Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2011

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201304417/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het college het wijzigingsplan "Wijzigingsplan Buitengebied Diepenheim, wijziging Deldensestraat 11" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304417/1/R1.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Diepenheim, gemeente

Hof van Twente,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het college het wijzigingsplan "Wijzigingsplan Buitengebied Diepenheim, wijziging Deldensestraat 11" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Woeste Wieven B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2013, waar [appellant] en anderen, in de personen van [4 der appellanten], en het college, vertegenwoordigd door J. Overbeek en S. Tichelaar, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting De Woeste Wieven B.V., vertegenwoordigd door [directeur], en mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, als partij gehoord.

Overwegingen

1. In het bestemmingsplan "Thematische herziening Buitengebied Hof van Twente 2008" uit 2009 (hierna: het oude buitengebiedplan), waarmee het bestemmingsplan "Buitengebied Diepenheim, integrale herziening" op onderdelen is herzien, staat een wijzigingsbevoegdheid. Het oude buitengebiedplan en daarmee de wijzigingsbevoegdheid zijn vanaf de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" (hierna: het nieuwe buitengebiedplan) op 22 maart 2013 niet langer het geldende planologische regime. Derhalve kon het college op 26 maart 2013 geen gebruik maken van voornoemde wijzigingsbevoegdheid. Het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Voor zover het college betoogt dat in het nieuwe buitengebiedplan dezelfde wijzigingsbevoegdheid staat als in het oude buitengebiedplan, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 49, lid 49.4, van de regels van het nieuwe buitengebiedplan staat weliswaar een vergelijkbare wijzigingsbevoegdheid als in artikel 6, lid 6.3, van de voorschriften van het oude buitengebiedplan maar nu deze bevoegdheid geldt voor agrarische bouwvlakken en gronden die zijn bestemd als "Wonen", "Agrarisch - VAB", "Bedrijf - VAB" en "Wonen - VAB" en het perceel Deldensestraat 11 in het nieuwe buitengebiedplan is bestemd als "Recreatie - Verblijfsrecreatie", "Natuur", "Agrarisch met waarden" en "Bos" was het college op grond hiervan evenmin bevoegd tot vaststelling van het wijzigingsplan.

3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep van [appellant] en anderen gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

4. Bij uitspraak van heden (in zaak nr. 201302029/5/R1) heeft de Afdeling het nieuwe buitengebiedplan vernietigd voor zover het betreft een deel van het perceel Deldensestraat 11. Voor dat gedeelte is vanaf heden het oude buitengebiedplan en daarmee de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid, wederom het geldende planologische regime. Deze gronden zijn in het wijzigingsplan bestemd als "Bedrijf - VAB" met dien verstande dat de vernietiging daarnaast betrekking heeft op enkele gronden die buiten het wijzigingsplangebied vallen. Derhalve ziet de Afdeling aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan, behoudens de plandelen met de bestemmingen "Natuur", "Agrarisch met waarden" en "Bos" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologische verwachting 1" ter plaatse van die plandelen, in stand kunnen worden gelaten. Hiertoe is van belang dat het college ter zitting heeft aangegeven dat - ook indien het wijzigingsplan nu zou moeten worden vastgesteld - hij het wijzigingsplan voor die gronden in dezelfde vorm zou vaststellen.

5. [appellant] en anderen voeren aan dat de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het wijzigingsplan onzorgvuldig is verlopen. In dit verband wijzen zij erop dat in het bestreden besluit twee keer foutief is vermeld dat het wijzigingsplan is vastgesteld op 28 maart 2013 in plaats van op 26 maart 2013.

5.1. Vast staat dat het wijzigingsplan is vastgesteld op 26 maart 2013. Op het bestreden besluit is per abuis de datum 28 maart 2013 vermeld. Naar het oordeel van de Afdeling brengt dit enkele gegeven echter niet met zich dat moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit is voorbereid in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid.

6. [appellant] en anderen betogen dat sprake is van strijd met de Structuurvisie Landelijk gebied Hof van Twente (hierna: Structuurvisie) nu op grond daarvan geen activiteiten buiten de opstallen mogen worden gerealiseerd, maar uit de stukken van het gemeentebestuur en van De Woeste Wieven B.V. blijkt dat hiertoe wel het voornemen bestaat. Voorts betogen zij dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de Beleidsregel vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing die op 12 december 2006 door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld (hierna: Beleidsregel Vab). In dit verband voeren zij aan dat het wijzigingsplan niet voldoet aan de voorwaarden dat slechts bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor de nieuwe activiteiten, dat nieuwbouw en uitbreiding niet zijn toegestaan, dat detailhandel niet is toegestaan, dat sloop en vervangende nieuwbouw slechts zijn toegestaan indien dit leidt tot een versterking van de ruimtelijke kwaliteit en een substantiële reductie van het bouwvolume, dat de nieuwbouw maximaal 900 m3 mag bedragen en dat de nieuwbouw niet groter mag zijn dan de gesloopte inhoud. Ook gelet op de toename van het verkeer en de verkeersonveilige situaties die als gevolg daarvan kunnen ontstaan is sprake van strijd met de Beleidsregel Vab, aldus [appellant] en anderen.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten in de bestaande opstallen zullen plaatsvinden en dat geen buitenopslag van materialen mag plaatsvinden. Voorts is geen sprake van vervangende nieuwbouw of uitbreiding van gebouwen. Het wijzigingsplan maakt het alleen mogelijk dat de bestaande bijgebouwen kunnen worden hergebruikt voor de nieuwe functies, aldus het college.

6.2. Het wijzigingsplan kent aan een groot deel van de gronden aan de Deldensestraat 11 de bestemming "Bedrijf - VAB", de dubbelbestemming "Waarde - Archeologische verwachting 1" en de aanduiding "congrescentrum" toe.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - VAB" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een conferentiecentrum ter plaatse van de aanduiding "congrescentrum";

b. het bestaande aantal bedrijfswoning(en), waarbij inwoning is toegestaan;

c. bed & breakfast uitsluitend in de bestaande bedrijfswoning;

d. een groepsaccommodatie ter plaatse van de aanduiding "recreatie";

e. podiumactiviteiten ter plaatse van de aanduiding "congrescentrum";

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, horeca categorie I, sanitaire voorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ingevolge lid 4.2.1 voldoen bedrijfswoningen aan de volgende kenmerken:

a. de goothoogte is maximaal 4 m;

b. de bouwhoogte is maximaal 10 m;

c. de inhoud is maximaal 750 m3.

Ingevolge lid 4.2.2 voldoen overige gebouwen aan de volgende kenmerken:

a. uitsluitend de bestaande gebouwen zijn toegestaan;

b. herbouw en/of nieuwbouw van gebouwen is niet toegestaan.

Ingevolge lid 4.3.1 wordt onder gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval verstaan een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van:

a. buitenopslag buiten het achtererfgebied;

b. recreatiewoningen;

c. stacaravans;

d. trekkershutten;

e. horeca categorie II en categorie III;

f. bedrijven als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht;

g. bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

h. vuurwerkbedrijven;

i. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1, wordt onder conferentiecentrum verstaan een congres-, vergader- of trainingscentrum in een gebouw waarin ten minste één grote zaal is waar een bijeenkomst en/of educatieve training rond een bepaald thema gehouden kan worden. Er kunnen andere (kleinere) ruimten beschikbaar zijn voor kleine, middelgrote en grote groepen. In het conferentiecentrum is een horecagedeelte aanwezig, dat voor alle eten en drinken voor de bezoekers zorg draagt. Er is ook een mogelijkheid om te kunnen overnachten.

Ingevolge lid 1.1 wordt onder groepsaccommodatie verstaan een gebouw dat is bestemd voor periodiek recreatief nachtverblijf door groepen, met permanent daarvoor ingerichte ruimten met gemeenschappelijke voorzieningen.

Ingevolge lid 1.1 wordt onder horeca, categorie I, verstaan een bedrijf waar hoofdzakelijk overdag dranken en/of etenswaren worden verstrekt aan bezoekers van andere functies, met name functies als centrumvoorzieningen en dagrecreatie, zoals theehuisjes, conferentiecentrums, ijssalons, croissanterieën, dagcafés, dagrestaurants en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven.

Ingevolge lid 1.1 wordt onder horeca, categorie II, verstaan een horecabedrijf, waar meestal in hoofdzaak alcoholische dranken worden verstrekt en/of waarvan de exploitatie doorgaans overlast voor het leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals cafés, bars, snackbars en cafetaria's, inclusief het geven van feesten en partijen.

Ingevolge lid 1.1 wordt onder podiumactiviteiten verstaan culturele en/of kunstzinnige dans en muzikale, al dan niet akoestische activiteiten georganiseerd door de eigenaar.

6.3. De Structuurvisie beschrijft de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkelingen in de komende tien jaar in de gemeente en de algemene strategie ten aanzien van de verschillende functies en waarden. Deze strategie geeft richting aan het bepalen van het beleid dat in de bestemmingsplannen voor het buitengebied wordt uitgewerkt.

De Structuurvisie vermeldt met betrekking tot recreatie en toerisme onder het kopje "verblijfsrecreatie" het volgende:

"De Hof van Twente biedt diverse overnachtingsmogelijkheden voor toeristen. Om echter in te kunnen blijven spelen op de vraag van de toerist en het toeristisch-recreatief product te versterken wordt gestreefd naar verbetering, verhoging en diversificatie van het aantal toeristische overnachtingen. Daarbij is speciale aandacht voor stimulering van het aantal toeristische overnachtingen in het voor- en naseizoen. Nieuwe of vernieuwende initiatieven op het gebied van verblijfsrecreatie worden gestimuleerd, mede ook om nieuwe doelgroepen te bereiken."

Voorts vermeldt de Structuurvisie met betrekking tot overige bedrijvigheid en windenergie onder het kopje "hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB) door bedrijvigheid" het volgende:

"Kansen voor nieuwe bedrijvigheid in het landelijk gebied doen zich voor door de mogelijkheid om vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen voor nieuwe bedrijvigheid te benutten. […] Het beleid is gericht op een combinatie van nieuwe bedrijvigheid en het versterken van landschappelijke kwaliteit. Om de landschappelijke kwaliteit te waarborgen dienen alle bedrijfsactiviteiten waaronder de opslag van materialen binnen de bestaande panden plaats te vinden."

6.4. In de Beleidsregel Vab staat in hoofdstuk 2 "Beleidskader, harde criteria" het volgende: "Het hergebruik en de bijbehorende activiteiten moeten zich beperken tot de bedrijfsgebouwen zelf (inpandig). Hieronder wordt ook de opslag van materialen en de stalling van bedrijfswagens en andere voertuigen verstaan. Wanneer toch buitenactiviteiten worden voorzien of wanneer sprake is van een onevenredige belasting van de omgeving dan is extra aandacht noodzakelijk voor de landschappelijke inpassing. (…) Er mag geen sprake zijn van detailhandel, anders dan de verkoop van ter plaatse vervaardigde producten, waarbij er geen sprake is van enige tussenhandel. De verkeersintensiteit mag niet substantieel toenemen ten opzichte van het aanwezige niveau en dient mede in relatie tot de verkeersveiligheid van de omgeving worden bezien. Tevens dient bezien te worden of de infrastructuur toereikend is in relatie tot de te ontwikkelen activiteit. (…) Het is denkbaar dat in sommige situaties sloop en nieuwbouw gewenst is, bijvoorbeeld als de ruimtelijke kwaliteit beter gediend is met slopen en herbouwen of vanwege functionele of bouwtechnische redenen. Bij sloop en nieuwbouw kan geëist worden dat een groter bouwvolume wordt gesloopt dan wordt teruggebouwd. De inhoud van het nieuw op te richten bedrijfsgebouw mag niet groter zijn dan het aantal gesloopte kubieke meters met een maximum van 900 m3."

6.5. De in het wijzigingsplan voorziene ontwikkeling heeft in termen van de Structuurvisie betrekking op recreatie en toerisme met uitzondering van het gebruik van het conferentiecentrum welk gebruik in termen van de Structuurvisie moet worden aangemerkt als overige bedrijvigheid. In de Structuurvisie is met betrekking tot recreatie en toerisme niet vermeld dat de bedrijfsactiviteiten slechts mogen plaatsvinden binnen de bestaande panden. Met betrekking tot overige bedrijvigheid is wel bepaald dat de bedrijfsactiviteiten binnen de bestaande panden dienen plaats te vinden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 4, lid 4.2.2, en 1, lid 1.1, van de planregels vindt het gebruik als conferentiecentrum per definitie in een bestaand gebouw plaats. In het aangevoerde wordt derhalve geen grond gevonden voor het oordeel dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de Structuurvisie.

6.6. Gelet op artikel 4, lid 4.2.2, van de planregels is herbouw en/of nieuwbouw niet toegestaan. Voorts is gelet op artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a tot en met d, en artikel 1, lid 1.1, het toegestane gebruik - een conferentiecentrum, het bestaande aantal bedrijfswoningen, bed & breakfast in de bestaande bedrijfswoning en een groepsaccommodatie - naar zijn aard beperkt tot inpandig gebruik. Voorts staat artikel 4, lid 4.1, geen detailhandel toe. Verder heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersintensiteit niet substantieel toeneemt nu uit het akoestisch rapport blijkt dat op de N740, ter plaatse genoemd de Deldensestraat, de verkeersintensiteit thans 3438 motorvoertuigen per etmaal bedraagt en dat het wijzigingsplan zal leiden tot een toename van ongeveer 282 motorvoertuigen per etmaal. In het niet nader onderbouwde betoog van [appellant] en anderen wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat deze toename van de verkeersintensiteit dan wel het in- en uitvoegen van dit verkeer op de N740 zal leiden tot verkeersonveilige situaties en/of tot gevolg zal hebben dat de infrastructuur ter plaatse niet langer toereikend is. In zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de desbetreffende regel uit de Beleidsregel Vab. Het gebruik van de gronden voor podiumactiviteiten, zoals toegestaan in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, van de planregels is gelet op de definitie in artikel 1, lid 1.1, echter niet beperkt tot inpandig gebruik. Nu in de Beleidsregel Vab is opgenomen dat de nieuwe bedrijfsactiviteiten slechts inpandig mogen plaatsvinden, is het wijzigingsplan in zoverre vastgesteld in strijd met deze beleidsregel. Van bijzondere omstandigheden om van dit beleid af te wijken is niet gebleken.

7. [appellant] en anderen betogen verder dat weliswaar de horeca categorieën II en III niet zijn toegestaan, maar dat gelet op het verboden gebruik zoals vermeld in artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels nog altijd feesten - waaronder bedrijfsfeesten - zijn toegestaan en dat daarvan overlast kan worden ondervonden.

7.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, aanhef en onder e, van de planregels onder meer het gebruik van de gronden voor horeca categorie II niet is toegestaan. Nu ingevolge artikel 1, lid 1.1, van de planregels, onder horecacategorie II tevens wordt verstaan het geven van feesten en partijen, is een dergelijk gebruik niet toegestaan. Het betoog faalt.

8. [appellant] en anderen voeren verder aan dat in het akoestisch rapport "Erve Bonkert te Diepenheim" van Alcedo van 13 februari 2012 (hierna: het akoestisch rapport) ten onrechte incidentele bedrijfssituaties niet zijn betrokken. Voorts wordt volgens hen in het akoestisch rapport voor de avond- en nachtperiode uitgegaan van een te laag aantal verkeersbewegingen. [appellant] en anderen betogen verder dat het hondenpension aan de Deldensestraat 6 dient te worden beschouwd als geluidgevoelig object, zowel vanuit het oogpunt van dierenwelzijn als vanuit het oogpunt van geluidoverlast die kan worden veroorzaakt door dieren die onrustig worden vanwege passerende voertuigen. Daarnaast is volgens hen voor de beoordeling van het verkeerslawaai gebruik gemaakt van de verouderde standaardrekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 terwijl op 1 juli 2012 het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 in werking is getreden.

8.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet het voornemen bestaat gebruik te maken van de regeling in de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) op grond waarvan acht collectieve festiviteiten en daarnaast acht incidentele festiviteiten per kalenderjaar kunnen worden georganiseerd, zonder dat wordt voldaan aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Derhalve behoefde volgens het college geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidbelasting tijdens deze incidentele bedrijfssituaties. Voorts is volgens het college wat het verkeer betreft uitgegaan van een ‘worst case’-scenario en is het hondenpension geen geluidgevoelige bestemming.

8.2. In het akoestisch rapport staat dat het voorziene bedrijf meldingsplichtig is en valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. De berekende geluidniveaus zijn getoetst aan de geluidvoorschriften uit afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Nu het Activiteitenbesluit milieubeheer geen toetsingskader kent voor inrichtingsgebonden verkeer van en naar het voorziene bedrijf, is de geluidbelasting die dit verkeer veroorzaakt getoetst aan de Circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer", aldus het akoestisch rapport.

8.3. Nu het wijzigingsplan geen betrekking heeft op de aanleg of reconstructie van een weg of de bouw van geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), zijn de Wgh en de daarop gebaseerde regelgeving niet van toepassing op de vaststelling van het wijzigingsplan. Het akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Nog afgezien van de omstandigheid dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening het gebruik van een bepaalde rekenmethode niet wordt voorgeschreven, overweegt de Afdeling dat zelfs indien de Wgh in dit geval wel van toepassing zou zijn, op grond van artikel XI, eerste lid, aanhef en onder a, tweede lid, aanhef en onder a, en tiende lid, van de Invoeringswet geluidproductieplafonds, de Wgh en de daarop gebaseerde regelgeving zoals deze golden tot 1 juli 2012 in dit geval mochten worden toegepast. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat in het akoestisch rapport bij de berekening van de geluidbelasting in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen gebruik mocht worden gemaakt van de standaardrekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002.

8.4. In het akoestisch rapport staat dat de incidentele bedrijfssituatie de bedrijfssituatie betreft die ten hoogste op twaalf dagen per jaar voorkomt en dat deze situatie niet in het onderzoek is beschouwd. Deze opmerking heeft in dit geval betrekking op de mogelijkheden die hoofdstuk 4, afdeling 1, van de APV biedt om in geval van collectieve festiviteiten - zijnde acht door het college aangewezen feestdagen, zoals Koninginnenacht, Kerst en Pasen - en incidentele festiviteiten - maximaal acht festiviteiten per jaar per inrichting - de op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidgrenswaarden te overschrijden. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat vanwege het bestaan van deze regeling het college het wijzigingsplan niet had mogen vaststellen zonder daaraan voorafgaand akoestisch onderzoek naar deze incidentele bedrijfssituaties. Hierbij is van belang dat ingevolge artikel 4, lid 4.1, en lid 4.3.1, aanhef en onder e, en artikel 1, lid 1.1, van de planregels het geven van feesten en partijen niet is toegestaan, zodat de festiviteiten slechts zijn toegestaan voor zover deze kunnen worden aangemerkt als culturele en/of kunstzinnige dans en muzikale, al dan niet akoestische, activiteiten, niet zijnde feesten en partijen. Voorts is van belang dat in de APV voor incidentele festiviteiten kort gezegd is bepaald dat bij het ten gehore brengen van muziekgeluid ramen en deuren gesloten moeten blijven. Bovendien geldt op grond van de APV voor zowel collectieve als incidentele festiviteiten dat het verboden is buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Dat het college ontheffing kan verlenen van dit verbod, maakt dit niet anders nu bij de verlening van een ontheffing een nadere afweging dient te worden gemaakt, in welk kader de geluidbelasting dient te worden betrokken.

8.5. Uit het akoestisch rapport volgt verder dat het perceel in de avond- en nachtperiode zal worden gebruikt voor podiumactiviteiten, welk gebruik zal plaatsvinden in de podiumzaal. Deze zaal heeft weliswaar een capaciteit van 300 personen, maar in de praktijk zullen er naar verwachting 50 tot 150 personen aanwezig zijn. Bij de berekening van de geluidbelasting in de avond- en nachtperiode is blijkens het akoestisch rapport uitgegaan van 150 bezoekers en twee bezoekers per voertuig.

In het niet nader onderbouwde standpunt van [appellant] en anderen wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bezoekersaantal van 150 personen een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is. In dit kader is van belang dat het gaat om voormalige agrarische bebouwing waarbinnen de podiumzaal is gerealiseerd. Weliswaar biedt deze zaal thans nog ruimte aan meer dan 150 personen maar gelet op het toegestane gebruik - culturele en/of kunstzinnige dans en muzikale, al dan niet akoestische, activiteiten - is een uitgangspunt van 150 personen niet irreëel. Het geven van feesten en partijen is voorts niet toegestaan. Evenmin is het op grond van de tussen de gemeente en de initiatiefnemers gesloten overeenkomst toegestaan ter plaatse bruiloften of partijen te organiseren. Daarnaast is van belang dat De Woeste Wieven B.V. ter zitting heeft aangegeven dat de podiumzaal nog verbouwd zal worden, in die zin dat de op dit moment nog ontbrekende entree, horecabalie en loungeruimte zullen worden gerealiseerd, waardoor de podiumzaal kleiner zal worden. De omstandigheid dat uit de inrichtingsschets van het plangebied blijkt dat 64 parkeerplaatsen op het eigen terrein zijn voorzien en dat daarnaast blijkens de plantoelichting incidenteel gebruik kan worden gemaakt van een strook grond aan de zuidwestkant van het plangebied voor overtollig parkeren, kan niet afdoen aan het oordeel dat 150 personen een reëel uitgangspunt is nu reeds uit de plantoelichting volgt dat deze strook slechts is bedoeld voor incidenteel gebruik.

8.6. In het akoestisch rapport wordt terecht vastgesteld dat het hondenpension geen geluidgevoelige bestemming in de zin van de Wgh is. Het hondenpension is echter wel een geluidgevoelig object, nu het een object betreft waar gedurende een groot gedeelte van het etmaal mensen en/of dieren verblijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient derhalve de geluidbelasting ter plaatse van het hondenpension beoordeeld te worden, hetgeen in het akoestisch rapport is gedaan.

8.7. Wat betreft de vrees van [appellant] en anderen voor onrust in het hondenpension als gevolg van het optrekken en afremmen van verkeer op de Deldensestraat dat afkomstig is van dan wel onderweg is naar De Woeste Wieven (hierna: bestemmingsverkeer), en als gevolg daarvan geluidoverlast voor de omwonenden, overweegt de Afdeling als volgt. In het akoestisch rapport is onder meer het piekgeluidniveau op de gevel van het hondenpension als gevolg van bestemmingsverkeer en als gevolg van het overige verkeer vergeleken. Het piekgeluidniveau van bestemmingsverkeer op de N740 wordt veroorzaakt door een optrekkende personenauto of bestelbus en bedraagt 64 dB(A). Het aantal bestemmingsverkeersbewegingen bedraagt in de avondperiode ongeveer 105 en in de nachtperiode ongeveer 50. Het piekgeluidniveau van het overige verkeer op de N740 wordt veroorzaakt door passerende vrachtwagens en bedraagt 69 dB(A). Het aantal zware motorvoertuigbewegingen bedraagt in de avondperiode vier en in de nachtperiode ongeveer zes. Ter zitting hebben [appellant] en anderen aangegeven dat van het passeren van zware motorvoertuigen in de avond- en nachtperiode thans geen overlast wordt ondervonden in het hondenpension. Weliswaar hebben zij gesteld dat het passeren van een vrachtwagen door honden anders wordt ervaren dan het afremmen en optrekken van een personenauto, maar zij hebben dit niet met een door een deskundige opgesteld rapport aannemelijk gemaakt. Bovendien is het piekgeluidniveau van bestemmingsverkeer 5 dB lager dan het piekgeluidniveau van het overige passerende verkeer. Gelet hierop wordt in het aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verwachting bestaat dat het optrekken en afremmen van bestemmingsverkeer zal leiden tot slechts beperkte onrust in het hondenpension en als gevolg daarvan beperkte geluidhinder voor omwonenden. Het college heeft het wijzigingsplan derhalve in redelijkheid op deze wijze kunnen vaststellen. In dit kader is van belang dat het akoestisch rapport concludeert dat de effecten vanwege het bestemmingsverkeer ter plaatse van het hondenpension minimaal zullen zijn. Overigens volgt uit het rapport "Dierenhotel Markvelde te Diepenheim, akoestisch onderzoek" van Alcedo van 16 maart 2012 dat het piekgeluidniveau binnen het hondenpension door het treffen van akoestische maatregelen van 47 en 51 dB(A) kan worden verlaagd tot 39 en 40 dB(A).

8.8. Ingevolge artikel 1.3, tweede en derde lid, van de Wet dieren dienen dieren bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, gevrijwaard te zijn van fysiek en fysiologisch ongerief, angst en chronische stress, voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd. Reeds omdat in het wijzigingsplan geen regels worden gesteld krachtens de Wet dieren en het evenmin een besluit betreft dat op dergelijke regels is gebaseerd, is deze bepaling in dit geval niet van toepassing. Het betoog dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 1.3 van de Wet dieren faalt.

8.9. Wat betreft de vrees van [appellant] en anderen dat als gevolg van de toename van het verkeer verkeersonveilige situaties zullen ontstaan, overweegt de Afdeling dat - zoals hiervoor onder 6.6 reeds is overwogen - in de in zoverre niet nader onderbouwde stelling geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat de toename van de verkeersintensiteit met 282 motorvoertuigen per etmaal dan wel het in- en uitvoegen van dit verkeer op de N740 zal leiden tot verkeersonveilige situaties.

9. [appellant] en anderen hebben in hun beroepschrift voorts verwezen naar de inhoud van hun zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

10. De Afdeling ziet in het vorenoverwogene aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan, behoudens de plandelen met de bestemmingen "Natuur", "Agrarisch met waarden" en "Bos" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologische verwachting 1" ter plaatse van die plandelen, in stand te laten. In dit kader is van belang dat het college ter zitting heeft aangegeven dat het niet de bedoeling was podiumactiviteiten buiten de bebouwing mogelijk te maken en dat De Woeste Wieven B.V. ter zitting heeft aangegeven hiertoe geen plannen te hebben, zodat de Afdeling aanleiding ziet zelf voorziend artikel 1, lid 1.1., van de planregels, voor zover het betreft de begripsbepaling van podiumactiviteiten aan te vullen in die zin dat na het woord ‘activiteiten’ de volgende zinsnede wordt ingevoegd: ", binnen een gebouw plaatsvindende,".

11. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding het college op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

12. Ten aanzien van [appellant] en anderen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van De Woeste Wieven B.V. bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten, nu de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten en nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die desondanks aanleiding geven voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot vaststelling van het wijzigingsplan "Wijzigingsplan Buitengebied Diepenheim, wijziging Deldensestraat 11";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, behoudens voor zover daarbij de plandelen met de bestemmingen "Natuur", "Agrarisch met waarden" en "Bos" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologische verwachting 1" ter plaatse van die plandelen zijn vastgesteld, in stand blijven;

IV. bepaalt dat de begripsbepaling van podiumactiviteiten in artikel 1, lid 1.1, van de planregels wordt aangevuld in die zin dat na het woord ‘activiteiten’ de volgende zinsnede wordt ingevoegd: , binnen een gebouw plaatsvindende,;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

559.