Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201208278/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft de deelraad het bestemmingsplan "Water" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208278/1/R1.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amsterdam Wharf B.V. en [appellant sub 1], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Amsterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij Belle B.V., gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Canal Company B.V., gevestigd te Amsterdam,

5. [appellant sub 5], wonend te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij Lovers B.V., gevestigd te Amsterdam,

7. [appellant sub 7], wonend te Amsterdam,

8. [appellant sub 8] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

en

de deelraad van het stadsdeel Centrum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft de deelraad het bestemmingsplan "Water" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben Amsterdam Wharf en [appellant sub 1], [appellant sub 2], Rederij Belle, Canal Company, [appellant sub 5], Rederij Lovers, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] en anderen beroep ingesteld.

De deelraad heeft een verweerschrift ingediend.

Amsterdam Wharf en [appellant sub 1], [appellant sub 2], Canal Company, Rederij Belle, [appellant sub 8] en anderen en de deelraad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2013, waar Amsterdam Wharf en [appellant sub 1], in de persoon van [appellant sub 1], bijgestaan door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. Nicolaï voornoemd, Rederij Belle, vertegenwoordigd door S. Emmerik en mr. Nicolaï voornoemd, Canal Company, vertegenwoordigd door F. Guttmann, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. B.A.J. Haagen, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 7], in persoon, [appellant sub 8] en anderen, in de personen van [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], en de deelraad, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters en Q.W.N. Niessen, beiden werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de deelraad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de deelraad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toets deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Met het bestemmingsplan beoogt de deelraad de nota "Visie op het water van de Binnenstad", die op 26 januari 2006 door de deelraad is vastgesteld (hierna: de Visienota), om te zetten in een juridisch-planologische regeling waarmee de verschillende bestemmingsplannen voor het water in de binnenstad van Amsterdam worden vervangen door een eenduidige regeling.

HET BESTEMMINGSPLAN

Het beroep van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1]

3. Het beroep van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] richt zich tegen de planregeling voor de steiger ter hoogte van hun horeca-inrichting met museumfunctie, de op- en afstaplocatie die daarnaast ligt en de planregeling voor de ligplaatsen voor de drie monumentale reddingsboten.

4. Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] betogen dat het aanduidingsvlak voor de drie monumentale reddingsboten te klein is ingetekend. Dit vlak dient volgens hen 10,5 m bij 11 m te zijn.

4.1. Aan het plandeel voor het afmeren van de monumentale reddingsboten bij de inrichting van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] is de bestemming "Water" toegekend, met de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" en "maximumaantal: 3".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder h, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor ligplaats voor varende bedrijfsvaartuigen, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" voorkomt, met inachtneming van het bepaalde in lid 4.4.3.

Ingevolge lid 4.4.3, onder a, mag ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" binnen het aanduidingsvlak maximaal het aantal ligplaatsen worden ingenomen dat op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding "maximum aantal", mits voor het varende bedrijfsvaartuig een ligplaatsvergunning is verleend.

4.2. In de plantoelichting staat dat de deelraad voor varende bedrijfsvaartuigen als uitgangspunt hanteert dat de huidige ligplaats als zodanig is bestemd.

Niet in geschil is dat het vlak met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" ongeveer 10 m bij 11 m groot is. Uit de door de deelraad overgelegde bewijzen van de ligplaatsvergunningen voor de drie monumentale reddingsboten blijkt dat deze boten elk een breedte van 3,3 m hebben en een lengte van 10,7 m. Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] hebben toegelicht dat de stootkussens per stuk ongeveer 30 cm breed zijn, zodat gelet op de breedte van de monumentale reddingsboten de ligplaats ongeveer 10,5 m breed moet zijn. De Afdeling overweegt dat bij het toekennen van ligplaatsen voor de monumentale reddingsboten er van is uitgegaan dat deze langszij van elkaar aan de steiger worden afgemeerd. Bij het langszij afmeren van de boten worden stootkussens toegepast om schade aan de boten te voorkomen. De deelraad heeft zich gelet op het voorgaande niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de monumentale reddingsboten ter plaatse van een ligplaats van ongeveer 10 m breed kunnen worden afgemeerd. Het plan is op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

5. Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] betogen dat ten onrechte geen mogelijkheden voor een steiger met een breedte van 6 m en een lengte van 22,15 m in het plan zijn opgenomen. Zij voeren daartoe aan dat een steiger van 6 m breed noodzakelijk is om grote groepen bezoekers snel en veilig te kunnen ontschepen uit de rondvaartboten waarmee zij gebracht worden en om een ontvangst te kunnen bieden die past bij de aard en de allure van hun horeca-inrichting met museumfunctie. Voor een steiger van 6 m breed is volgens Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] voldoende ruimte. De bestaande steiger is volgens Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] voorts 22,15 m lang.

5.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de noodzaak voor een steiger van 6 m breed niet is aangetoond. De omstandigheid dat vijf rondvaartboten tegelijk ongeveer 200 bezoekers kunnen brengen betreft volgens de deelraad een aspect van de logistieke bedrijfsvoering van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1]. Voorts stelt de deelraad dat dit slechts incidentele piekmomenten betreffen.

5.2. Ingevolge artikel 8.4 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) wordt, indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan bij de voorzitter van de Afdeling een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

5.3. Aan het plandeel voor de steiger ter hoogte van de inrichting van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] is de bestemming "Water" toegekend met de aanduiding "steiger". Aan de gronden ten westen van de steiger, met uitzondering van het meest noordelijke deel van ongeveer 1,5 m, is de bestemming "Water" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie".

Ingevolge lid 1.43, onder b, wordt onder op- en afstaplocatie verstaan een steiger ten dienste van een op- en afstaplocatie, uitsluitend daar waar de aanduiding "steiger" grenst aan de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie".

Ingevolge lid 1.55 wordt onder steiger verstaan een boven, op of in het water aangebrachte of op het water drijvende constructie, waarover gelopen kan worden, niet zijnde een aanlegsteiger, welke ook ten dienste van een op- en afstaplocatie kan staan.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

d. steigers, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding "steiger" voorkomt;

[…]

p. op- en afstaplocaties, uitsluitend daar waar op de verbeelding de nadere aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie" voorkomt;

[…].

Ingevolge lid 4.2.9 bedraagt de maximale oppervlakte van een steiger/aanlegsteiger de ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan bestaande oppervlakte.

Ingevolge lid 4.4.5, onder c, mag ter plaatse waar op de verbeelding aansluitend aan de aanduiding "steiger" ook de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie" is opgenomen, de betreffende steiger ook gebruikt worden voor het direct en kortdurend van en aan boord laten gaan van personen en/of goederen.

Ingevolge lid 4.4.7 mogen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie" de gronden uitsluitend worden gebruikt voor het aan en van boord laten gaan van passagiers en/of goederen.

5.4. Het betoog dat de steiger van 6 m breed en 22,15 m lang ter hoogte van de inrichting van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] niet als zodanig is bestemd mist feitelijke grondslag. Daartoe wordt overwogen dat het bestemmingsplan met de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 15 november 2012, in zaak nr. 201208278/2/R1, op het verzoek om voorlopige voorziening in werking is getreden. Ter zitting heeft de deelraad bevestigd dat uit de verleende bouwvergunning voor de steiger ter hoogte van de inrichting van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] volgt dat deze 22,15 m lang is en dat deze feitelijk ook deze lengte heeft. Niet in geschil is dat de steiger van 22,15 m lang en 6 m breed op 15 november 2012 ter plaatse aanwezig was. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.9, van de planregels is de maximale oppervlakte van een steiger de ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande oppervlakte, zodat de steiger van 22,15 m lang en 6 m breed als zodanig is bestemd.

6. Voorts betogen Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] dat ten onrechte niet mogelijk is gemaakt dat de gehele steiger als op- en afstaplocatie kan worden gebruikt. Ook dienen de monumentale reddingsboten overal aan de steiger afgemeerd te kunnen worden. Nu het plan het afmeren van maximaal drie varende bedrijfsvaartuigen toestaat, maakt het volgens hen geen verschil op welke plaats aan de steiger deze schepen liggen. Het standpunt van de deelraad dat dit vanwege de bestemmingsplansystematiek niet mogelijk zou zijn delen Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] niet, omdat deze belemmering is gelegen in de definitie van op- en afstaplocatie en deze definitie aangepast kan worden. Zij stellen voor dat aan de steiger tevens de aanduiding "aanlegsteiger" wordt toegekend en de definitie van op- en afstaplocatie wordt aangepast, zodat aan de steiger zowel de monumentale reddingsboten als de rondvaartboten kunnen afmeren.

6.1. Volgens de deelraad kan niet aan alle zijden van de steiger een op- en afstaplocatie worden bestemd, omdat aan de oostelijke zijde van de steiger reeds de afmeerplaatsen voor de monumentale reddingsboten zijn bestemd. De bestemmingsplansystematiek laat niet toe dat gronden als permanente ligplaats en tevens als op- en afstaplocatie worden bestemd. Op- en afstaplocaties dienen door de professionele beroepsvaart gebruikt te kunnen worden omdat het openbare ruimte betreft, aldus de deelraad, en dat is niet mogelijk wanneer daar monumentale reddingsboten liggen. Om dezelfde reden kan volgens de deelraad aan de steiger niet tevens de aanduiding "aanlegsteiger" worden toegekend.

6.2. Aan de gronden ten oosten van de steiger ter hoogte van de inrichting van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] is de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder h, van de planregels zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor een ligplaats voor varende bedrijfsvaartuigen, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" voorkomt, met inachtneming van het bepaalde in lid 4.4.3.

Ingevolge lid 4.4.5, onder a, mag ter plaatse van de aanduiding "steiger" de steiger uitsluitend worden gebruikt als publieke of semipublieke verblijfsruimte.

Ingevolge dit lid, onder b, mag, ter plaatse waar op de verbeelding naast de aanduiding "steiger" ook de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" voorkomt, de betreffende steiger tevens gebruikt worden voor het afmeren van varende bedrijfsvaartuigen.

6.3. Wat betreft de gewenste op- en afstaplocatie aan de oostelijke zijde van de steiger is niet in geschil dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Oostelijke eilanden" de steiger aan deze zijde gebruikt mocht worden voor zowel het aanleggen van vaartuigen als het gebruik als op- en afstaplocatie. Het gebruik van de gronden ten oosten van de steiger als op- en afstaplocatie is derhalve onder het overgangsrecht gebracht. Het gebruik van de gronden ten westen van de steiger voor het aanleggen van vaartuigen is eveneens onder het overgangsrecht gebracht. Het onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan aanvaardbaar zijn, maar hiervoor is in ieder geval vereist dat de verwachting bestaat dat dit gebruik binnen de planperiode van tien jaar zal worden beëindigd. Nu de deelraad stelt dat het gebruik van de oostelijke zijde van de steiger als op- en afstaplocatie en het gebruik van de gehele steiger om de monumentale reddingsboten aan te leggen door kan gaan omdat dit onder het overgangsrecht valt, kan hij zich niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie" ten westen van de steiger ter plaatse van de inrichting van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1], het plandeel met de bestemming "Water" ten noorden van deze steiger, en het plandeel met de bestemming "Water" en deels de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig", voor zover deze gronden ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Oostelijke eilanden" gebruikt mochten worden voor het aanleggen van vaartuigen, is genomen in strijd met de rechtszekerheid.

7. In hetgeen Amsterdam Wharf en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op 4.2 en 6.3, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderscheidenlijk in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

7.1. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het beroep van [appellant sub 2]

8. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen het plan nu dit niet twee ligplaatsen voor zijn twee salonboten langszij zijn woonboot in de Achtergracht toestaat.

[appellant sub 2] betoogt dat de twee ligplaatsen, die langs de kade zijn toegekend, niet geschikt zijn, omdat de twee salonboten zo eenvoudig zijn te betreden. De salonboten zijn volgens [appellant sub 2] vanwege hun waardevolle onderdelen gevoelig voor diefstal en ook wordt vaak op dergelijke boten ingebroken. De regeling van de doorvaartprofielen staat niet aan ligplaatsen langszij zijn woonboot in de weg, omdat dit geen wettelijke regeling is en geen planologisch afwegingskader behelst, aldus [appellant sub 2]. Volgens hem kunnen de twee salonboten ook langszij zijn woonboot liggen, omdat dan nog ruim 4 m doorvaartruimte resteert en de boten in een doodlopend stuk vaarwater liggen waar uitsluitend bestemmingsverkeer komt.

8.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat het toestaan van ligplaatsen naast de woonboot van [appellant sub 2] in strijd is met het doorvaartprofielenbeleid. Volgens de deelraad weegt het belang van een goede en veilige doorvaart zwaarder dan het belang van het creëren van een veiliger situatie voor de salonboten. De deelraad stelt dat de salonboten ook op een andere manier beveiligd kunnen worden en dat er al sprake is van een uitzonderlijke situatie omdat de ligplaatsen voor de salonboten aan de kade naast de woonboot van [appellant sub 2] zijn toegekend.

8.2. Aan de gronden voor de woonboot van [appellant sub 2] is de bestemming "Water" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen". Aan de overzijde van dit plandeel is een vlak toegekend met eveneens de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen". Aan de tussenliggende gronden is de bestemming "Water" toegekend. De vlakken met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" liggen op ongeveer 10 m afstand van elkaar. De entree van de Achtergracht is ongeveer 6 m breed.

8.3. De Regeling doorvaartprofielen binnenwateren Amsterdam (hierna: Regeling doorvaartprofielen) is op 11 april 2008 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Op de bij de Regeling doorvaartprofielen behorende kaart "Doorvaartprofielen, Binnenstad" is aan de Achtergracht profiel E toegekend.

Ingevolge artikel I van de Regeling doorvaartprofielen houdt profiel E in dat de breedte van de doorvaart minimaal 10 m is en bij uitzondering 6,5 m.

Ingevolge artikel II is het niet toegestaan dat vaartuigen zodanig afmeren of ligplaats innemen dat zij binnen het doorvaartprofiel liggen.

8.4. De Afdeling overweegt dat de deelraad ter zitting heeft toegelicht dat hij de Regeling doorvaartprofielen als uitgangspunt bij het bestemmingsplan hanteert. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de deelraad de Regeling doorvaartprofielen niet als uitgangspunt bij het bestemmingsplan kan hanteren, nu die van invloed kan zijn op het aanwijzen van bestemmingen en geven van regels voor het water binnen het stadsdeel.

De Afdeling overweegt voorts dat niet in geschil is dat bij het langszij de woonboot van [appellant sub 2] afmeren van de salonboten een doorvaartruimte van ongeveer 8,65 m resteert. Gelet hierop en op de omstandigheden dat de Achtergracht een doodlopende gracht van ongeveer 100 m lang is met een entree van ongeveer 6 m breed, die als flessenhals functioneert, en dat in de Regeling doorvaartprofielen een uitzonderingsmogelijkheid voor een doorvaartprofiel van 6,5 m breed is opgenomen, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit om ligplaatsen voor de salonboten van [appellant sub 2] niet langszij de woonboot van [appellant sub 2] toe te kennen in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

9. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Water" langszij de woonboot van [appellant sub 2] in de Achtergracht, waar [appellant sub 2] ligplaatsen voor zijn salonboten wenst, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

9.1. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het beroep van Canal Company

10. Het beroep van Canal Company richt zich tegen het plan voor zover daarmee haar halte voor haar rondvaartboten in de Prinsengracht ter hoogte van de Westerkerk is verplaatst.

Zij betoogt dat deze wijziging in het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte heeft plaatsgevonden, omdat dit is gebeurd zonder dat zij daarvan op de hoogte is gesteld en zonder dat daarvoor een inspraakprocedure is gevolgd.

10.1. De Afdeling overweegt dat de deelraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Het besluit is met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb voorbereid en uit hoofde daarvan heeft Canal Company haar zienswijze ingediend. Uit de wet noch anderszins volgt voor de deelraad een verplichting om betrokkenen van voorgenomen wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan op de hoogte te stellen dan daarvoor een inspraakprocedure te voeren.

Voorts overweegt de Afdeling dat slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, de wettelijke procedure opnieuw dient te worden doorlopen. Vaststaat dat de deelraad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen, waaronder de verplaatsing van de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie" naar een locatie die ongeveer 90 m noordelijker in de Prinsengracht ligt. Deze afwijking van het ontwerp is naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld.

11. Canal Company betoogt dat er geen nautische grond bestaat voor het verplaatsen van de halte en dat dit wordt bevestigd door de omstandigheid dat Waternet akkoord was met de locatie van de halte in het ontwerpbestemmingsplan. Voorts zal de halte op de nieuwe locatie voor meer overlast zorgen, nu meer partijen van een kleinere steiger gebruik moeten maken. Canal Company vreest schade te lijden doordat de band met haar kiosk bij de thans bestaande halte wordt verbroken. Volgens haar is de kiosk op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan toegestaan.

11.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de verplaatsing van de op- en afstaplocatie mede op advies van Waternet heeft plaatsgevonden en dat dit een oplossing biedt voor een nautisch probleem in de knik van de Prinsengracht en een verbetering betekent van het woon- en leefklimaat van de woonbootbewoners op deze locatie. Wat betreft de kiosk van Canal Company stelt de deelraad dat deze ruimte niet als verkooppunt gebruikt mag worden, maar slechts als droge werkruimte voor de werknemers van Canal Company.

11.2. Aan de gronden voor de thans bestaande halte van Canal Company in de Prinsengracht ter hoogte van de Westerkerk is de bestemming "Water" toegekend, met de aanduiding "steiger". Aan gronden op ongeveer 50 m ten noorden van de gronden bij deze halte in de Prinsengracht ter hoogte van het Anne Frankhuis is de bestemming "Water" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie". Het vlak waaraan deze aanduiding is toegekend heeft een lengte van ongeveer 50 m en een breedte van ongeveer 5 m.

11.3. In het besluit tot vaststelling van het plan staat omtrent een op- en afstaplocatie in de Prinsengracht ter hoogte van de Westerkerk dat door de voorgenomen aanpassing van de steiger de situatie ter plekke enigszins verbetert, maar dat gevaar voor aanvaring met varende schepen, de wal en de woonboten blijft bestaan. Daarbij wordt verwezen naar een brief van Waternet van 31 maart 2011, waarin staat dat de steiger alleen gebruikt kan worden door vaartuigen die varen in de noord-zuidrichting en dat een rondvaartboot die aan de steiger ligt met het voorschip voorbij de knik in de vaarweg zal uitsteken. Voorts staat in deze brief dat als er verder geen opties zijn en voorwaarden aan het uitsteken van vaartuigen opgelegd kunnen worden, Waternet het voorstel acceptabel acht. Ook staat in het besluit omtrent een op- en afstaplocatie in de Prinsengracht ter hoogte van het Anne Frankhuis dat Waternet de nautische aanvaardbaarheid daarvan heeft onderzocht en dat Waternet concludeert dat deze locatie door schepen varend in noordelijke en in zuidelijke richting kan worden bezocht. Voorts staat er dat de locatie overzichtelijk is en met eenvoudige manoeuvres voor de schepen te bereiken is, zodat er zo min mogelijk gemanoeuvreerd hoeft te worden.

11.4. Gelet op hetgeen in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan staat overweegt de Afdeling dat de deelraad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitsluitend toestaan van een op- en afstaplocatie ter hoogte van het Anne Frankhuis wenselijk is, nu schepen daar varend in beide richtingen kunnen afmeren, bij het afmeren minder manoeuvres nodig zijn en de afgemeerde schepen niet in de vaarweg steken. Nu de op- en afstaplocatie met een lengte van ongeveer 50 m langer zal zijn dan de huidige op- en afstaplocatie ter hoogte van de Westerkerk en, zoals ter zitting door de deelraad is toegelicht, twee rondvaartschepen gelijktijdig kunnen afmeren, heeft de deelraad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van onaanvaardbare overlast vanwege het aantal rondvaartboten ter plaatse geen sprake zal zijn. De deelraad heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de nautische veiligheid en het woon- en leefklimaat ter plaatse van nabij de huidige halte gelegen woonschepen dan aan het belang van Canal Company om ter hoogte van de Westerkerk een op- en afstapplaats te kunnen gebruiken. In de omstandigheid dat Canal Company ter hoogte van de Westerkerk een kiosk heeft maakt het voorgaande niet anders, nu deze kiosk ten dienste van de waterfietsen van Canal Bike staat en niet is gebleken dat deze op te grote afstand van de op- en afstapplaats ter hoogte van het Anne Frankhuis ligt.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep van Canal Company ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

13. Het beroep van [appellant sub 5] voor zover gericht tegen de evenementenregeling in artikel 4, lid 4.4.11, van de planregels, steunt niet op een bij de deelraad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

14. Wat betreft het betoog van [appellant sub 5] dat het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid en dat het in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld, nu ten aanzien van de plandelen waarop zijn beroep ziet tegelijkertijd twee ontwerpbestemmingsplannen ter inzage hebben gelegen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de publicatie van het ontwerpplan niet voldoet aan de hieraan gestelde wettelijke vereisten.

15. [appellant sub 5] betoogt dat de woonboot "De Koophandel" die tegenover zijn woning aan de [locatie 1] ligt ten onrechte als zodanig is bestemd voor zover deze hoger is dan 2,5 m. Voor zover "De Koophandel" hoger is en deze hoogte als zodanig is bestemd, is dit volgens hem in strijd met de Bootrichtlijnen 2008. Volgens [appellant sub 5] heeft de deelraad zich ten onrechte geen rekenschap gegeven van de omstandigheid dat de woonboot "De Koophandel" een gebouw, althans een bouwwerk is, omdat de woonboot bedoeld is om duurzaam ter plaatse aanwezig te zijn en deze niet meer zelfstandig kan varen en met stalen kabels aan de kade is vastgelegd. Hij wijst daarbij onder meer op de uitspraken van de Afdeling van 16 november 2011, in zaak nr. 201105264/1/H1, van 30 maart 2012, in zaak nrs. 201201731/1/A1 en 201201731/2/A1, en van 4 juli 2012, in zaak nr. 201113350/1/A1.

15.1. De deelraad voert aan dat met het plan onder meer is beoogd te voorzien in een regeling voor het gebruik van het water als ligplaats voor woonboten. Om met een woonboot legaal een ligplaats in het water te kunnen innemen is een ligplaatsvergunning bepalend, waarin de maatvoering van de woonboot is vastgelegd met inachtneming van de Verordening op het binnenwater 2010 en de Bootrichtlijnen 2008. Van strijd met de Bootrichtlijnen 2008 is dan ook geen sprake volgens de deelraad. Als woonboten al als bouwwerk of gebouw kunnen worden aangemerkt, stelt de deelraad dat dit niet inhoudt dat daarvoor een bouwregeling in het plan moet worden opgenomen, omdat het niet past binnen het beleid en de doelstellingen van de gemeente om het water te bebouwen.

15.2. Aan de gronden voor woonboot "De Koophandel" is de bestemming "Water" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen".

Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels moet onder bouwwerk worden verstaan elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge lid 1.29 moet onder gebouw worden verstaan elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge lid 1.37 moet onder ligplaats worden verstaan een nader aangeduid deel van water waar een woonboot of bedrijfsvaartuig met ligplaatsvergunning binnen de daarvoor geldende voorwaarden ligt, dan wel kan liggen aan maximaal twee afmeerpalen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

f. ligplaatsen voor woonboten en bedrijfsvaartuigen, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" voorkomt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, lid 4.4.1;

[…]

u. gebouwen, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouw" voorkomt;

[…].

Ingevolge lid 4.2.1 mogen op de voor "Water" bestemde gronden uitsluitend gebouwen worden opgericht ter plaatse van het daartoe op de verbeelding aangegeven bouwvlak alsmede ter plaatse van de aanduidingen "parkeergarage" en "specifieke bouwaanduiding - gebouw".

Ingevolge lid 4.2.2 bedraagt de maximale bouwhoogte ten hoogste de ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande bouwhoogte.

Ingevolge lid 4.2.3 mogen op en onder de tot "Water" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen.

Ingevolge lid 4.2.4 bedraagt de maximale hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten hoogste 2 m, dan wel de ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande hogere bouwhoogte.

15.3. Ingevolge artikel 2.2.1 van de Verordening op het binnenwater 2010 moet onder woonboot worden verstaan een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf, niet zijnde een object dat valt onder de Woningwet.

Ingevolge artikel 2.3.1, eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, ligplaats- en vaartuiggebonden.

Ingevolge artikel 2.3.2, tweede lid, kan het college van burgemeester en wethouders nadere regels stellen met betrekking tot afmetingen en met hert oog op het milieu en de welstand.

Ingevolge artikel 2.3.4, eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een woonboot te verbouwen.

Ingevolge artikel 8 van de Bootrichtlijnen 2008 zijn de maximale maten voor een vervangende of te verbouwen boot onder meer 2,5 m voor de hoogte.

15.4. Indien "De Koophandel" als een vaartuig moet worden aangemerkt is van belang dat in het bestemmingsplan geen bouwregels kunnen worden gesteld voor objecten die geen bouwwerk zijn. De omvang van "De Koophandel" wordt beperkt door de ligplaatsvergunning uit hoofde van de Verordening op het binnenwater 2010 en de Bootrichtlijnen 2008, waarin de maximumafmetingen zijn opgenomen. Nu ingevolge artikel 1, lid 1.37, van de planregels ter plaatse van een ligplaats uitsluitend woonboten mogen liggen waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend en waarmee aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan, worden daarmee de afmetingen van een woonboot zijnde een vaartuig begrensd. Bij vergroting van "De Koophandel" dient uit hoofde van artikel 2.3.4, eerste lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 een ligplaatsvergunning verkregen te worden, waarmee in dat kader de aanvaardbaarheid van een vergroting van "De Koophandel" bezien zal worden en met inachtneming van de maximale maten, zoals voortvloeiend uit de Bootrichtlijnen 2008..

Ook indien "De Koophandel" onder het regime van de Woningwet valt, leidt het ontbreken van bouwregels er niet toe dat "De Koophandel" onbeperkt mag worden vergroot. Uit de planregels en het ontbreken van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouw" ter plaatse van de ligplaats van "De Koophandel" leidt de Afdeling af dat ter plaatse geen gebouwen zijn toegestaan en dus ook niet vergroot mogen worden. De vrees van [appellant sub 5] hiervoor is dan ook ongegrond.

Voor zover [appellant sub 5] vreest dat bij vervanging van "De Koophandel" de bouwmogelijkheden onbegrensd zijn, geldt het voorgaande evenzeer.

16. [appellant sub 5] betoogt voorts dat het plan wat betreft de woonboten in het rak met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" ter hoogte van zijn woning in onvoldoende bescherming van het beschermde stadsgezicht voorziet. Volgens hem gelden ten onrechte geen bouwregels voor de woonboten die als bouwwerk of gebouw moeten worden aangemerkt, zodat onduidelijk is welke ruimtelijke uitstraling deze bouwwerken op de omgeving hebben. Daardoor kunnen de woonboten het beschermde stadsgezicht schaden, aldus [appellant sub 5].

16.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoende bescherming biedt voor het beschermde stadsgezicht, doordat voor gebouwen regels zijn gesteld en door aan de gronden voor het beschermde stadsgezicht de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toe te kennen.

16.2. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 stelt de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wro.

16.3. Aan de gronden met de bestemming "Water" en de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" ter hoogte van de woning van [appellant sub 5] is tevens de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden naast de op de verbeelding aangegeven andere bestemmingen tevens bestemd voor het behoud, het herstel en de versterking van de met het beschermde stadsgezicht verbonden cultuurhistorische en architectonische waarden.

16.4. Ingevolge artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu, het bestemmingsplan en de vlotte en veilige doorvaart.

16.5. Niet in geschil is dat voor de woonboten in het rak met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" ter hoogte van de woning van [appellant sub 5] ligplaatsvergunningen zijn verleend die onherroepelijk zijn. Zoals hiervoor in 15.4 is overwogen geldt dat ingevolge artikel 1, lid 1.37, van de planregels ter plaatse van een ligplaats uitsluitend woonboten liggen waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend en waarmee aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan. Voor woonboten die vaartuigen zijn en derhalve geen objecten die vallen onder de Woningwet, kunnen in het bestemmingsplan geen bouwregels worden gesteld. Deze woonboten mogen ingevolge artikel 2.3.4, eerste lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 niet vergroot worden zonder een ligplaatsvergunning. Ingevolge artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 wordt bij het verlenen van een ligplaatsvergunning rekening gehouden met onder meer het bestemmingsplan en de welstand en ingevolge artikel 8 van de Bootrichtlijnen 2008 gelden voor een vervangende of te verbouwen boot de in dit artikel genoemde maximale maten. Gelet hierop is het opnemen van beschermende bepalingen in het plan in zoverre niet nodig.

Indien de woonboten aangemerkt moeten worden als gebouwen geldt dat ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" geen gebouwen zijn toegestaan. De woonboten tevens gebouwen zijnde mogen in dat geval niet vergroot worden en kunnen dan ook geen nadelige invloed hebben op het beschermd stadsgezicht.

Het betoog faalt.

17. [appellant sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte voorschrijft dat tussen woonboten een afstand van 2 m moet worden aangehouden, omdat daardoor voor drie van de zes woonboten onvoldoende ruimte beschikbaar is binnen het aanduidingsvlak.

17.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de regel dat tussen woonboten 2 m afstand moet worden aangehouden alleen geldt voor woonboten die in kop-staarthouding liggen, om zo het zicht op het water te verbeteren en brandoverslag tegen te gaan. Omdat bij stalen woonboten het risico van brandoverslag kleiner is geldt deze regel niet voor dergelijke woonboten die naast elkaar liggen, aldus de deelraad. Ook wijst de deelraad erop dat de verst van de kade af liggende woonboten bij een dergelijke afstand niet goed te bereiken zouden zijn en dat in de voorheen geldende bestemmingsplannen woonboten dichter dan 2 m naast elkaar waren toegestaan.

17.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.4.1, aanhef en onder d, van de planregels geldt binnen de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" dat boten bij het innemen van ligplaatsen onderling op een minimale afstand van 2 m dienen te worden afgemeerd.

17.3. Niet in geschil is dat de woonboten op de gronden nabij de woning van [appellant sub 5] met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" langszij minder dan 2 m afstand aanhouden. De Afdeling overweegt dat uit artikel 4, lid 4.4.1, aanhef en onder d, van de planregels niet volgt dat deze bepaling niet ziet op de afstand tussen langszij afgemeerde woonboten en evenmin dat stalen schepen daarvan zijn uitgezonderd. Nu de deelraad heeft beoogd dat deze bepaling niet op langszij afgemeerde stalen woonboten ziet, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt niet met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid.

18. [appellant sub 5] betoogt dat het aanduidingsvlak voor de ligplaatsen voor woonboten voor zijn woning ten onrechte dichter bij de Magere Brug ligt dan in het voorheen geldende bestemmingsplan "Vijzelstraat - Amstel" het geval was. In het voorheen geldende bestemmingsplan bedroeg de afstand tot de Magere Brug ongeveer 7 m en in het nu voorliggende plan 3 m, aldus [appellant sub 5]. Volgens hem is dit in strijd met het beleid van de deelraad zoals dat in de plantoelichting is verwoord en in strijd met de nota "Welstand op het water" die op 29 januari 2009 door de deelraad is vastgesteld (hierna: de Welstandsnota). Volgens [appellant sub 5] heeft de deelraad tevens in strijd met de Visienota gehandeld, door niet te onderzoeken of het rak zodanig herschikt kan worden dat meer afstand tot de Magere Brug wordt aangehouden. [appellant sub 5] bestrijdt het standpunt van de deelraad dat het verschil tussen het voorheen geldende bestemmingsplan "Vijzelstraat - Amstel" en het nu voorliggende bestemmingsplan wordt gerechtvaardigd doordat de ligplaatsen in het bestemmingsplan "Vijzelstraat - Amstel" minder nauwkeurig konden worden ingetekend. Tevens bestrijdt [appellant sub 5] het standpunt dat onvoldoende middelen beschikbaar zijn om de ligplaatsen te verplaatsen, nu de uitvoeringskosten van het plan lager uitvallen.

18.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat als het voorheen geldende bestemmingsplan het bestemmingsplan "Zuidelijke binnenstad" moet gelden, dat op 27 maart 2012 door de deelraad is vastgesteld en dat op 15 juni 2012 in werking is getreden. In dat bestemmingsplan was de aanduiding voor de ligplaatsen voor de woonboten voor de woning van [appellant sub 5] op ongeveer 2 m afstand van de Magere Brug ingetekend. Nu in het nu voorliggende bestemmingsplan de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" voor de woning van [appellant sub 5] op ongeveer 3 m afstand van de Magere Brug ligt is volgens de deelraad geen sprake van strijd met het beleid.

18.2. In de plantoelichting staat dat bij het opstellen van het bestemmingsplan is vastgehouden aan het door de centrale stad op 14 november 2001 aangenomen beleid, waarin gedetailleerd uitleg is gegeven over het instellen van een afmeerverbod binnen 10 m van historische bruggen en dat deze beleidsnotitie nog steeds voor het centrum geldt. Voorts staat er dat de gemeenteraad de keuze heeft gemaakt het op 10 m afstand afmeren bij bruggen alleen bij walkantvernieuwingen en op vrijwillige basis bij historische bruggen na te streven. Tevens staat in de plantoelichting dat het aantal ligplaatsen binnen 10 m van een historische brug dermate groot is, dat het stadsdeel over onvoldoende financiële middelen beschikt om alle ligplaatsen gelegen binnen een afstand van 10 m tot een brug in een tijdsbestek van tien jaar te verplaatsen en dat het plan daardoor onuitvoerbaar zou worden, zodat daarom ervoor is gekozen geen ligplaatsen weg te bestemmen en bij verplaatsingen vrijwilligheid uitgangspunt te laten zijn.

In de Visienota staat dat binnen 10 m afstand van historische bruggen geen nieuwe ligplaatsen komen en dat dit uitgangspunt in afgezwakte vorm geldt voor historische bruggen waar al woonboten liggen. Voorts staat er dat het streven van het stadsdeel is om in deze gevallen bij herschikking in een rak gebruik te maken van de ontstane ruimte om de afstand naar de bruggen te vergroten. Eventuele herschikking, opheffing of verplaatsing van ligplaatsen kan mogelijk plaatsvinden bij herprofilering van de gracht of bij renovaties van de walmuur.

18.3. De Afdeling overweegt dat ten tijde van de vaststelling van het nu voorliggende bestemmingsplan het bestemmingsplan "Zuidelijke binnenstad" van kracht was, zodat het bestemmingsplan "Zuidelijke binnenstad" als het voorheen geldende bestemmingsplan moet worden aangemerkt. Dat bestemmingsplan is op 9 januari 2013 in rechte onaantastbaar geworden. Niet in geschil is dat de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" voor de woonboot "De Koophandel" aan de gronden is toegekend waar "De Koophandel" daadwerkelijk ligt. In het bestemmingsplan "Zuidelijke binnenstad" lag de aanduiding "specifieke vorm van water - zone ligplaatsenwoonboten maximum aantal 6 ligplaatsen", die ter hoogte van de woning van [appellant sub 5] lag, op een afstand van ongeveer 2 m van het plandeel voor de Magere Brug. Voor het oordeel dat met het nu voorliggende bestemmingsplan de afstand tussen de Magere Brug en het aanduidingsvlak voor de ligplaatsen voor woonboten voor de woning van [appellant sub 5] in planologische zin kleiner is geworden bestaat dan ook geen grond. Wat betreft het betoog dat de deelraad in strijd met het beleid niet heeft bezien of het rak herschikt zou kunnen worden overweegt de Afdeling dat de deelraad in de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 5] zich op het standpunt heeft gesteld dat herschikking van het rak niet tot een oplossing kan leiden, omdat binnen het rak onvoldoende ruimte beschikbaar is. Voorts staat in de Visienota dat eventuele herschikking mogelijk kan plaatsvinden bij herprofilering van de gracht of bij renovaties van de walmuur. Hiervan was bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen sprake. Voorts brengt de enkele stelling dat middelen beschikbaar zijn voor de verplaatsing van de woonboten voor de woning van [appellant sub 5] niet mee dat de deelraad er daardoor niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen het aanduidingsvlak voor de woonboten voor de woning van [appellant sub 5] aldus te bestemmen. Tevens heeft de deelraad bij zijn besluit kunnen betrekken dat de woonboten in het rak legaal aanwezig zijn.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de deelraad niet in redelijkheid de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" aan de gronden op ongeveer 3 m afstand van de Magere Brug heeft kunnen toekennen.

19. Voorts betoogt [appellant sub 5] dat ten onrechte niet is voorzien in een planregeling die voorschrijft dat de ramen van de woonboot "De Koophandel" aan de walzijde geblindeerd moeten zijn door ondoorzichtig folie. Hij voert daartoe aan dat de woonboot "De Koophandel" in planologisch opzicht dichter bij zijn woning is komen te liggen, zodat daarmee een verdergaande inbreuk op zijn privacy is ontstaan. Voorts voert hij aan dat hij daartoe met de eigenaar van "De Koophandel" een afspraak heeft gemaakt en dat deze afspraak onder verantwoordelijkheid van de wethouder tot stand is gekomen.

19.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat het plan geen wijziging in de privacy voor [appellant sub 5] meebrengt. Voorts stelt de deelraad dat de afspraak tussen [appellant sub 5] en een (voormalige) bewoner dan wel eigenaar geen omstandigheid is op grond waarvan een verandering in de bestaande situatie zou moeten worden gebracht.

19.2. Zoals de Afdeling in 18.3 heeft overwogen is "De Koophandel" feitelijk, noch is het vlak met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" in planologische zin dichter bij de Magere Brug en derhalve de woning van [appellant sub 5] komen te liggen. Voorts overweegt de Afdeling dat de deelraad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre geen ernstige gevolgen voor de privacy van [appellant sub 5] zal hebben, nu de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" op ongeveer 16 m van de woning van [appellant sub 5] liggen en de woning van [appellant sub 5] in een stedelijke centrumomgeving ligt. Dat een afspraak omtrent het blinderen van ramen onder de verantwoordelijkheid van een wethouder is gemaakt - wat daar ook van zij en daargelaten of een regeling in het bestemmingsplan daarvoor aangewezen is - heeft niet tot gevolg dat de deelraad aanleiding heeft moeten zien een dergelijke regeling in het plan op te nemen, nu een dergelijke afspraak de deelraad niet bindt.

20. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 4, lid 4.4.1, onder d, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] voor het overige ongegrond.

20.1. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het beroep van [appellant sub 7]

21. [appellant sub 7] betoogt dat in het plan ten onrechte uitsluitend het oppervlaktewater in het stadsdeel Centrum is opgenomen. Volgens hem vormt het water met de wal een onlosmakelijk geheel en kan door uitsluitend het water in het plan te betrekken geen goede afweging van de betrokken belangen plaatsvinden, onder meer wat op- en afstapvoorzieningen voor woonboten aan de Geldersekade betreft. Ook heeft volgens [appellant sub 7] ten onrechte geen onderzoek plaatsgevonden naar deze belangen. Voorts betoogt hij dat voor zover de deelraad het plangebied kan beperken tot het oppervlaktewater hij het gehele watergebied in de gemeente Amsterdam in het plangebied had moeten opnemen, omdat alleen op die wijze een goede afweging van alle betrokken belangen kan plaatsvinden.

21.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de begrenzing van het plangebied niet in de weg staat aan een integrale afweging van de belangen en dat aspecten van buiten het plangebied zijn meegenomen in de afwegingen. De deelraad wijst daarbij op de aanwijzingen van de grachtengordel als UNESCO Werelderfgoed en als beschermd stadsgezicht die zich hebben vertaald in het toekennen van de bestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan een deel van het plangebied.

21.2. De deelraad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de deelraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De planbegrenzing staat er niet aan in de weg dat de andere belangen worden meegewogen en niet is gebleken dat de deelraad die belangen niet heeft afgewogen. Voorts overweegt de Afdeling dat de deelraad niet de bevoegdheid toekomt een plan vast te stellen voor gronden buiten het stadsdeel.

22. [appellant sub 7] betoogt dat woonboten en vaartuigen ten onrechte aan de oneven zijde van de Geldersekade worden toegestaan. Hij doelt daarbij tevens op de ligplaatsen die na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 4, lid 4.6.1, van de planregels kunnen worden toegestaan. Hij vreest dat dit zal leiden tot verkeersonveilige situaties, doordat de bewoners en gebruikers van de woonboten en vaartuigen een fietspad moeten oversteken om het voetpad te bereiken. Volgens [appellant sub 7] stelt het plan ten onrechte geen eisen aan de kwaliteit en de omvang van woonboten, waardoor een muur van woonboten kan ontstaan. In dat verband voert hij aan dat in het plan ten onrechte de hoogte van woonboten niet is begrensd. Ook is volgens [appellant sub 7] onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat door de woonboten en vaartuigen het stedenbouwkundige evenwicht aan de Geldersekade zal worden verstoord, hetgeen zich niet met de aanwijzingen van het gebied als UNESCO Werelderfgoed en als beschermd stadsgezicht verdraagt. Voorts is volgens [appellant sub 7] ten onrechte geen onderzoek verricht naar de samenloop van de ligplaatsen voor woonboten en vaartuigen met de ligplaatsen voor pleziervaartuigen en het gebruik van het water door pleziervaartuigen. Ook vreest hij geluid- en stankoverlast vanwege het onderhoud van de woonboten en vaartuigen en de kachels daarop. Volgens hem is hier onvoldoende onderzoek naar gedaan. Hij voert in dit kader aan dat ten onrechte geen gebruiksvoorschriften in het plan zijn opgenomen die overlast, vervuiling en hinder beperken of uitsluiten.

22.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat zich tussen het fietspad en de kade een opstelstrook van ongeveer 1,6 m bevindt en dat dit door de verkeerskundige van het stadsdeel en door de politie voldoende wordt geacht om veilig het fietspad over te kunnen steken. Voorts blijft volgens de deelraad het aantal woonboten en bedrijfsvaartuigen met dit plan gelijk en verandert het plan niets ten nadele van de structuur van de grachten, zodat geen sprake is van een aantasting van het beschermd stadsgezicht en het UNESCO Werelderfgoed. Wat betreft de hoogte van de woonboten stelt de deelraad zich op het standpunt dat hij met een gebruiksregeling voor woonboten heeft kunnen volstaan. Voorts wijst de deelraad op de nota "Nota welstand te water", de Verordening op het Binnenwater 2010 en de Bootrichtlijnen 2008, waarin de maximale maten zijn vastgelegd en waaraan ligplaatsvergunningen voor woonboten in het stadsdeel Centrum moeten voldoen.

22.2. Aan de gronden voor het water voor de Geldersekade zijn de bestemming "Water" en de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend. Aan het water aan de oneven zijde van de Geldersekade ten noorden van de Bantammerbrug zijn zes aanduidingsvlakken toegekend. Aan het dichtst bij de Bantammerbrug gelegen vlak zijn de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" en "aantal: 1" en "maximumaantal: 1" toegekend. Aan de gronden ten noorden daarvan zijn twee vlakken langszij elkaar toegekend. Aan het dichtst bij de wal gelegen vlak zijn de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats bedrijfsvaartuig", "aantal: 1" en "maximumaantal: 1" toegekend. Aan het langszij daarvan gelegen vlak zijn de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig", "aantal: 1" en "maximumaantal: 1" toegekend. Aan de gronden ten noorden daarvan is een vlak toegekend met de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaatsen", "aantal: 1" en "maximumaantal: 2". Aan de gronden ten noorden daarvan is een vlak toegekend met de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig", "aantal: 1" en "maximumaantal: 1". Aan de gronden ten noorden daarvan is een vlak toegekend met de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaatsen", "wro zone - wijzigingsgebied", "aantal: 0" en "maximumaantal: 2".

22.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats bedrijfsvaartuig" voorkomt, met inachtneming van het bepaalde in lid 4.4.2.

Ingevolge lid 4.4.1, aanhef en onder a, geldt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" dat binnen het aanduidingsvlak het aantal woonboten en/of bedrijfsvaartuigen mag worden afgemeerd dat op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding "aantal".

Ingevolge dat lid, aanhef en onder b, geldt binnen het aanduidingsvlak ten aanzien van de aanduiding "maximum aantal" dat voor zover voor het maximumaantal geen ligplaatsvergunningen zijn uitgegeven de resterende beschikbare ligplaatsen worden aangemerkt als alternatieve ligplaatsen, als bedoeld in artikel 1, lid 1.7.

Ingevolge dat lid, aanhef en onder f, kunnen alternatieve ligplaatsen uitsluitend in gebruik worden genomen nadat het dagelijks bestuur toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid zoals neergelegd in lid 4.6.1.

Ingevolge lid 4.4.2 geldt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats bedrijfsvaartuig" dat:

a. een ligplaats slechts kan worden ingenomen door één bedrijfsvaartuig;

b. binnen het aanduidingsvlak het aantal bedrijfsvaartuigen mag worden afgemeerd dat op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding "aantal";

c. voor bedrijfsvaartuigen geldt dat dit aantal binnen het plangebied niet mag toenemen, met uitzondering van de bedrijfsvaartuigen die worden toegestaan na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit lid 4.6.5.

Ingevolge lid 4.6.1, onder a, sub 1, is het dagelijks bestuur bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro het bestemmingsplan te wijzigen door ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaatsen" het aantal ligplaatsen aangeduid met "aantal" te verkleinen dan wel te vergroten tot het in de aanduiding "maximum aantal" aangegeven getal.

Ingevolge dat lid, onder b, sub d, geldt voor de toepassing van de bevoegdheid als bepaald in lid 4.6.1, onder a, dat van deze bevoegdheid pas gebruik mag worden gemaakt indien wordt bijgedragen aan het realiseren van één of meer van de volgende doelstellingen:

1. de wijziging is nodig om de woonboten of bedrijfsvaartuigen die op een niet als zodanig bestemde ligplaats liggen een alternatieve ligplaats te bieden;

2. de wijziging is nodig om een verplaatsing vanuit het gebied met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" mogelijk te maken, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, lid 9.4;

3. de wijziging is nodig om een verlaging van de dichtheid in de volgende grachten te bereiken: Brouwersgracht, Lijnbaansgracht, Prinsengracht en Keizersgracht;

4. de wijziging is nodig voor het realiseren van een vrije afstand tot historische bruggen door het verplaatsen van woonboten en/of bedrijfsvaartuigen;

5. de wijziging is nodig om de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" ter plaatse van zichtlijnen te realiseren door arken te verschuiven dan wel te verplaatsen;

6. de wijziging draagt bij aan ordening op het water of efficiënt watergebruik.

Ingevolge artikel 12, lid 12.3, zijn ter plaatse waar op de verbeelding de gronden zijn voorzien van de aanduiding "wro zone - wijzigingsgebied" de regels van artikel 4, lid 4.6.1, onder a en onder b, van overeenkomstige toepassing.

22.4. Ingevolge artikel 2.2.1, onder b, van de Verordening op het binnenwater 2010 moet onder bedrijfsvaartuig worden verstaan een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten.

Ingevolge artikel 2.4.1, eerste lid, is het verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, ligplaats-, bedrijfs- en vaartuiggebonden.

Ingevolge het vierde lid is artikel 2.3.1, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

22.5. Het plan staat voor het water aan de oneven zijde van de Geldersekade ter hoogte van de woning van [appellant sub 7] bij recht vijf ligplaatsen voor woonboten en bedrijfsvaartuigen toe.

Ingevolge de voorheen geldende bestemmingsplannen "Nieuwmarkt 2004", dat op 31 maart 2005 is vastgesteld en "Geldersekade t.o. 67-73 (woonboot)", dat op 21 december 2010 is vastgesteld, waren aan het water voor de Geldersekade ter hoogte van de woning van [appellant sub 7] in totaal vijf ligplaatsen voor woonboten of bedrijfsvaartuigen toegekend. De ligplaatsen zijn ingenomen door woonboten en bedrijfsvaartuigen waarvoor ingevolge de Verordening op het binnenwater 2010 ligplaatsvergunningen zijn verleend, die inmiddels onherroepelijk zijn.

22.6. De Afdeling overweegt dat het plan niet bij recht voorziet in toevoeging van ligplaatsen, zodat de deelraad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van een verslechtering van de verkeersveiligheid of het woon- en leefklimaat door vervuiling en rook, problemen met de samenloop van pleziervaart en woonboten of aantasting van het stedenbouwkundig evenwicht aan de oneven zijde van de Geldersekade, het beschermd stadsgezicht of het UNESCO Werelderfgoed geen sprake is. Daarbij is van belang dat [appellant sub 7] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich anderszins een verslechtering zal voordoen.

Wat betreft het betoog dat het plan ten onrechte geen bouwregels stelt voor de woonboten overweegt de Afdeling in gelijke zin als hiervoor in 16.5 is overwogen.

22.7. Wat betreft de alternatieve ligplaatsen voor woonboten en bedrijfsvaartuigen overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 1, lid 1.37, van de planregels ter plaatse van een ligplaats uitsluitend woonboten of bedrijfsvaartuigen mogen liggen waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend, zodat slechts van de wijzigingsbevoegdheid ingevolge artikel 4, lid 4.6.1, van de planregels gebruik kan worden gemaakt indien een ligplaatsvergunning is verleend. Een ligplaatsvergunning kan uitsluitend verleend worden voor een woonboot of bedrijfsvaartuig in de zin van de Verordening op het binnenwater 2010, die alleen vaartuigen, niet zijnde objecten die vallen onder de Woningwet, als woonboten en bedrijfsvaartuigen definieert. Nu ingevolge artikel 2.4.1, eerste en vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 bij het verlenen van een ligplaatsvergunning rekening wordt gehouden met onder meer het bestemmingsplan, de welstand en ordening, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat met het toestaan van alternatieve ligplaatsen onvoldoende rekening is gehouden met de aanwijzingen van het gebied als UNESCO Werelderfgoed en als beschermd stadsgezicht.

23. Wat betreft het betoog van [appellant sub 7] dat ten onrechte voor een moderne rondvaartboot een ligplaats is toegekend, omdat de rondvaartboot een dissonant element in de historische omgeving is en daarvoor slechts een tijdelijke ligplaatsvergunning is verleend, overweegt de Afdeling als volgt.

De omstandigheid dat het gebied van de Geldersekade als beschermd stadsgezicht en als UNESCO Werelderfgoed is aangewezen heeft niet tot gevolg dat ter plaatse geen enkele moderne ontwikkeling mogelijk is. De deelraad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een ligplaats voor een varend bedrijfsvaartuig, die ingenomen kan worden door een moderne rondvaartboot, niet een aantasting van het beschermd stadsgezicht of het UNESCO Werelderfgoed met zich brengt. Voorts heeft [appellant sub 7] met zijn enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat de huidige ligplaatsvergunning tijdelijk is en daarom het toekennen van een ligplaats voor een varend bedrijfsvaartuig niet rechtvaardigt.

24. [appellant sub 7] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor een parkeergarage onder het water van de Geldersekade. Hij wijst erop dat deze wijzigingsbevoegdheid zich niet verdraagt met eerdere besluitvorming inhoudende dat ter plaatse een parkeergarage niet is toegestaan en dat de parkeergarage niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Ook is volgens hem de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende begrensd en ontbreken nadere eisen omtrent de stedenbouwkundige kwaliteit en de historische waarden.

24.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat hij bevoegd is een wijzigingsbevoegdheid in het plan op te nemen en dat deze voldoende objectief begrensd is. Voorts stelt hij dat de vraag of het dagelijks bestuur gelet op de betrokken belangen in redelijkheid aan de bevoegdheid invulling heeft kunnen geven pas bij de beoordeling van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid aan de orde komt.

24.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels is het dagelijks bestuur bevoegd om, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro de bestemming "Water" te wijzigen in die zin dat gebruik als parkeergarage wordt toegestaan door op de verbeelding de aanduiding "parkeergarage" op te nemen, teneinde ondergrondse parkeervoorzieningen te realiseren.

24.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders, in dit geval is dat het dagelijks bestuur van het stadsdeel, binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

24.4. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels het plan dusdanig kan worden gewijzigd dat ter plaatse van alle gronden met de bestemming "Water" een ondergrondse parkeergarage is toegestaan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de locatie of locaties van de parkeergarages nog niet bekend zijn. Gelet op de omvang van het plandeel met de bestemming "Water", dat vrijwel al het oppervlaktewater in het stadsdeel Centrum omvat, en de omstandigheid dat niet onderzocht is of overal ter plaatse van de wijzigingsbevoegdheid een parkeergarage mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels niet door voldoende objectieve normen wordt begrensd.

Het betoog van [appellant sub 7] slaagt.

25. Wat betreft het betoog dat de economische uitvoerbaarheid van het plan voor de oneven zijde van de Geldersekade onvoldoende is verzekerd, omdat er ten onrechte van wordt uitgegaan dat geen sprake zal zijn van planschadevergoedingen, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat de deelraad het risico op planschade heeft geïnventariseerd waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Risicoanalyse Planschade" van 1 december 2010 en het rapport "Aanvullende risicoanalyse planschade" van 24 oktober 2011 en dat is gebleken dat na aanpassing van het plan geen planschade te verwachten valt. Niet is gebleken dat deze rapporten dusdanige gebreken bevatten dat de deelraad zich daar niet op heeft mogen baseren. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan economisch uitvoerbaar is.

26. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

26.1. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de deelraad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het beroep van Rederij Belle

27. Rederij Belle richt zich tegen het plan voor zover dat niet voorziet in een ligplaats voor haar salonboot "Emma" in de Nieuwe Vaart ter hoogte van de Kruithuisstraat 7 tot en met 11, naast de ligplaats voor haar salonboot "Adeline".

Rederij Belle betoogt dat de deelraad niet het uitgangspunt heeft kunnen hanteren dat uitsluitend voor varende bedrijfsvaartuigen waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend een ligplaats in het bestemmingsplan is opgenomen, nu er ook vaartuigen zijn waarvoor nog geen ligplaatsvergunning is verleend, maar die wel verleend zal moeten worden. Er zijn volgens Rederij Belle immers ook ligplaatsen in het plan opgenomen waarvoor nog geen ligplaatsvergunning is verleend. Verder wijst zij op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2012, in zaak nr. AWB 11/6218 GEMWT, waar de rechtbank heeft overwogen dat voor salonboot "Emma" concreet zicht op legalisatie bestaat. Een ligplaats naast salonboot "Adeline" kan volgens Rederij Belle worden toegestaan, omdat er geen nautische bezwaren tegen deze plaats bestaan, er voldoende ruimte is en een ligplaats aldaar logisch is. Voorts wijst Rederij Belle op de alternatieve ligplaats voor een woonboot voor de gronden naast de ligplaats voor salonboot "Adeline".

27.1. De deelraad voert aan dat hij het uitgangspunt hanteert dat uitsluitend ligplaatsen worden bestemd waarvoor ook een ligplaatsvergunning is verleend. Volgens de deelraad zou het plan een aantrekkende werking kunnen hebben op vaartuigen die thans een ligplaats buiten het stadsdeel Centrum innemen, wanneer in het plan meer ligplaatsen zouden worden toegekend dan er ligplaatsvergunningen zijn verleend. Dit wil de deelraad voorkomen. De deelraad wijst erop dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid heeft om een omgevingsvergunning wegens met het plan strijdig gebruik te verlenen. Voorts komt salonboot "Emma" volgens de deelraad in beginsel in aanmerking voor een ligplaatsvergunning in het centrum van Amsterdam, maar staat het daarmee niet vast dat deze ligplaats in de Nieuwe Vaart ter hoogte van de Kruithuisstraat 7 tot en met 11, naast de ligplaats voor de salonboot "Adeline" toegekend moet worden.

27.2. Aan de gronden voor het water in de Nieuwe Vaart, ter hoogte van de Kruithuisstraat 7 tot en met 11, is de bestemming "Water" toegekend. Aan een deel van deze gronden zijn de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats bedrijfsvaartuig", "aantal: 1" en "maximum aantal: 1" toegekend. Tevens zijn aan naastgelegen gronden de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats", "aantal: 0" en "maximum aantal: 1" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.4.2, van de planregels geldt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats bedrijfsvaartuig" dat:

[…]

d. ten aanzien van het binnen de aanduiding met de aanduiding "maximum aantal" aangegeven aantal geldt dat voor zover voor het maximumaantal ligplaatsen geen ligplaatsvergunningen zijn uitgegeven de resterende beschikbare ligplaatsen worden aangemerkt als alternatieve ligplaatsen;

[..]

g. de alternatieve ligplaatsen uitsluitend in gebruik kunnen worden genomen nadat het dagelijks bestuur toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid uit lid 4.6.1.

27.3. De Afdeling overweegt dat Rederij Belle reeds in haar zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan heeft aangegeven dat salonboot "Emma" tot het quotum van bedrijfsvaartuigen behoort en dat derhalve ten behoeve van dit bedrijfsvaartuig een ligplaats toegekend dient te worden. De Afdeling overweegt dat de deelraad zich onvoldoende heeft vergewist van de voor salonboot "Emma" van belang zijnde omstandigheden. Eveneens heeft de deelraad onvoldoende gemotiveerd waarom aan de gronden naast de ligplaats voor salonboot "Adeline" een alternatieve ligplaats is toegekend en niet een ligplaats voor salonboot "Emma". De door de deelraad gestelde belemmeringen in de planregeling zijn immers met het vaststellingsbesluit ontstaan.

28. In hetgeen Rederij Belle heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats", "aantal: 0" en "maximum aantal: 1" naast de ligplaats voor salonboot "Adeline" ter hoogte van de Kruithuisstraat 7 tot en met 11 is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

28.1. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het beroep van Rederij Lovers

29. Rederij Lovers betoogt dat om haar steigers als op- en afstaplocatie te kunnen gebruiken, aan de gronden voor haar steigers in de Nieuwe Keizersgracht ter hoogte van de Hermitage en in de Amstel ter hoogte van Carré de aanduiding "steiger" toegekend had moeten worden.

29.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de halte in de Nieuwe Keizersgracht ter hoogte van de Hermitage bestaat uit zes afmeerpalen en een entreeplank, en dat de op- en afstapvoorziening als zodanig is bestemd. Wat betreft de halte in de Amstel ter hoogte van Carré stelt de deelraad zich op het standpunt dat aan de gronden voor de steiger aldaar de aanduiding "steiger" is toegekend en dat deze gronden grenzen aan gronden met een aanduiding voor op- en afstaplocatie, zodat deze als zodanig is bestemd.

29.2. Aan de gronden voor de halte van Rederij Lovers in de Nieuwe Keizersgracht ter hoogte van de Hermitage is de bestemming "Water" toegekend, met de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie". Aan de gronden voor de halte van Rederij Lovers in de Amstel ter hoogte van Carré is de bestemming "Water", met de aanduidingen "steiger" en "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie" toegekend.

29.3. De Afdeling overweegt dat aan de gronden voor de halte in de Amstel tegenover Carré de aanduiding "steiger" is toegekend en dat wat de halte aan de Nieuwe Keizersgracht ter hoogte van de Hermitage betreft niet is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het plan een steiger ter plaatse aanwezig was. Nu aan de gronden voor de halte in de Amstel tegenover Carré en voor de halte aan de Nieuwe Keizersgracht de aanduiding "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie" is toegekend mogen deze haltes voor op- en afstappen worden gebruikt. Het betoog van Rederij Lovers mist in zoverre feitelijke grondslag.

30. Rederij Lovers betoogt voorts dat ten onrechte geen ligplaats voor haar rondvaartboot in de Prinsengracht ter hoogte van het Anne Frankhuis is toegekend. Zij stelt dat in de Prinsengracht ter hoogte van de Westerkerk wel een ligplaats voor een rondvaartboot is toegekend ten behoeve van een andere reder. Rederij Lovers betoogt dat zij recht heeft op een gelijke behandeling.

De Afdeling overweegt dat in het bestemmingsplan niet is bepaald welke varende bedrijfsvaartuigen ter plaatse van een aanduiding "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" ligplaats innemen. Het bestemmingsplan staat derhalve niet in de weg aan het innemen van een ligplaats door Rederij Lovers ter plaatse van voornoemde aanduiding in de Prinsengracht ter hoogte van de Westerkerk, mits aan Rederij Lovers een ligplaatsvergunning is verleend. Of aan Rederij Lovers een ligplaatsvergunning wordt verleend zal in een procedure omtrent de verlening van een ligplaatsvergunning moeten worden bezien. In de onderhavige procedure kan dit niet aan de orde komen.

31. Gelet op het voorgaande is het beroep van Rederij Lovers ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8] en anderen

32. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen is gericht tegen de mogelijkheid voor een steiger in de Amstel ter hoogte van de Hermitage.

[appellant sub 8] en anderen betogen dat de steiger ten onrechte als zodanig is bestemd. Daartoe voeren zij aan dat het gebruik van de steiger dusdanig veel overlast veroorzaakt dat deze niet meer in het plan opgenomen had moeten worden. Volgens hen wordt tegen deze overlast onvoldoende handhavend opgetreden.

32.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de steiger ook in het voorheen geldende bestemmingsplan "Oostelijke binnenstad" mogelijk was gemaakt, zodat geen sprake is van een in planologisch opzicht nieuwe situatie. Voorts stelt de deelraad dat in overleg met appellante G. [appellant sub 8 A] oplossingen zijn voorgesteld die nog niet alle zijn uitgevoerd, zodat de overlast kan verminderen.

32.2. Aan de gronden voor de steiger in de Amstel ter hoogte van de Hermitage is de bestemming "Water" toegekend met de aanduiding "steiger".

Ingevolge artikel 4, lid 4.4.5, aanhef en onder a, van de planregels mag ter plaatse van de aanduiding "steiger" de steiger uitsluitend worden gebruikt als publieke of semipublieke verblijfsruimte.

32.3. De deelraad hanteert als uitgangspunt dat bestaande steigers in het bestemmingsplan worden opgenomen als deze openbaar toegankelijk zijn of een openbaar karakter hebben. Niet in geschil is dat de steiger in de Amstel ter hoogte van de Hermitage openbaar toegankelijk is. De deelraad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met het door hem gehanteerde uitgangspunt. In hetgeen [appellant sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad dit uitgangspunt redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen. De raad heeft geen reden hoeven zien de steiger niet als zodanig te bestemmen. Wanneer het gebruik van de steiger niet in overeenstemming is met het gebruik dat het bestemmingsplan toestaat zal het dagelijks bestuur in beginsel tot handhaving dienen over te gaan. Voorts acht de Afdeling van belang dat de deelraad ter zitting heeft toegelicht dat voorstellen omtrent handhaving aan [appellant sub 8] en anderen zijn gezonden en dat hij een reactie daarop afwacht.

33. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] en anderen ongegrond.

HET EXPLOITATIEPLAN

Het beroep van [appellant sub 7] tegen het ontbreken van een exploitatieplan

34. [appellant sub 7] betoogt dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld, terwijl dit volgens hem een verplichting is wanneer een bestemmingsplan wordt vastgesteld. De economische uitvoerbaarheid van het plan is volgens hem nu onvoldoende verzekerd.

34.1. Ingevolge artikel 6.12, tweede lid, van de Wro kan de deelraad, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een dergelijk besluit.

34.2. Indien de deelraad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zou [appellant sub 7] niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij de financiële onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat hij geen grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro heeft gesloten met betrekking tot gronden in het plangebied en geen eigenaar is van gronden in dat gebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant sub 7] die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de desbetreffende delen van een exploitatieplan, kan hij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van de desbetreffende delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro.

Het beroep van [appellant sub 7] tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan is niet-ontvankelijk.

PROCESKOSTEN

De deelraad dient ten aanzien van Amsterdam Wharf en [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5] en Rederij Belle op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Van bij [appellant sub 7] voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wat betreft Canal Company, Rederij Lovers en [appellant sub 8] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van P.J.H.M. Luiijten, voor zover dit is gericht tegen artikel 4, lid 4.4.11, van de planregels, en het beroep van [appellant sub 7], voor zover dit is gericht tegen het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen, niet-ontvankelijk ;

II. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amsterdam Wharf B.V. en [appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 7] gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij Belle B.V. geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van de deelraad van het stadsdeel Centrum van 26 juni 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Water", voor zover dit ziet op:

a. het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduidingen "specifieke vorm van water - op- en afstaplocatie" en "specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig" nabij de steiger ter plaatse van de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amsterdam Wharf B.V. en [appellant sub 1], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I;

b. het plandeel met de bestemming "Water" langszij de woonboot van [appellant sub 2] in de Achtergracht, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart II;

c. artikel 4, lid 4.4.1, onder d, van de planregels;

d. artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels;

e. de gronden met de bestemming "Water" en de aanduidingen "specifieke vorm van water - ligplaats", "aantal: 0" en "maximum aantal: 1" naast de ligplaats voor salonboot "Adeline" ter hoogte van de Kruithuisstraat 7 tot en met 11;

IV. draagt de deelraad van het stadsdeel Centrum op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor onder III vermelde onderdelen worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij Lovers B.V., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Canal Company B.V. en [appellant sub 8] en anderen geheel en de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amsterdam Wharf B.V. en [appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 7] voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de deelraad van het stadsdeel Centrum tot vergoeding van:

- bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amsterdam Wharf B.V. en [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- bij [appellant sub 5] met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij Belle B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat deelraad van het stadsdeel Centrum aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

- € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amsterdam Wharf B.V. en [appellant sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 2];

- € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 5];

- € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij Belle B.V.;

- € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 7].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Verhage

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

655.