Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2012

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201210564/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2007 heeft de korpsbeheerder het verzoek van [appellant] van 25 februari 2007 om verstrekking van gegevens over de vechtpartij en de arrestatie op 3 februari 2007 te Uitgeest van 25 personen behorende tot de organisatie Blood & Honour en/of de Nationalistische volksbeweging, deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210564/1/A3.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 oktober 2012 in zaak nr. 10/5343 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland, thans: de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2007 heeft de korpsbeheerder het verzoek van [appellant] van 25 februari 2007 om verstrekking van gegevens over de vechtpartij en de arrestatie op 3 februari 2007 te Uitgeest van 25 personen behorende tot de organisatie Blood & Honour en/of de Nationalistische volksbeweging, deels afgewezen.

Bij besluit van 14 april 2008 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het niet verstrekken van processen-verbaal, mutatiegegevens en het draaiboek getiteld Politiemaatregelen Links-Rechts.

Bij uitspraak van 28 mei 2009 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het niet verstrekken van processen-verbaal en mutatiegegevens, gegrond verklaard, het besluit van 14 april 2008 in zoverre vernietigd, en het beroep, voor zover gericht tegen het niet verstrekken van het draaiboek, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft de korpsbeheerder, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 november 2007. Hij heeft het bezwaar ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de weigering tot verstrekking van de processen-verbaal en mutatiegegevens, en deels gegrond verklaard voor zover gericht tegen het niet verstrekken van het draaiboek.

Bij uitspraak van 20 januari 2010 in zaak nr. 200904252/1/H3 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2009, voor zover thans van belang, bevestigd. Daarnaast heeft zij het beroep van [appellant] tegen het besluit van 26 augustus 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 21 september 2010 heeft de korpsbeheerder, gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 november 2007 en dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak verzonden op 29 mei 2012 heeft de rechtbank de korpsbeheerder in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na verzending daarvan de aan het besluit klevende gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft de korpsbeheerder, gevolg gevend aan de tussenuitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 november 2007. De korpsbeheerder heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de weigering tot verstrekking van de processen-verbaal en mutatiegegevens en gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de weigering tot verstrekking van het draaiboek. Daarnaast heeft hij het bezwaar, voor zover gericht tegen het niet verstrekken van een aanvullend proces-verbaal van 28 juni 2011 en een DVD betreffende de vechtpartij te Uitgeest, gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 21 september 2010 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarnaast heeft zij het beroep tegen het besluit van 10 juli 2012 gegrond verklaard, voor zover daarbij is geweigerd het nummer van het proces-verbaal van 28 juni 2011 openbaar te maken, en heeft zij het besluit in zoverre vernietigd. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juli 2012 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de korpsbeheerder het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen de weigering het nummer van het proces-verbaal van 28 juni 2011 openbaar te maken. Voor het overige heeft hij het besluit van 10 juli 2012 gehandhaafd.

Bij brief van 17 april 2013 heeft [appellant] toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. te Riele, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 365, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) verstrekt de voorzitter van de kamer die op de strafzaak zit desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal der terechtzitting aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van derden die in het vonnis of in het proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een geanonimiseerd afschrift of uittreksel van het vonnis en het proces-verbaal verstrekken.

Ingevolge het vijfde lid zijn onder het vonnis begrepen de stukken die aan de uitspraak zijn gehecht en wordt van andere tot het strafdossier behorende stukken geen afschrift of uittreksel verstrekt.

2. [appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de korpsbeheerder artikel 365, vierde en vijfde lid, van het WvSv aan zijn besluit tot weigering van de verstrekking van de verzochte processen-verbaal en mutatiegegevens ten grondslag heeft mogen leggen. In dit verband voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat een verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van het recht en de situatie ten tijde van het verzoek. Ten tijde van het verzoek en het bezwaar waren de stukken nog niet aan de strafrechter voorgelegd en was de bepaling van artikel 365 van het WvSv niet van toepassing. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de korpsbeheerder met dit besluit geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 20 januari 2010 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder toepassing diende te geven aan de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

2.1. Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bepaalt dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Zoals eerder is overwogen (onder meer in de uitspraak van 19 maart 2008 in zaak nr. 200705641/1) geldt dit uitgangspunt evenzeer in een situatie als de onderhavige, waarin na vernietiging een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen. In bijzondere gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Een zodanig bijzonder geval doet zich hier echter niet voor. De enkele omstandigheid dat [appellant] door toepassing van artikel 365, vierde en vijfde lid, van het WvSv in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om van het uitgangspunt af te wijken.

2.2. In de zaak waarin de Afdeling op 20 januari 2010 uitspraak heeft gedaan, lagen de besluiten van 14 april 2008 en 26 augustus 2009 ter toetsing voor. De korpsbeheerder had in die besluiten verstrekking van de verzochte processen-verbaal en mutatiegegevens geweigerd op grond van de Wet politieregisters (thans: de Wet politiegegevens). In hoger beroep heeft de korpsbeheerder zich op het standpunt gesteld dat de Wob niet van toepassing was. Oordelend over deze beroepsgrond, heeft de Afdeling overwogen dat de korpsbeheerder niet in dit standpunt kan worden gevolgd. Artikel 365, vierde en vijfde lid, van het WvSv, de grondslag voor de thans voorliggende besluiten, was in de zaak waarin de Afdeling uitspraak deed op 20 januari 2010 niet aan de orde. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat geen gevolg is gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2010.

3. [appellant] richt zich voorts tegen de overweging volgens welke de rechtbank ervan uitgaat dat het aanvullend proces-verbaal van 28 juni 2011 geen tweede pagina heeft. Hieruit blijkt volgens hem dat de rechtbank niet inhoudelijk kennis heeft genomen van de tweede pagina van het proces-verbaal.

3.1. De korpsbeheerder heeft verklaard dat er geen tweede pagina van het proces-verbaal bestaat. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen, daar de eerste pagina wordt afgesloten met ondertekening door de verbalisant. De rechtbank heeft om die reden geen kennis van de tweede pagina kunnen nemen. De beroepsgrond kan dan ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden.

4. [appellant] keert zich in hoger beroep niet tegen het oordeel van de rechtbank dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met minder dan zes maanden is overschreden en dat de door [appellant] geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op € 500,00. [appellant] betoogt echter dat de bedoelde termijn door het instellen van het hoger beroep verder wordt overschreden en hij verzoekt de Afdeling de korpsbeheerder te veroordelen tot betaling van de door hem als gevolg hiervan geleden immateriële schade.

4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1 dient bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen. Voor zaken zoals deze acht de Afdeling in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep twee jaar mag duren.

Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 mei 2007 tegen het uitblijven van een besluit naar aanleiding van het verzoek om openbaarmaking zijn ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling zes jaar en minder dan zes maanden verstreken. De rechtbank heeft reeds een vergoeding toegekend voor de overschrijding van de termijn met minder dan zes maanden, aldus eindigend bij de openbaarmaking van de aangevallen uitspraak. De Afdeling zal, uitgaande van het tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de korpsbeheerder, met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, aanvullend veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan [appellant], als vergoeding voor de door hem als gevolg van de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade, gerekend vanaf de openbaarmaking van de aangevallen uitspraak tot en met de datum van openbaarmaking van deze uitspraak. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Afdeling zal het verzoek om schadevergoeding toewijzen.

5. Bij besluit van 18 december 2012 heeft de korpsbeheerder, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist. Dit besluit is een besluit, als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal dit besluit op de voet van dat artikel gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.

5.1. Bij het besluit van 18 december 2012 heeft de korpsbeheerder zijn besluit van 10 juli 2012 gewijzigd door het nummer van het aanvullend proces-verbaal van 28 juni 2011 openbaar te maken. Voor het overige heeft de korpsbeheerder zijn besluit gehandhaafd. [appellant] heeft bij brief van 4 april 2013, aangevuld bij brief van 8 april 2013, te kennen gegeven dat hij kan instemmen met de wijziging. Voor zover de korpsbeheerder zijn besluit heeft gehandhaafd, herhaalt [appellant] de in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden. Deze beroepsgronden kunnen gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet slagen. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 18 december 2012 ongegrond;

II. veroordeelt de korpschef van politie om aan [appellant] te betalen een vergoeding van € 1000,00 (zegge: duizend euro).

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

589.