Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201301846/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Tuitjenhorn" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301846/1/R1.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Tuitjenhorn, gemeente Schagen,

2. [appellant sub 2], gevestigd te Tuitjenhorn, gemeente Schagen, en andere,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Schagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Tuitjenhorn" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2013, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], werkzaam bij Bureau Buitenweg, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door drs. L.C.E. Bakker-Rinkel en mr. J.H. Moraal, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de WRvS kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een planologisch kader voor de kernen Tuitjenhorn en Kalverdijk. Het plan is grotendeels conserverend van aard.

4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 1] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die tegen het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 1] gestelde omstandigheden dat hij verwachtte dat hij geïnformeerd zou worden over de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, omdat hij tot kort voor de terinzagelegging daarvan verscheidene keren met ambtenaren van de gemeente had overlegd over zijn bouwplannen, en dat het voorontwerpbestemmingsplan een andere naam had dan het ontwerpbestemmingsplan. Daartoe overweegt de Afdeling dat in de Awb noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan de raad in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk op de hoogte te stellen van het verloop van de procedure, anders dan wettelijk is bepaald. In de wijziging van naam van het voorontwerpbestemmingsplan van "Tuitjenhorn, Kalverdijk en Kerkbuurt" naar "Tuitjenhorn" bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is evenmin een rechtvaardiging gelegen, nu deze wijziging niet zodanig is dat [appellant sub 1] daarom niet heeft kunnen begrijpen dat hetzelfde plan is bedoeld, waarbij nog komt dat [appellant sub 1] in Tuitjenhorn woonachtig is.

Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

5. [appellant sub 2] betogen dat ten onrechte aan hun strook gronden ten noorden van hun gronden met de bestemming "Bedrijf" (hierna: de strook) de bestemming "Cultuur en ontspanning" is toegekend. Volgens hen dient aan de strook in overeenstemming met een eerder verleende vrijstelling een bedrijfsbestemming toegekend te worden. Ook dient daaraan een medebestemming voor cultuur en ontspanning toegekend te worden, omdat het bedrijf en het naastgelegen dierenpark, die beide in handen zijn van [appellant sub 2], aan elkaar gelieerd zijn en het bedrijf en het dierenpark beide van de strook gebruik maken. Hierdoor zullen volgens [appellant sub 2] geen belangen van derden worden geschaad.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij het feitelijke gebruik van de strook als zodanig heeft bestemd. Dat eerder een vrijstelling is verleend voor het bedrijfsmatige gebruik van de strook doet daar volgens de raad niet aan af, nu daarmee de bestemming niet is gewijzigd. Voorts is volgens de raad het enkele feit dat de strook aan de gronden met een bedrijfsbestemming grenst geen reden om daaraan ook een bedrijfsbestemming toe te kennen. Ook de omstandigheid dat het dierenpark dankzij het bedrijf van [appellant sub 2] is gerealiseerd maakt dit niet anders.

5.2. Aan de strook is de bestemming "Cultuur en ontspanning" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Cultuur en ontspanning" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een dierentuin;

[…]

g. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

[…].

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a, sub 1, en onder d, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 3 onder de categorieën 1 en 2, en verkeers- en verblijfsvoorzieningen.

5.3. Niet in geschil is dat in 1990 een vrijstelling is verleend ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf op de strook, die voorheen een agrarische bestemming had, en dat tussen [appellant sub 2] en de gemeente gesprekken worden gevoerd over een uitbreiding van het dierenpark. Ter zitting hebben [appellant sub 2] voorts onweersproken gesteld dat het gebruik van de strook als parkeergelegenheid voor het dierenpark als een tijdelijke situatie was bedoeld en dat de raad daarvan op de hoogte was. De Afdeling overweegt dat de raad het gebruik van de strook als parkeergelegenheid voor het dierenpark voor de planperiode van in beginsel tien jaar heeft bestemd. Niet is gebleken dat de raad bij het toekennen van de bestemming "Cultuur en ontspanning" aan de strook rekening heeft gehouden met de omstandigheden dat het gebruik van de strook voor het dierenpark als tijdelijk is bedoeld, dat de strook bovendien voor het bedrijf gebruikt wordt en dat ten behoeve van dit bedrijfsmatig gebruik van de strook een vrijstelling is verleend van de voorheen geldende agrarische bestemming. Het bestemmingsplan is in zoverre vastgesteld in strijd met bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

5.4. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 5.3 alsnog toereikend te motiveren waarom de strook niet tevens ten behoeve van het gebruik door het bedrijf van [appellant sub 2] kan worden bestemd, dan wel het besluit in zoverre te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

6. Wat betreft [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

In de einduitspraak zal wat betreft [appellant sub 2] worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. draagt de raad van de gemeente Schagen op om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak:

- met inachtneming van 5.4 het daar omschreven gebrek te herstellen, en;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Verhage

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

655.