Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2019

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201210562/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft het college aan [appellant] een vergunning verleend voor het innemen van een standplaats tot 1 maart 2010 op het Posttilterrein aan de Beertsterweg te Winschoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210562/1/A3.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen, handelend onder de naam Kenmerk Autoruitenservice,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 september 2012 in zaak nr. 10/874 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft het college aan [appellant] een vergunning verleend voor het innemen van een standplaats tot 1 maart 2010 op het Posttilterrein aan de Beertsterweg te Winschoten.

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college het besluit aangevuld en aan [appellant] een vergunning verleend voor het innemen van een standplaats in 2010.

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 6 januari 2010, gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Voor zover het bezwaar ingevolge artikel 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals die artikelen destijds luidden, van rechtswege gericht was tegen het besluit van 20 april 2010, heeft het college het ongegrond verklaard. Het college heeft het bezwaar, voor zover het was gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voor een ontheffing ten behoeve van het plaatsen van verwijsborden, gegrond verklaard. Vervolgens heeft het de gevraagde ontheffing ten behoeve van het plaatsen van verwijsborden geweigerd, met uitzondering van het plaatsen van verwijsborden aan weerszijden van de weg onmiddellijk bij de ingang Beertsterweg naar het Posttilterrein.

Bij uitspraak van 26 september 2010 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door D. Davids, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond over de standplaatsvergunning ingetrokken.

2. Ingevolge artikel 1:8 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Oldambt (hierna: Apv), zoals die gold ten tijde van belang, kan de vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 2:10, eerste lid, van de Apv is het verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Ingevolge het tweede lid kan het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van uitstallingen en/of objecten, reclame-uitingen, hinderlijke beplanting en terrassen, zulks om het doelmatig en veilig gebruik van de weg, dan wel het doelmatig beheer en onderhoud daarvan te bevorderen.

Ingevolge het derde lid kan het bevoegd bestuursorgaan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

3. Het college heeft de ontheffing ten behoeve van het plaatsen van verwijsborden geweigerd omdat plaatsing van de door [appellant] gewenste borden een doelmatig en veilig gebruik van de weg als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, onder a, van de Apv in gevaar brengt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de ontheffing ten behoeve van het plaatsen van verwijsborden in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hij voert in dit verband aan dat de verwijsborden zijn vereist om automobilisten te verwijzen naar het parkeerterrein van het Posttilterrein waar hij een standplaats inneemt voor het graveren van kentekens en het repareren van autoruiten. Volgens hem is er geen aanleiding om aan te nemen dat het plaatsen van verwijsborden een gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik van wegen. Ter ondersteuning van zijn betoog wijst [appellant] op de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2011 in zaak nr. 201009324/1/H3, waarin zijn beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Soest dat strekte tot weigering van het verlenen van een vergunning ten behoeve van het plaatsen van verwijsborden, gegrond is verklaard.

4.1. Het college wenst met het oog op een doelmatig en veilig gebruik van de weg de hand te houden aan een zo rustig mogelijk straatbeeld. Om die reden heeft het in de gemeente locaties aangewezen waar verwijs-, reclame- of aankondigingsborden mogen worden geplaatst. Dit is naar het oordeel van de Afdeling als algemene beleidslijn niet onredelijk. [appellant] wenst zijn verwijsborden buiten de aangewezen locaties te plaatsen. Anders dan in haar uitspraak van 30 maart 2011 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de weigering om hiervoor een ontheffing te verlenen onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat het plaatsen van borden buiten de aangewezen locaties, zoals door [appellant] gewenst, een negatieve invloed heeft op het straatbeeld en zodoende het doelmatig en veilig gebruik van de wegen in gevaar brengt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren een ontheffing te verlenen. Dat [appellant], zoals ter zitting aan de orde is gesteld, in 2013 zeven verwijsborden mag plaatsen, leidt niet tot een ander oordeel. De enkele omstandigheid dat inmiddels een besluit met een andere strekking is genomen, betekent immers niet dat het op 29 juni 2010 genomen besluit onredelijk is.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel af te wijzen, heeft miskend dat aan Automark wel een ontheffing is verleend ten behoeve van het plaatsen van verwijsborden.

5.1. Ter zitting is gebleken dat Automark elders een standplaats inneemt. Het college heeft toegelicht dat plaatsing van borden die verwijzen naar deze standplaats uit een oogpunt van verkeersveiligheid minder bezwaarlijk is. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gevallen van [appellant] en Automark niet gelijk zijn. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel dan ook terecht afgewezen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Binnema

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

589.