Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2024

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201304211/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft de burgemeester De Eenhoorn B.V. onder aanzegging van bestuursdwang gelast coffeeshop De Eenhoorn, gevestigd aan de Ipe Brouwerssteeg 3-5 te Leeuwarden voor het publiek te sluiten voor de duur van drie maanden, ingaand op 18 juni 2012 om 10:00 tot en met 18 september 2012 om 10:00 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304211/1/A1.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Eenhoorn B.V., gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 maart 2013 in zaak nr. 12/2590 in het geding tussen:

De Eenhoorn B.V.

en

de burgemeester van Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft de burgemeester De Eenhoorn B.V. onder aanzegging van bestuursdwang gelast coffeeshop De Eenhoorn, gevestigd aan de Ipe Brouwerssteeg 3-5 te Leeuwarden voor het publiek te sluiten voor de duur van drie maanden, ingaand op 18 juni 2012 om 10:00 tot en met 18 september 2012 om 10:00 uur.

Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft de burgemeester het door De Eenhoorn B.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank het door De Eenhoorn B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Eenhoorn B.V. hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2013, waar De Eenhoorn B.V., vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] en bijgestaan door [gemachtigde], advocaat te Leeuwarden, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.E. van der Helm, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid hanteert de burgemeester de beleidsregels zoals neergelegd in de Nota ‘Handhavingsarrangement bijzondere wetten horeca, coffeeshop, prostitutie en kansspelen’. In deze nota is onder meer als uitgangspunt opgenomen dat in de gemeente Leeuwarden maximaal twaalf coffeeshops binnen de stadsgrachten zullen worden gedoogd. Elke coffeeshophouder moet beschikken over een gedoogverklaring voor de handel in softdrugs. Volgens dit handhavingsarrangement kunnen coffeeshops slechts worden gedoogd indien wordt voldaan aan de in het handhavingsarrangement genoemde voorschriften.

3. Op 15 december 2011 heeft de burgemeester aan coffeeshop De Eenhoorn een gedoogverklaring afgegeven voor de verstrekking en het gebruik ter plaatse van softdrugs in de inrichting. In die verklaring zijn de voorschriften uit het handhavingsarrangement opgenomen. Volgens voorschrift drie van de gedoogverklaring is de toegang tot de inrichting verboden voor personen beneden de leeftijd van achttien jaar, zulks door de coffeeshophouder te (doen) onderzoeken op basis van een deugdelijke identificatie. Volgens voorschrift vier van de gedoogverklaring mogen "softdrugs" niet worden verstrekt aan of gebruikt door personen beneden de leeftijd van 18 jaar, zulks door de coffeeshophouder te (doen) onderzoeken op basis van een deugdelijke identificatie.

Volgens het door de burgemeester vastgestelde handhavingsarrangement zal de burgemeester bij een eerste overtreding van voorschrift drie of vier van de gedoogverklaring in beginsel overgaan tot sluiting van de coffeeshop voor een periode van drie maanden, bij een tweede overtreding tot sluiting van de coffeeshop voor zes maanden en bij een derde overtreding tot het intrekken van exploitatievergunning en de gedoogverklaring.

4. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 mei 2012 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat op 16 februari 2012 door coffeeshop De Eenhoorn aan een minderjarige een joint is verkocht en de coffeeshop niet naar haar legitimatie heeft gevraagd. De burgemeester heeft zich daarbij gebaseerd op een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevinding van J. Weima en P. Roza, beiden werkzaam als toezichthouder en bijzonder opsporingsambtenaar bij de gemeente Leeuwarden, van de gebeurtenissen op 16 februari 2012 en het op ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal van verhoor betrokkene op 27 februari 2012 van H. van der Veen, werkzaam als brigadier van politie van de politie Fryslân. Uit dat laatste proces-verbaal komt naar voren dat betrokkene, die is geboren op 6 augustus 1996, heeft verklaard dat zij in coffeeshop De Eenhoorn een joint heeft gekocht en dat in deze coffeeshop niet naar haar legitimatie is gevraagd. Daarmee is volgens de burgemeester voldoende aangetoond dat de voorschriften drie en vier van de gedoogverklaring zijn overtreden. Omdat het hier een eerste overtreding betreft, heeft de burgemeester, overeenkomstig het door hem gevoerde beleid, de coffeeshop voor drie maanden gesloten.

5. De Eenhoorn B.V. betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester niet mocht overgaan tot sluiting van haar coffeeshop voor een periode van drie maanden. Daartoe voert zij aan dat het door de burgemeester gevoerde beleid waarin vaste sluitingstijden zijn opgenomen zonder dat de mogelijkheid bestaat om een verzoek om opheffing te doen onrechtmatig is en dat de duur en de noodzaak van de sluiting in het besluit op bezwaar ontoereikend is gemotiveerd. Hiertoe wijst De Eenhoorn B.V. naar een uitspraak van de Afdeling van 8 september 2010 in zaak nr. 200910265/1/H3 met toegevoegde annotaties, waaruit volgens haar volgt dat de burgemeester voor elke sluiting afzonderlijk dient te motiveren waarom de duur daarvan in dat geval gerechtvaardigd is en een verwijzing naar de beleidsregels daarbij niet kan volstaan. De Eenhoorn B.V. betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de coffeeshop bekend staat als een inrichting waar minderjarigen terecht kunnen en indien de coffeeshop al zo bekend zou staan, een sluiting voor een kortere periode dan drie maanden ook het effect zou hebben dat die bekendheid teniet wordt gedaan.

6. In de coffeeshop zijn verdovende middelen, als vermeld in lijst II van de Opiumwet, verkocht. Aangezien zich aldus een situatie, als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, voordeed, was de burgemeester op grond van die bepaling in beginsel bevoegd om bestuursdwang toe te passen. Het met betrekking tot coffeeshops gevoerde gedoogbeleid doet aan het bestaan van deze bevoegdheid niet af, doch brengt slechts met zich dat toepassing ervan in een concreet geval, waarin de gedoogcriteria worden nageleefd, onredelijk kan zijn en daarom achterwege moet blijven.

In hoger beroep is uitsluitend nog aan de orde of de burgemeester mocht overgaan tot sluiting van de coffeeshop voor een periode van drie maanden. De burgemeester heeft aan zijn in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat een sluiting voor een periode van drie maanden noodzakelijk wordt geacht om de loop naar de coffeeshop De Eenhoorn alsmede de bekendheid daarvan als coffeeshop waar minderjarigen terecht kunnen, te beëindigen. Anders dan De Eenhoorn B.V. betoogt, volgt uit voornoemde uitspraak van 8 september 2010 niet dat de burgemeester geen vaste sluitingstermijnen, neergelegd in beleidsregels, mag toepassen. Uit deze uitspraak komt wel naar voren dat een vaste sluitingsperiode van vijf jaar zonder de mogelijkheid om te verzoeken om opheffing van het besluit tot sluiting indien de overtreding is beëindigd, in strijd is met het reparatoire karakter van een sluitingsbevel krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, gelet op de aanzienlijke duur van de sluiting. Anders dan in die uitspraak betreft het hier een sluitingsperiode van drie maanden, welke termijn in het algemeen niet onrechtmatig wordt geacht om overtredingen zoals hier aan de orde te beëindigen en te voorkomen.

Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht kan de burgemeester afwijken van het door hem gevoerde beleid indien handelen overeenkomstig dat beleid gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Het door De Eenhoorn B.V. ter zitting naar voren gebrachte dat zij naar aanleiding van een eerdere waarschuwing van de burgemeester op 23 januari 2009 voor de ingang van de coffeeshop een sluis heeft aangebracht teneinde de verkoop van softdrugs aan minderjarigen te ontmoedigen is niet een dergelijke omstandigheid. Ter zitting is immers komen vast te staan dat in de door De Eenhoorn B.V. aangebrachte sluis ook softdrugs kunnen worden gekocht. Evenmin is de ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid dat er altijd groepen jongeren rondhangen op het Ruiterskwartier, ook wegens een nabijgelegen andere coffeeshop en een Febo, een dergelijke omstandigheid. De coffeeshop dient zelf zorg te dragen dat het voldoet aan de op 20 december 2011 door de burgemeester afgegeven gedoogverklaring. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de burgemeester een sluiting van de coffeeshop voor een periode van drie maanden noodzakelijk mocht achten om de loop naar coffeeshop De Eenhoorn alsmede de bekendheid daarvan als coffeeshop waar minderjarigen terecht kunnen, definitief te beëindigen en de maatregel derhalve niet onevenredig is. Geen grond kan worden gevonden dat dit besluit op bezwaar hiermee niet deugdelijk is gemotiveerd.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

414-798.