Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201210165/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van de haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en die verblijfsvergunning ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210165/1/V3.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. [vreemdeling],

2. de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 2 oktober 2012 in zaak nr. 12/13276 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van de haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en die verblijfsvergunning ingetrokken.

Bij besluit van 2 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Hetgeen in het hogerberoepschrift van de vreemdeling is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) te maken belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd, nu niet is gebleken dat hij het verzoekschrift van de vreemdeling tot het treffen van een omgangsregeling met haar kinderen voldoende in zijn beoordeling heeft betrokken en hetgeen hierover in het besluit van 2 april 2012 is vermeld, er niet aan afdoet dat op hem in beginsel een positieve verplichting rust om de vreemdeling in staat te stellen een relatie met haar kinderen te ontwikkelen.

Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat hij het verzoekschrift van de vreemdeling tot het treffen van een omgangsregeling met haar kinderen, dat in de bezwaarfase is overgelegd, en hetgeen hierover is aangevoerd, kenbaar in het besluit van 2 april 2012 heeft meegewogen. Dat deze omstandigheid niet doorslaggevend is geacht en de belangenafweging niet in het voordeel van de vreemdeling is uitgevallen, betekent niet dat het verzoekschrift onvoldoende in de beoordeling is betrokken, aldus de staatssecretaris.

3.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

3.2. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), onder meer het arrest Rodriguez da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (JV 2006/90) en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2, volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

3.3. De vreemdeling heeft de Oekraïense nationaliteit en is in 1996 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf onder de beperking 'verblijf bij [partner]'. Uit die relatie zijn in 2000 en 2003 twee kinderen geboren (hierna: de kinderen). In 2005 is de relatie met [partner] verbroken. De beperking van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning is met ingang van 1 maart 2006 gewijzigd naar de beperking 'voortgezet verblijf', geldig tot 1 juni 2011. De vreemdeling heeft van 4 januari 2007 tot 8 maart 2011 in Oekraïne verbleven. Sinds haar terugkomst in Nederland heeft zij een relatie met [persoon]. Bij beschikking van 9 september 2011 heeft de rechtbank Den Haag, sector familie- en jeugdrecht, naar aanleiding van een verzoek van de vreemdeling om omgang met de kinderen, de Raad voor de Kinderbescherming verzocht te onderzoeken of er bezwaren zijn tegen een omgangsregeling en zo niet, welke omgangsregeling in het belang van de kinderen is. In deze beschikking is tevens vermeld dat [partner] alleen het gezag over de kinderen uitoefent. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft de vreemdeling verklaard dat zij gedurende haar verblijf in Oekraïne gehuwd is geweest met een Oekraïense man, dat zij aldaar bij haar moeder en deze man heeft verbleven, dat zij wel pogingen heeft ondernomen contact met haar kinderen op te nemen maar dit niet is gelukt, dat zij aldaar niet bijdroeg in de kosten van de opvoeding van de kinderen omdat zij geen financiële middelen had en dat zij in 2011 van de Oekraïense man is gescheiden.

3.4. Onbestreden is dat tussen de vreemdeling, haar huidige partner [persoon] en de kinderen familie- en gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

3.5. In het besluit van 2 april 2012, waarin het besluit van 16 november 2011 is herhaald en ingelast, heeft de staatssecretaris aan zijn standpunt dat de weigering om aan de vreemdeling nog langer verblijf in Nederland toe te staan niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, ten grondslag gelegd dat de vreemdeling in de vier jaren die zij in Oekraïne heeft verbleven, geen enkel contact met haar kinderen heeft gehad en dat niet is gebleken dat zij daartoe pogingen heeft ondernomen. Verder is betrokken dat de voormalige partner van de vreemdeling alleen het gezag uitoefent over de kinderen en dat het jongste kind er blijkens de beschikking van de kinderrechter nog niet van op de hoogte is dat de vreemdeling haar moeder is. Weliswaar is de vreemdeling bezig een omgangsregeling te treffen met de kinderen, maar zij heeft deze poging eerst ondernomen nadat zij ruim vier jaren geen enkele invulling aan het familie- en gezinsleven heeft gegeven. Aan het belang van de kinderen bij de aanwezigheid van de vreemdeling wordt in dit geval dan ook minder gewicht toegekend. Het beroep van de vreemdeling op het arrest van het EHRM in de zaak Ciliz tegen Nederland van 11 juli 2000, nr. 29192/95 (AB 2001,117) faalt, nu dit geen gelijk geval is. Ter zake van het familie- en gezinsleven met haar nieuwe partner heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen om dit in Oekraïne uit te oefenen.

3.6. Gelet op het hiervoor weergegeven besluit van 2 april 2012 heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het door de vreemdeling ingediende verzoek om omgang met haar kinderen uitdrukkelijk betrokken en meegewogen. Het geheel van de bij de besluitvorming betrokken feiten en omstandigheden, als hiervoor weergegeven, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de "fair balance", die moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering om aan de vreemdeling nog langer verblijf in Nederland toe te staan niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 2 april 2012 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft betoogd dat het besluit van 2 april 2012 in strijd is met de artikelen 3, eerste lid, en 5 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK). Voorts is dit besluit volgens haar ook in strijd met de artikelen 9, tweede lid, en 10, tweede lid, van het IVRK en zij verwijst in dit kader naar een Afdelingsuitspraak van 21 januari 2004 (JV 2004, 99).

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraken van 7 februari 2012 in zaak nr. 201103064/1/V2 en 23 augustus 2012 in zaak nr. 201100449/1/V1), heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt, dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst, of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

Het hiervoor onder 3.5 weergegeven besluit van 2 april 2012 geeft er geen blijk van dat de staatssecretaris zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen.

5.2. De artikelen 5, 9, tweede lid, en 10, tweede lid, van het IVRK, voor zover deze bepalingen, gelet op de formulering, al normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn, roepen geen aanspraak in het leven die verder strekt dan artikel 8 van het EVRM. Reeds hierom faalt het beroep op deze verdragsbepalingen.

5.3. Het betoog faalt.

6. De vreemdeling heeft betoogd dat het besluit van 2 april 2012 in strijd is met de artikelen 17, 23 en 24 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR).

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 maart 2008 in zaak nr. 200706542/1) roepen de artikelen 17 en 23 van het IVBPR geen aanspraak in het leven die verder strekt dan artikel 8 van het EVRM. Nu, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6 is overwogen, de weigering om aan de vreemdeling nog langer verblijf toe te staan niet in strijd is met die verdragsbepaling, faalt het beroep van de vreemdeling op de artikelen 17 en 23 van het IVBPR.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 november 2005 in zaak nr. 200505825/1; JV 2006/23) bevat artikel 24 van de IVBPR, gelet op haar formulering, behoudens het daarin neergelegde discriminatieverbod, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Nu door de vreemdeling niet is gesteld dat jegens haar sprake is van een onderscheid, als bedoeld in deze verdragsbepaling, bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit van 2 april 2012 in strijd met artikel 24 IVBPR is.

6.3. Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 2 oktober 2012 in zaak nr. 12/13276;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, ambtenaar van staat.

De voorzitter w.g. Den Dulk

is verhinderd ambtenaar van staat

de uitspraak

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

565.