tweede lid, van de Huisvestingsverordening toe te passen, zodat de inkomenseis aan [wederpartij] in redelijkheid niet gesteld kan worden. Daartoe voert het aan dat de hardheidsclausule van artikel 2.5, tweede lid, van de Huisvestingsverordening slechts dient te worden toegepast in situaties waarin een betrokkene bijvoorbeeld geen inkomen heeft uit werk, maar deelneemt aan een werkbegeleidingstraject met uitzicht op betaald werk binnen afzienbare tijd, of indien iemand een arbeidscontract overlegt waaruit volgt dat binnen korte termijn gestart wordt met werkzaamheden. Evenmin bestaat volgens het college aanleiding om de algemene hardheidsclausule van artikel 4.1 van de Huisvestingsverordening toe te passen, nu de omstandigheden dat [wederpartij] zich bevond in een echtscheidingssituatie met kinderen en gedurende enige tijd een onbestendige verblijfplaats had niet dusdanig bijzonder zijn dat zich bij de weigering van de huisvestingsvergunning een onbillijkheid van overwegende aard voordoet.

3.1. De Afdeling ziet geen aanleiding de ter zitting door het college gegeven toelichting dat de hardheidsclausule van artikel 2.5, tweede lid, van de Huisvestingsverordening slechts kan worden toegepast, indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die gerelateerd zijn aan het inkomen, zoals uitzicht op betaald werk binnen afzienbare tijd of het overleggen van een arbeidscontract waaruit volgt dat binnen korte termijn gestart wordt met werkzaamheden voor onjuist te houden. De door [wederpartij] aangedragen omstandigheden zijn niet als zodanig aan te merken. Anders dan de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat het college terecht heeft afgezien van de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 2.5, tweede lid, van de Huisvestingsverordening, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden als bedoeld in deze bepaling.

Het college voert een zeer terughoudend beleid bij de toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 4.1 van de Huisvestingsverordening. Het komt ook beoordelingsruimte toe bij het toepassen daarvan. Dit leidt ertoe dat het besluit van 17 april 2012 in zoverre door de bestuursrechter slechts terughoudend kan worden getoetst.

Gelet daarop kan worden geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de hardheidsclausule van artikel 4.1 van de Huisvestingsverordening toe te passen. Een echtscheidingssituatie met kinderen en de omstandigheid dat [wederpartij] al geruime tijd in Rotterdam woont en slechts gedurende twee maanden een onbestendige verblijfplaats heeft gehad, heeft het college in dat verband onvoldoende mogen achten. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich vaker voordoet en niet dusdanig bijzonder is dat het college op grond daarvan onder toepassing van de hardheidsclausule diende af te wijken van de in de Huisvestingsverordening neergelegde vereisten voor een huisvestingsvergunning.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 17 april 2012 alsnog ongegrond verklaren.

5. Het nieuwe besluit op bezwaar van 18 maart 2013 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht voorwerp te zijn van dit geding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aan dat besluit de grondslag komen te ontvallen. Het besluit zal om die reden worden vernietigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2013 in zaak nr. 12/2306;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 18 maart 2013, kenmerk A.B.2013.2.01935/YVN.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

97-721.