Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2009

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201212040/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:25973, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201212040/1/V1.

Datum uitspraak: 12 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 23 november 2012 in zaak nr. 12/22071 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 6 juli 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 november 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft kunnen afzien van het horen van de vreemdeling in bezwaar. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hetgeen de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd niet kon afdoen aan zijn standpunt dat de vreemdeling onvoldoende stukken heeft overgelegd. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte verwezen naar haar uitspraak van 11 mei 2012 in zaak nr. 11/11429 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1161), aangezien het voor de vreemdeling duidelijk kon zijn welke stukken hij diende over te leggen en hij deze stukken van de vreemdeling mag verlangen, aldus de staatssecretaris.

2.1. De vreemdeling heeft in zijn bezwaarschrift van 3 mei 2012 aangevoerd dat, hoewel onduidelijk is welke stukken hij bij zijn aanvraag diende over te leggen, hij met de door hem bij zijn bezwaarschrift overgelegde stukken een volledig ondernemingsplan heeft overgelegd. Een uittreksel van inschrijving van de onderneming in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: het handelsregister) kan hij niet overleggen omdat het niet mogelijk is zijn onderneming in te schrijven. Anders dan in het ondernemingsplan staat, is zijn onderneming geen vennootschap onder firma maar een eenmanszaak, aldus de vreemdeling in zijn bezwaarschrift.

Bij brief van 28 juni 2012 heeft de vreemdeling een uittreksel van inschrijving van de onderneming in het handelsregister overgelegd.

2.2. In haar uitspraak van 31 januari 2013 (in zaak nr. 201205761/1/V1) heeft de Afdeling het door de staatssecretaris in die zaak ingestelde hoger beroep tegen voormelde uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2012 gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en het door de desbetreffende vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In deze uitspraak heeft de Afdeling onder meer overwogen dat de vaste gedragslijn van de staatssecretaris, dat een onderneming die niet economisch levensvatbaar is en daarom niet kan worden voortgezet reeds om die reden geen wezenlijk Nederland belang dient, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gaat. De documentatievereisten vermeld in de paragrafen B5/7.3.3 en 7.3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend, zijn, in aanmerking genomen dat zij betrekking hebben op informatie die thans in het licht van de sinds 1 januari 1973 gewijzigde economische omstandigheden nodig is voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een onderneming, niet in strijd met de standstill-bepaling, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.

2.3. Vaststaat dat de vreemdeling geen stukken ter onderbouwing van zowel de markt- en concurrentieanalyse als de liquiditeitsprognose heeft overgelegd. Van de door de staatssecretaris bij brief van 24 februari 2012 geboden gelegenheid om alsnog deze stukken over te leggen heeft de vreemdeling geen gebruik gemaakt. Het had de vreemdeling met die brief genoegzaam duidelijk kunnen zijn dat de stukken waar de staatssecretaris hem om heeft verzocht relevant zijn voor een beoordeling van zijn aanvraag. Mede in aanmerking genomen dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet en hij ter beoordeling daarvan ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 3.102, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, gegevens en bescheiden dient over te leggen, heeft de staatssecretaris in redelijkheid van de vreemdeling kunnen verlangen dat hij deze stukken overlegt. De vreemdeling heeft in bezwaar niet betoogd dat hij daarover niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen. De staatssecretaris heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij de aanvraag van de vreemdeling gelet op paragraaf B5/7.3.3 van de Vc 2000 niet voor advies aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft voorgelegd, omdat de vreemdeling het ondernemingsplan, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet met voldoende stukken heeft onderbouwd.

2.4. Van het horen in de bezwaarschriftenprocedure mag een bestuursorgaan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afzien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 30 maart 2012 en dat wat de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is, mede gelet op wat in 2.2 en 2.3 is overwogen, aan voormelde maatstaf voldaan. De door de vreemdeling eerst in beroep naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden kunnen, wat er ook van zij, niet leiden tot een ander oordeel nu, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 november 2007 in zaak nr. 200704764/1), de beslissing om met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen af te zien, dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 6 juli 2012 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 23 november 2012 in zaak nr. 12/22071;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013

512.