Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201210108/3/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 15 mei 2013, in zaak nr. 201210108/2/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de door [opposant] en anderen aangevallen mondelinge uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 september 2012, in zaken nrs. 12/453 en 12/880, bevestigd. De uitspraak van de Afdeling en het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210108/3/A3.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van:

[opposant] en anderen, wonend te Bennekom, gemeente Ede,

opposanten,

tegen de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2013 in zaak nr. 201210108/2/A3.

Procesverloop

Bij uitspraak van 15 mei 2013, in zaak nr. 201210108/2/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de door [opposant] en anderen aangevallen mondelinge uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 september 2012, in zaken nrs. 12/453 en 12/880, bevestigd. De uitspraak van de Afdeling en het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraak van de Afdeling hebben [opposant] en anderen verzet gedaan.

De Afdeling heeft het verzet ter zitting behandeld op 22 oktober 2013, waar [opposant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2. In de uitspraak, waarvan verzet, heeft de Afdeling het hoger beroep van [opposant] en anderen ongegrond verklaard. De Afdeling heeft met de rechtbank geoordeeld dat [opposant] en anderen geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het bij besluit van 11 maart 2011 door de raad van bestuur van het Kadaster bekendgemaakte Besluit digitale vervanging archiefbestanden Kadaster (veldwerken, hulpkaarten en Lijsten 78a; hierna: het Vervangingsbesluit).

Daartoe heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat om als belanghebbende in deze zin te kunnen worden aangemerkt, een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dient te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat het belang van [opposant] en anderen niet rechtstreeks bij het Vervangingsbesluit is betrokken en zij heeft in dit verband terecht overwogen dat het enkele feit dat [opposant] en anderen stellen dat zij de originele archiefbescheiden zeer vaak raadplegen, ontoereikend is voor het oordeel dat zij zich voldoende onderscheiden van anderen die ook die bescheiden raadplegen. De rechtbank heeft daarom terecht het beroep van [opposant] en anderen gegrond verklaard en, zelf voorziend, het door hen tegen het Vervangingsbesluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, aldus de Afdeling in de uitspraak van 15 mei 2013.

3. [opposant] en anderen betogen terecht dat de Afdeling hiermee heeft miskend dat zij niet als belang als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het Vervangingsbesluit hebben aangevoerd, een persoonlijk belang op de grond dat zij deze originele bescheiden hebben geraadpleegd of dat in de toekomst wensen te doen. Gelet hierop heeft de Afdeling het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 september 2012 ten onrechte kennelijk ongegrond geacht.

4. Hoewel het verzet gegrond is, waaruit volgt dat de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2013 is vervallen, kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen op het hoger beroep van [opposant] en anderen. Daarbij is de vraag of de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbenden zijn bij het Vervangingsbesluit opnieuw in volle omvang aan de orde.

5. [opposant] en anderen betogen dat de rechtbank tot dat oordeel is gekomen onder verwijzing naar een belang, dat niet door hen is aangevoerd.

5.1. De rechtbank heeft het beroep van [opposant] en anderen

gevoegd met een andere beroepszaak behandeld. Haar oordeel dat [opposant] en anderen geen belanghebbenden bij het Vervangingsbesluit zijn, heeft de rechtbank ten onrechte alleen gebaseerd op een argument dat in de met het beroep van [opposant] en anderen gevoegde zaak is voorgedragen.

Dit betoog slaagt.

6. [opposant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank met voormeld oordeel heeft miskend dat zij opkomen voor het algemeen belang van de bescherming van cultuurhistorische waarden. Het door hen gemaakte bezwaar tegen het Vervangingsbesluit ziet op het kennelijk niet toepassen van de ter bescherming van die waarden opgestelde bepalingen van het Archiefbesluit 1995 en de Beleidsregel digitale vervanging van vernietigbare archiefbescheiden Ministerie van Defensie 2013, aldus [opposant] en anderen.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201109266/1/A3 en 3 oktober 2012 in zaak nr. 201111238/1/A3), blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:2 van de Awb dat met de woorden "wiens belang rechtstreeks is betrokken" in het eerste artikellid, een zekere begrenzing wordt beoogd. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit is, hoe sterk dat gevoel ook moge zijn, niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang. Maar ook een persoon die wellicht enig belang heeft, doch zich op dat punt niet onderscheidt van grote aantallen anderen, kan niet beschouwd worden als een persoon met een rechtstreeks betrokken belang.

Natuurlijke of rechtspersonen die willen opkomen voor een algemeen of collectief belang, zullen in het algemeen in die hoedanigheid niet behoren tot de in het eerste lid bedoelde personen. Dat is slechts anders, wanneer zij tegelijkertijd een belang hebben dat rechtstreeks bij een besluit is betrokken, aldus de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 32 e.v.).

Gelet hierop en op het hiervoor onder 6 vermelde, door [opposant] en anderen aangevoerde belang, heeft de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat [opposant] en anderen geen rechtstreeks bij het Vervangingsbesluit betrokken belang hebben.

Dat, zoals [opposant] en anderen betogen, in een geval als het onderhavige, waarin volgens hen een algemeen belang aan de orde is, geen natuurlijke persoon voldoet aan het vereiste van een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit, laat onverlet dat de wetgever deze begrenzing aan het belanghebbende-begrip uitdrukkelijk heeft beoogd.

Zoals voorts uit de memorie van toelichting blijkt, is in artikel 1:2, derde lid, van de Awb veiliggesteld dat in gevallen waarin ten gevolge van deze beperking in het eerste lid een willekeurige burger zich niet kan opwerpen als belanghebbende teneinde een algemeen of collectief belang te behartigen, rechtspersonen wel als belanghebbende kunnen optreden, mits een algemeen of collectief belang, dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich ook daadwerkelijk inzetten, rechtstreeks bij het besluit in kwestie is betrokken. [opposant] en anderen zijn echter geen belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

Dat, zoals [opposant] en anderen hebben aangevoerd, zij krachtens artikel 8:55, eerste lid, van de Awb als belanghebbenden verzet konden doen tegen de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2013, heeft als reden dat zij partij zijn in de procedure die tot die uitspraak heeft geleid. Dit laat onverlet dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het Vervangingsbesluit zijn en hun daartegen gemaakte bezwaar derhalve niet-ontvankelijk is.

Dit betoog faalt.

7. Het hoger beroep is gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

9. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb bepalen dat de secretaris van de Raad van State aan [opposant] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht terugbetaalt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het verzet gegrond;

II. verklaart het hoger beroep gegrond;

III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 september 2012 in zaken nrs. 12/453 en 12/880;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [opposant] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

317-598.