Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2020

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201304497/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2013 heeft het college het uitwerkingsplan "1e partiële herziening uitwerkingsplan Velmolen Buiten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304497/1/R3.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Uden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2013 heeft het college het uitwerkingsplan "1e partiële herziening uitwerkingsplan Velmolen Buiten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.W.M. Schutte, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de bouw van 12 halfvrijstaande woningen in de woonwijk Velmolen-Oost in Uden.

Met het plan wordt voorzien in een partiële herziening van het niet reeds verwezenlijkte uitwerkingsplan "Uitwerkings- en wijzigingsplan Velmolen Buiten" en wordt de herontwikkeling beoogd van 6 vrijstaande woningen naar ongeveer 12 halfvrijstaande woningen.

2. [appellant], die aan de [locatie] woont, kan zich niet met het plan verenigen, voor zover het voorziet in de mogelijkheid om ten zuidwesten van zijn perceel bebouwing te realiseren op minder dan 15 m van zijn woning. Hij vreest een verlies aan zonlichttoetreding en privacy. [appellant] stelt daartoe dat de dichtstbijzijnde bebouwing op minimaal 15 m van zijn perceel moet liggen, zoals dat was bepaald in het vorige uitwerkingsplan.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het college stelt dat dit plan er ten opzichte van het vorige uitwerkingsplan toe kan leiden dat er ongeveer 1 meter dichter bij het perceel van [appellant] kan worden gebouwd. Deze verandering is minimaal en heeft nauwelijks gevolgen voor het perceel van [appellant]. Het college wijst erop dat deze wijziging de openheid en de structuur van het gebied niet aantast en dat het plandeel met de bestemming "Wonen" in dit plan beperkter is dan in het vorige uitwerkingsplan, waardoor de bebouwingsmogelijkheden voor bijgebouwen zijn afgenomen. Volgens het college leidt het plan dan ook niet tot een onevenredig verlies aan zonlicht en privacy van [appellant].

2.2. In het vorige uitwerkingsplan "Uitwerkings- en wijzigingsplan Velmolen Buiten" was aan het bouwvlak in het gebied met een woonbestemming ten zuidwesten van de woning van [appellant] de aanduiding "vrij" toegekend. Op grond van de regels van dat uitwerkingsplan mocht ter plaatse uitsluitend één vrijstaande woning worden gebouwd. In het vorige uitwerkingsplan lag het bouwvlak op ongeveer 14 m van de achterzijde van de woning van [appellant].

In het thans voorliggende plan is aan het onderhavige bouwvlak de aanduiding "tae" toegekend. Gezien het bepaalde in de planregels van dit plan zijn ter plaatse twee halfvrijstaande woningen toegestaan. Dit levert een toename van één woning op ten opzichte van het vorige uitwerkingsplan. In dit plan ligt het beoogde bouwvlak op ongeveer 13 meter van de achterzijde van de woning van [appellant].

Hoewel het maximaal toegestane aantal woningen ter plaatse toeneemt, acht de Afdeling een eventueel verlies aan zonlichttoetreding en privacy niet zodanig dat het college het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Hierbij is van belang dat het beoogde bouwvlak op ongeveer 13 m schuin tegenover de achterzijde van de woning van [appellant] ligt. Overigens neemt de Afdeling in aanmerking dat het om een geringe toename van één woning gaat en dat het beoogde bouwvlak slechts 1 m in de richting van de woning van [appellant] is verschoven. Het betoog faalt.

3. Voorts vreest [appellant] voor een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat vanwege een toename van parkeerdruk als gevolg van de vermeerdering van het maximaal toegestane aantal woningen.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de parkeerdruk als gevolg van het plan slechts beperkt zal toenemen en enigszins van invloed zal zijn op de woon- en leefsituatie van [appellant], maar dat dit, gelet op de geringe mate daarvan, niet onaanvaardbaar is. Om die reden heeft het college bij het vaststellen van het plan het belang van de woningbouw zwaarder laten wegen dan het door [appellant] gestelde belang. Het college stelt voorts dat het plan voldoet aan het gemeentelijke parkeerbeleid en de daarin gestelde parkeernorm.

3.2. In het plan heeft het college wat betreft het aantal parkeerplaatsen aangesloten bij het gemeentelijke parkeerbeleid, zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen van de gemeente Uden, vastgesteld in mei 2006. Voor het aantal parkeerplaatsen in het plangebied is het college uitgegaan van de norm van 0,5 parkeerplaats per halfvrijstaande woning in de openbare ruimte. De halfvrijstaande woningen dienen voorts te beschikken over minimaal 1,3 parkeerplaats op eigen terrein. Nu uit de plantoelichting volgt dat voor de thans beoogde halfvrijstaande woningen is voorzien in 6,5 parkeerplaatsen in de openbare ruimte en 17 parkeerplaatsen op eigen terrein en dat het plan niet aan de realisering in de weg staat, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat zich ten gevolge van het plan in zoverre een tekort aan parkeerplaatsen zal voordoen.

Voor zover [appellant] stelt dat het plan weliswaar voldoet aan de parkeernorm, maar dat de verhoogde parkeerdruk niettemin van invloed is op de beleving van zijn woon- en leefsituatie, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat die parkeerdruk zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die bij de realisering van het plan aan de orde zijn. Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

408.