Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2007

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201211827/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 1] om een toevoeging afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet op de rechtsbijstand
Wet op de rechtsbijstand 13
Wet op de rechtsbijstand 14
Wet op de rechtsbijstand 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2014/6
JB 2014/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211827/1/A2.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], verblijvend in de penitentiaire inrichting te Vught,

2. de stichting Stichting Landelijke Gedetineerdencommissie, gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2012 in zaak nr. 12/2420 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en de stichting

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 1] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond en het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2012 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en de stichting daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en de stichting hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en de stichting hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2013, waar [appellant sub 1] en de stichting, vertegenwoordigd door [bestuurder] van de stichting, en de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder het recht zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand verleend door door het bestuur ingeschreven advocaten.

Ingevolge artikel 14 worden alle in Nederland kantoor houdende advocaten die daartoe een aanvraag hebben ingediend, door de raad ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 bedoelde voorwaarden. De raad kan regels stellen met betrekking tot deze voorwaarden.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder b, kunnen de door de raad te stellen regels met betrekking tot de voorwaarden betrekking hebben op de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (hierna: het Bvr) wordt onder strafzaak verstaan een strafzaak jegens een verdachte als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering en een andere zaak die in de bijlage van het Bvr (hierna: de Bijlage) als strafrechtelijke zaak is aangemerkt.

In de Bijlage zijn onder meer geschillen/klachtzaken van gedetineerden als strafrechtelijke zaak aangemerkt.

Ingevolge artikel 6 van de Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2010 krachtens de Wrb stelt de raad ten aanzien van een viertal rechtsgebieden bijzondere deskundigheidsvereisten in. Het betreft hier rechtsgebieden die ofwel specialistische kennis vereisen, ofwel vereisen dat de advocaat zich verdiept in en beperkt tot een aantal samenhangende rechtsgebieden. De inschrijving op deze rechtsgebieden moet worden aangevraagd door middel van een afzonderlijk formulier. De gestelde vereisten gelden voor de toelating dan wel de voortzetting van de inschrijving.

Ingevolge artikel 6a gelden deskundigheidsvereisten voor de rechtsbijstandverlening in strafzaken.

2. [appellant sub 1] heeft de raad verzocht om toevoeging van advocaat mr. R.J.C. Bindels (hierna: de advocaat) voor het indienen van een klaagschrift tegen een disciplinaire straf die hem door de directeur van de penitentiaire inrichting te Lelystad (hierna: de directeur van de PI) is opgelegd.

Bij het besluit van 29 maart 2012 heeft de raad de afwijzing van die aanvraag gehandhaafd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de advocaat weliswaar bij de raad is ingeschreven, maar niet voor verlening van rechtsbijstand in strafzaken. Verder heeft de raad het door de stichting gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbende is.

3. De stichting en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad het door de stichting gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De stichting behartigt het collectieve belang van gedetineerden in Nederland. De afwijzing van de aanvraag om toevoeging raakt aan dat belang, nu daaruit volgt dat gedetineerden niet vrij zijn in hun keuze van een advocaat in beklagzaken.

3.1. Blijkens artikel 2 van de statuten heeft de stichting ten doel het behartigen van de belangen van gedetineerden en ex-gedetineerden in Nederland, waaronder begrepen iedere persoon die rechtmatig van zijn vrijheid is beroofd, en het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. De stichting tracht haar doel te bereiken door middel van alle wettige middelen.

Hieruit vloeit voort dat de stichting het collectieve belang van gedetineerden behartigt. Anders dan de stichting betoogt, is dit collectieve belang evenwel niet rechtstreeks betrokken bij het besluit van 3 augustus 2011, nu dat betrekking heeft op de afwijzing van een aanvraag om toevoeging in een individueel geval. Die afwijzing raakt andere gedetineerden niet rechtstreeks. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de raad het door de stichting gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

4. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn aanvraag om toevoeging geen betrekking heeft op een strafzaak. Het recht van beklag over een beslissing van de directeur van de PI valt onder het detentierecht, dat een bijzondere vorm van bestuursrecht is. De eis dat specialistische kennis van het strafrecht is vereist, is onredelijk en mag geen grondslag voor de afwijzing van zijn aanvraag zijn. Dat hij gehouden is een strafrechtadvocaat in de arm te nemen in een bestuursrechtelijk geschil, betekent voorts dat hij niet vrij is in de keuze van zijn advocaat, hetgeen in strijd is met artikel 6 van het EVRM.

4.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 1] aldus, dat de rechtbank heeft miskend dat de raad artikel 1, aanhef en onder d, van het Bvr, gelezen in samenhang met de Bijlage van dat besluit, buiten toepassing had moeten laten, voor zover beklagzaken van gedetineerden daarin zijn aangemerkt als strafzaak, en hem daarom niet had mogen tegenwerpen dat de advocaat niet voor rechtsbijstandsverlening in strafzaken stond ingeschreven.

4.2. Niet in geschil is dat een beklagzaak van een gedetineerde ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Bvr, gelezen in samenhang met de Bijlage van dat besluit, wordt aangemerkt als een strafzaak. Het Bvr, een algemeen verbindend voorschrift, geeft de raad geen bevoegdheid hiervan af te wijken. Niettemin kan worden geoordeeld dat de raad gehouden was die bepaling buiten toepassing te laten, indien toepassing ervan in een bijzonder geval kennelijk onredelijk is. Bij deze beoordeling dient terughoudendheid te worden betracht.

4.3. In de nota van toelichting bij het besluit van 11 januari 1994 tot vaststelling van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 (Stb 1994, 31), de voorloper van het Bvr, is met betrekking tot het begrip strafzaken het volgende vermeld:

"Ten slotte worden als strafzaak aangemerkt de zaken waarvoor de vergoeding voorheen in bijlage B van het oude besluit werd geregeld. Het zijn vooral zaken die een directe samenhang hebben met het strafrecht, dan wel daarmee vergelijkbaar zijn, omdat de rechtzoekende geconfronteerd wordt met een vorm van vrijheidsbeneming. Voorbeelden zijn beklagzaken ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering, beklag- en beroepszaken van gedetineerden in penitentiaire inrichtingen, etc."

De keuze van de regelgever om beklag- en beroepszaken van gedetineerden in penitentiaire inrichtingen wegens de directe samenhang dan wel de vergelijkbaarheid met het strafrecht aan te merken als strafzaak, is niet kennelijk onredelijk. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, leidt de omstandigheid dat het beklagrecht als onderdeel van het detentierecht verwantschap vertoont met het bestuursrecht, niet tot een ander oordeel, nu dat niet afdoet aan de samenhang dan wel vergelijkbaarheid van het penitentiaire beklagrecht met het strafrecht.

Dat [appellant sub 1] daardoor in zijn keuze voor een advocaat is beperkt, is niet in strijd met artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 20 juli 2005 in zaak nr. 200408565/1), is het recht om een advocaat te kiezen in geval van kosteloze rechtsbijstand niet absoluut. Het recht op verdediging moet effectief zijn. Nu [appellant sub 1] zich kon laten bijstaan door een advocaat die voor rechtsbijstand in strafzaken stond ingeschreven, is daaraan voldaan. Dat een als zodanig ingeschreven advocaat over onvoldoende kennis van het penitentiaire beklagrecht beschikt om een effectieve verdediging te kunnen voeren, is niet aannemelijk.

4.4. Gelet op het vorenstaande heeft de raad terecht geen aanleiding gezien artikel 1, aanhef en onder d, van het Bvr, gelezen in samenhang met de Bijlage van dat besluit buiten toepassing te laten, voor zover beklagzaken van gedetineerden daarin worden aangemerkt als strafzaak. Voor verlening van de toevoeging was derhalve vereist dat de advocaat voor rechtsbijstandverlening in strafzaken bij de raad stond ingeschreven. Nu dat niet het geval was, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de raad de toevoeging terecht heeft geweigerd.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Krokké

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

686.