Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1982

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201302407/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2013, kenmerk Ruimte/980683, heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Dr. De Voslaan nabij nrs. 4, 6 en 8" niet vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/172 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302407/1/R2.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Soest,

en

de raad van de gemeente Soest,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2013, kenmerk Ruimte/980683, heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Dr. De Voslaan nabij nrs. 4, 6 en 8" niet vast te stellen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de omwonenden van het betreffende perceel Dr. De Voslaan nabij nrs. 4, 6 en 8 een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. G. Bosma, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.F. Supusepa, zijn verschenen.

Verder zijn ter zitting de omwonenden van het perceel, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Uit de stukken blijkt dat namens [appellant] bij het college van burgemeester en wethouders bij brief van 13 december 2007 een principeaanvraag is ingediend om het perceel, kadastraal bekend gemeente Soest, sectie […], nummers [...] en [...], te mogen bebouwen met twee halfvrijstaande woningen. Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 18 maart 2008 afgewezen. Naar aanleiding van een onderhoud tussen een vertegenwoordiger van [appellant] en de betrokken wethouder heeft het college vervolgens bij brief van 17 juni 2009 te kennen gegeven alsnog mee te willen werken aan de bouw van één woning op het perceel. Op verzoek van het college heeft [appellant] daarop een ontwerp voor een bestemmingsplan laten opstellen dat daarna ter inzage is gelegd. Op 23 juni 2011 heeft de raad beraadslaagd over de vaststelling van het bestemmingsplan, en heeft daarbij besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. Bij uitspraak van 1 augustus 2012, in zaak nr. 201108821/1/R3 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd, omdat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. Daarbij heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen zes maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen. Bij het bestreden besluit van 24 januari 2013 heeft de raad opnieuw besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen.

2. Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad beleidsvrijheid toe. De Afdeling toetst dit besluit terughoudend. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van de vaststelling van het plan en voorts of bij het nemen van dat besluit anderszins niet is gehandeld in strijd met het recht.

2.1. De raad heeft bij het bestreden besluit overwogen dat hij zich op een aantal punten niet kan conformeren met de weerlegging van de ingekomen zienswijzen door het college. Zo stelt de raad dat op het perceel een eekhoorn en eekhoornnest aanwezig zijn. Daarop is in het aan het ontwerpplan ten grondslag gelegde rapport "Toetsing aan de Flora- en faunawet", van bureau Schenkeveld, van 22 april 2010, volgens de raad echter niet of in onvoldoende mate ingegaan. Op basis van het plan zou het eekhoornnest in de op het perceel aanwezige taxus geruimd moeten worden, aldus de raad, en hiervoor geldt een ontheffingsplicht op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). Volgens de raad dient echter een groter belang te worden toegekend aan de aanwezigheid van het eekhoornnest dan aan het realiseren van het plan. Verder wijst de raad op de aanwezigheid van een kolonie huismussen nabij het plangebied en stelt dat ook hierop in voornoemd rapport onvoldoende is ingegaan en een ontheffing op grond van de Ffw zou moeten worden verleend.

Ook stelt de raad zich op het standpunt dat in het kader van de voorbereiding van het plan ten onrechte geen archeologisch onderzoek is uitgevoerd, terwijl de locatie van het plangebied een "middelhoge tot hoge verwachtingswaarde" kent. Nu geen onderzoek is uitgevoerd kon in de plantoelichting niet gesteld worden dat het daadwerkelijk te verstoren oppervlak ongeveer 100 m2 zou bedragen.

Verder stelt de raad zich op het standpunt dat er gelet op de locatie van de gewenste woningen in een open groengebied binnen de bebouwde kom geen medewerking zou moeten worden verleend aan het plan. Daarbij verwijst de raad naar de Structuurvisie 2009-2030, zoals vastgesteld door de raad op 1 september 2009, en wijst hij op het feit dat in de ambtelijke adviezen van 11 maart 2008 en 8 juni 2009 expliciet wordt gewezen op de aanwezige stedenbouwkundige structuur en de landschappelijke waarden rondom het perceel. Voorts stelt de raad dat, anders dan het college aangeeft in de nota van zienswijzen van 19 mei 2011, geen sprake is van voortschrijdend inzicht waardoor het college alsnog tot toewijzing van het verzoek heeft kunnen besluiten. De raad wijst er in dit verband op dat het college geen nadere motivering heeft gegeven en dat aan het voortschrijdend inzicht geen ruimtelijk relevante wijziging ten grondslag heeft gelegen.

2.2. [appellant] betoogt dat de raad hem en het college na de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2012 bij de totstandkoming van het bestreden besluit op geen enkele wijze heeft betrokken. Dit terwijl de raad is afgeweken van het standpunt van het college en [appellant] bij brief van 12 augustus 2012 aan de raad uitdrukkelijk om nader overleg over de vaststelling van het plan had gevraagd. Ook betoogt [appellant] dat de raad ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom geen duidelijkheid bestaat over de maatvoering van de beoogde bebouwing van het perceel.

Wat betreft de beschermde diersoorten betoogt [appellant] dat de raad een nadere onderbouwing van het standpunt van het college daarover had moeten vragen, dan wel [appellant] of de ingeschakelde deskundigen op dat punt helderheid had moeten laten verschaffen. Ook voert [appellant] aan dat de raad geen onafhankelijk deskundig tegenonderzoek heeft laten verrichten.

Met betrekking tot de archeologische sporen betoogt [appellant] dat het ook hier op de weg van de raad had gelegen het college nader te bevragen dan wel zelf nader onderzoek te laten verrichten.

Ten aanzien van het groengebied betoogt [appellant] dat de raad ten onrechte heeft verwezen naar achterhaalde ambtelijke adviezen en dat de raad niet heeft gemotiveerd op grond waarvan hij is afgeweken van het uitvoerige en goed onderbouwde standpunt van het college daarover. Ten aanzien van het voortschrijdend inzicht betoogt [appellant] dat de raad verzuimd heeft het college nader te bevragen.

2.3. Blijkens de stukken zijn in opdracht van het college een adviesnota en een tweetal memo’s opgesteld.

In de adviesnota van 11 maart 2008 staat dat het bouwen van één of twee woningen op het perceel vanwege de aanwezige stedenbouwkundige structuur en de landschappelijke waarden rondom het perceel niet wenselijk is.

In de memo van 6 april 2009 staat dat het verzoek is binnengekomen één vrijstaande woning met garage te bouwen. In de memo wordt het advies gegeven bij herontwikkeling van het perceel zowel de vijf elzen als de elzenhoutwal te handhaven. Ter bescherming van de vijf elzen en de elzenhoutwal mag onder de kroonprojectie niet gegraven worden of andere werkzaamheden worden uitgevoerd.

In de memo van 8 juni 2009 staat dat in het advies van 6 april 2009 de voor groen van belang zijnde minimale afstanden staan aangegeven. Ten aanzien van de stedenbouwkundige structuur staat in de nota dat met inachtneming van een vrije afstand tot de kroonprojecties en toegangsweg (naar de garages) een maximaal bouwvlak inpasbaar is van 8 meter breed en 12 meter diep.

Verder is in opdracht van de raad een memo van 21 juni 2011 opgesteld, betreffende onder andere de maatvoering van het perceel. In dit memo staat dat, om aan de door de gemeente gestelde afstanden met betrekking tot onder meer groen te kunnen voldoen, de breedte van de woonbestemming verkleind dient te worden met 50 centimeter. Daartoe is de verbeelding gewijzigd die als bijlage bij de memo is gevoegd. De herontwikkeling van het perceel heeft, mits wordt voldaan aan de gestelde randvoorwaarden, vanuit de diverse beleidsvelden geen onoverkomelijke bezwaren, aldus de memo.

2.4. De Afdeling heeft de raad bij uitspraak van 1 augustus 2012, in zaak nr. 201108821/1/R3, opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. In rechtsoverweging 2.4.1 overweegt de Afdeling als volgt:

"De Afdeling overweegt dat genoemde besluitenlijst van de vergadering van de raad van 23 juni 2011 geen motivering bevat waarom de raad heeft geweigerd het bestemmingsplan vast te stellen. Uit de brief van het college van 6 juli 2011, waarin de vertegenwoordiger van [appellant] op de hoogte wordt gesteld van het besluit van de raad, en uit het verweerschrift blijkt dat de raad hiertoe heeft besloten omdat er volgens hem geen maatschappelijk draagvlak is voor de bouw van een woning op de beoogde locatie. Naar het oordeel van de Afdeling betreft dit echter geen ruimtelijk relevant aspect. Voorts blijkt uit deze stukken dat de raad heeft geweigerd het plan vast te stellen, omdat volgens hem het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het college in tegenstelling tot zijn besluit van 18 maart 2008 thans wel bereid is medewerking te verlenen, en omdat volgens hem onduidelijkheid bestaat over de maatvoering van dit perceel. De Afdeling is van oordeel dat de raad hierin echter aanleiding had moeten vinden zich hierover nader te (laten) informeren en zich vervolgens hierover een inhoudelijk oordeel had moeten vormen alvorens een besluit te nemen over het al dan niet gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan."

2.5. De Afdeling stelt vast dat de raad zich niet nader heeft (laten) informeren over de maatvoering dan wel de reden waarom het college in tegenstelling tot zijn besluit van 18 maart 2008 bereid was medewerking te verlenen aan het plan. Hiermee heeft de raad niet aan de opdracht van de Afdeling, zoals die is neergelegd in voornoemde uitspraak van 1 augustus 2012, voldaan. Dit klemt temeer, nu wat betreft de maatvoering, uit de memo van 21 juni 2011 volgt dat met een aanpassing van het bouwvlak op de bij het ontwerpplan behorende verbeelding aan de vereiste afstanden zou kunnen worden voldaan.

2.6. Voor zover de raad heeft gewezen op de aanwezigheid van een eekhoorn en een eekhoornnest op het perceel, is niet gebleken dat de raad nader onderzoek heeft verricht naar de aanwezigheid van aanwezige beschermde soorten op het perceel. De enkele verwijzing van de raad naar de door omwonenden overgelegde foto’s acht de Afdeling hiertoe onvoldoende. Ook is niet gebleken dat de raad, met inachtneming van voornoemde uitspraak van 1 augustus 2012, aan het college nadere informatie heeft gevraagd omtrent de aanwezigheid van de fauna. Overigens behoeft de enkele aanwezigheid van een eekhoorn dan wel een eekhoornnest geen onoverkomelijke problemen voor de uitvoerbaarheid van het plan op te leveren. Daartoe is van belang dat thans niet zeker is dat met het plan de verbodsbepaling van artikel 11 van de Ffw wordt overtreden. De Afdeling overweegt verder dat, zo al een ontheffing van de Ffw nodig is in verband met aanwezige beschermde soorten, door de raad niet aannemelijk is gemaakt dat deze niet kan worden verleend en de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan. Verder is ten aanzien van de fauna door de raad gesteld dat buiten het plangebied, aan de Dr. Rupertlaan, een kleine kolonie huismussen nestelt, die jaarrond beschermd is. Anders dan de raad stelt, brengt dit enkele gegeven echter niet met zich dat voor de verwezenlijking van het plan om die reden ontheffing van de Ffw nodig zou zijn.

2.7. Ook omtrent de door de raad gestelde archeologische sporen is niet van nadere onderbouwing van de aanwezigheid van deze sporen dan wel overleg hierover met het college gebleken. Overigens kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 10 oktober 2012, in zaak nr. 201112940/1/R1, een uitzondering voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek worden gemaakt voor bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 100 m2. Dit is in overeenstemming met het Verdrag van Valletta waarin is bepaald dat de nieuwe eisen alleen hoeven te gelden voor "grote projecten". Het uitgangspunt is dan ook dat voor kleine bouwprojecten geen archeologisch onderzoek is vereist. Nu het bouwwerk blijkens de verbeelding behorend bij het ontwerpplan een maximale oppervlakte van ongeveer 96 m2 heeft, heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse ten onrechte geen nader archeologisch onderzoek is uitgevoerd.

2.8. Met betrekking tot het standpunt van de raad dat het perceel in een open groengebied zou liggen, stelt de Afdeling vast dat het perceel noch in de Structuurvisie 2009-2030 noch in het Groenstructuurplan ‘Staalkaart in het Groen’, dat de raad in april 2005 heeft vastgesteld, als groengebied is aangeduid. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nu de door [appellant] gewenste woonbestemming in een open groengebied binnen de bebouwde kom als bedoeld in de Structuurvisie zou komen te liggen, geen medewerking zou kunnen worden verleend aan het plan. Voor zover de raad in dit verband nog gewezen heeft op de ambtelijke adviezen van 11 maart 2008 en 8 juni 2009, overweegt de Afdeling dat de raad terecht stelt dat uit de memo van 11 maart 2008 volgt dat er op het perceel onvoldoende ruimte is om één dan wel twee woningen te bouwen. In de meer recente memo van 21 juni 2011 staat echter dat de bouw van één woning op het perceel vanuit de diverse beleidsvelden niet tot onoverkomelijke bezwaren leidt en dat aan de gestelde randvoorwaarden wat betreft de maatvoering kan worden voldaan. Voor zover de raad heeft gesteld dat aan het voortschrijdend inzicht van het college geen ruimtelijk relevante wijziging ten grondslag heeft gelegen, overweegt de Afdeling dat ook ten aanzien van dit aspect niet gebleken is van nader overleg met het college.

3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de raad, waarbij is geweigerd het bestemmingsplan vast te stellen, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

3.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb de raad opnieuw op te dragen om binnen zes maanden na en met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

4. De raad dient op hierna te melden wijzen tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Soest van 24 januari 2013, kenmerk Ruimte/980683, waarbij is geweigerd het bestemmingsplan "Dr. De Voslaan nabij nrs. 4, 6 en 8" vast te stellen;

III. draagt de raad van de gemeente Soest op om binnen zes maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Soest tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Soest aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

12-704.