Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2021

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201304469/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:30, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college [appellante] op straffe van een dwangsom gelast het permanent aanmeren van de schepen aan de laad- en loswal op het perceel sectie [.], nummer [....], gemeente Heerewaarden (hierna: het perceel), te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304469/1/A1.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Heerewaarden, gemeente Maasdriel,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 april 2013 in zaak nr. 12/2039 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college [appellante] op straffe van een dwangsom gelast het permanent aanmeren van de schepen aan de laad- en loswal op het perceel sectie [.], nummer [....], gemeente Heerewaarden (hierna: het perceel), te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. W. Braam en het college, vertegenwoordigd door J.J.W.G. van den Oetelaar, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Nu de last alleen betrekking heeft op het beëindigen en beëindigd houden van het aanmeren van schepen aan de laad- en loswal, heeft [appellante] bij het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college evenzeer ten onrechte heeft gelast elders aangemeerde schepen te verwijderen en verwijderd te houden en zij daardoor financieel is benadeeld geen belang.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Buitendijks deel" rusten op het perceel de bestemmingen "Uiterwaardengebied" en "Water".

Ingevolge artikel 28.2 van de planvoorschriften mag het gebruik van de grond en/of opstallen dat strijdig is met het plan op het tijdstip, waarop het plan van kracht wordt, worden gehandhaafd, tenzij dat gebruik reeds in strijd was met het daaraan voorgaande bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge het voorafgaande, door de raad van de gemeente Heerewaarden bij besluit van 16 april 1992 vastgestelde, bestemmingsplan "Buitengebied de Hogewaard 1991" rust op het perceel de bestemming "Loswal".

Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften van dat plan mag een gebruik van onbebouwde grond en/of opstallen dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond en afwijkt van de bestemming en/of de voorschriften worden voortgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate van het plan gaat afwijken.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet tot het opleggen van de last bevoegd was, omdat de desbetreffende schepen niet permanent, maar slechts gedurende kortere of langere tijd aan de laad- en loswal aangemeerd liggen.

3.1. In haar beroepschrift heeft [appellante] gesteld dat al bijna 20 jaar steeds enkele schepen aan de laad- en loswal hebben gelegen. De betekenis van de term "permanent" is niet in de voorschriften geregeld. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat daaronder ook zo langdurig dient te worden verstaan, als hier het geval is. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. Daartoe wordt mede in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat de schepen niet uitsluitend aangemeerd liggen om te worden geladen of gelost, maar ook voor onderhoud, in afwachting van nieuwe opdrachten en, tegen betaling, als ligplaats.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college de last niet kon opleggen, omdat het aanmeren van schepen ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied (Heerwaarden) 1978" was toegestaan. Nu de laad- en loswal vanaf 1984 voor het permanent aanmeren van schepen wordt gebruikt, mag dat gebruik ingevolge het in de achtereenvolgende bestemmingplannen neergelegde overgangsrecht worden voortgezet. Voorts heeft de rechtbank miskend dat bijzondere omstandigheden het college noopten tot het afzien van handhavend optreden, aldus [appellante].

4.1. Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied de Hogewaard 1991" valt met dat plan strijdig gebruik van de laad- en loswal onder het overgangsrecht, als het bestond bij het van kracht worden van dat plan. Niet vereist is dat het ingevolge het voorafgaande bestemmingsplan was toegestaan. Het college heeft, door aan het besluit van 20 maart 2012 ten grondslag te leggen dat het permanent aanmeren van schepen aan de laad- en loswal in strijd is met de bestemmingsplannen "Buitengebied (Heerewaarden) 1978", "De Hogewaard 1984" en "Buitengebied de Hogewaard 1991" en dat gebruik daarom niet onder het in artikel 28.2 van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht mag worden voortgezet, dat derhalve niet draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank heeft het ten onrechte niet om die reden vernietigd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college weliswaar heeft gesteld dat er geen jarenlang ongewijzigd voortgezet strijdig gebruik van de laad- en loswal is geweest, maar niet dat dat evenmin vanaf het van kracht worden van het bestemmingsplan "Buitengebied de Hogewaard 1991" het geval was, terwijl [appellante] heeft gesteld dat dat zo was en zich onder de stukken verklaringen van derden bevinden met de strekking dat het met dat bestemmingsplan strijdige gebruik destijds bestond en daarna is voortgezet.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 maart 2012 gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 april 2013 in zaak nr. 12/2039;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 20 maart 2012, kenmerk 176669;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 796,00 (zegge: zevenhonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

357-757.