Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201307223/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Loppersum" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307223/2/R4.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Middelstum, gemeente Loppersum, en anderen

2. [verzoeker sub 2], wonend te Loppersum,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Loppersum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Loppersum" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft verweerschriften ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 22 oktober 2013, waar [verzoeker sub 1] en anderen, bij monde van [verzoeker sub 1], [andere verzoekers], bijgestaan door mr. J. Veltman, advocaat te Amersfoort, en [verzoeker sub 2], vertegenwoordigd door mr. J. Zwiers, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. N. Efdée en mr. T. Swijghuizen-Blokzijl, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord [partijen], beiden vertegenwoordigd door ing. I.T.G.M. Martens, werkzaam bij LBP|Sight B.V.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in een actuele jurdisch-planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Loppersum en voorziet onder meer in een windturbine met een ashoogte van maximaal 40 m op het perceel Stitswerderweg 42 in Middelstum en een bouwvlak van ongeveer 30.000 m2 op het perceel Wirdumerweg 77a in Loppersum.

Het verzoek van [verzoeker sub 1] en anderen

3. Het verzoek van [verzoeker sub 1] en anderen is gericht tegen het plandeel met de functieaanduiding "windturbine" op het perceel Stitswerderweg 42 in Middelstum. Zij voeren aan dat de voor de windturbine verleende vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en de verleende bouwvergunning nog niet onherroepelijk zijn, nu de rechtbank nog geen uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen de vrijstelling en de bouwvergunning. [verzoeker sub 1] en anderen beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plandeel te voorkomen.

3.1. Bij besluit van 21 februari 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van de voorschriften van het toen geldende bestemmingsplan verleend voor het bouwen van een windturbine. Deze vrijstelling en bouwvergunning heeft de raad vertaald in het plan, terwijl de verleende vrijstelling en bouwvergunning nog niet in rechte onaantastbaar zijn, nu de rechtbank nog uitspraak moet doen op het beroep hiertegen van [verzoeker sub 1] en anderen. Teneinde te vermijden dat in de procedure over de vrijstelling en de bouwvergunning betekenis wordt toegekend aan de functieaanduiding "windturbine" in het onderhavige plan en dat uit de inwerkingtreding van dat planonderdeel zou worden afgeleid dat de mogelijkheid om ter plaatse een windturbine te bouwen als een gegeven zou moeten worden beschouwd, ziet de voorzitter aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Hetgeen [verzoeker sub 1] en anderen voor het overige hebben aangevoerd, behoeft hierom geen bespreking meer.

Het verzoek van [verzoeker sub 2]

4. Het verzoek van [verzoeker sub 2] is gericht tegen het bouwvlak dat bij de gewijzigde vaststelling van het plan is toegekend aan het perceel Wirdumerweg 77a. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch". [verzoeker sub 2] betoogt dat de raad de opname van het bouwvlak in het plan onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens [verzoeker sub 2] is het toegekende bouwvlak veel te groot, nu er alleen concrete bouwplannen zijn voor een dienstwoning. Hij vreest verder dat het opgenomen bouwvlak kan leiden tot de vestiging van een nieuw, groot agrarisch bedrijf op het perceel Wirdumerweg 77a, terwijl op dit moment alleen een schuur aanwezig is die niet voor agrarische doeleinden wordt gebruikt. Tot slot betoogt [verzoeker sub 2] dat het toegekende bouwvlak kan leiden tot aantasting van zijn vrije uitzicht.

4.1. De raad stelt dat aan het perceel in het vorige plan een agrarische bestemming met een bouwvlak van 10.000 m2 was toegekend, dat volledig mocht worden bebouwd. Het onderhavige plan kent voor het perceel Wirdumerweg 77a een bouwvlak van 30.000 m2 dat als zoekgebied fungeert, waarvan 15.000 m2 mag worden bebouwd. De raad stelt zich op het standpunt dat de vergroting van de bouwmogelijkheden met 5000 m2 nodig is, omdat een bouwmogelijkheid van 10.000 m2 voor veel agrarische bedrijven niet langer toereikend is, gelet op de ontwikkelingen in de agrarische sector. Verder zijn volgens de raad in de planregels nadere eisen gesteld om onder meer aantasting van het landschap te voorkomen.

4.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.26, van de planregels is een bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; het bouwvlak van het agrarische bedrijf omvat een zoekgebied van circa 30.000 m2, waarin aaneengesloten bebouwing kan worden opgericht op een bouwperceel van 10.000 m2, dan wel 15.000 m2, afhankelijk van de kwetsbaarheid van het landschap.

Ingevolge artikel 1, lid 1.24, van de planregels is een bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels worden alle gebouwen van een agrarisch bedrijf gebouwd binnen het bouwperceel, gelegen in het bouwvlak dat als zoekgebied fungeert.

Ingevolge het bepaalde onder b, bedraagt de grootte van het bouwperceel maximaal 15.000 m2, dan wel de bestaande grootte indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat:

- de bebouwing zoveel mogelijk wordt geclusterd

- uitbreiding van het bouwperceel tot boven de 10.000 m2 alleen mogelijk is indien wordt voldaan aan de onder 1 tot en met 9 opgesomde eisen.

4.3. De voorzitter overweegt dat, anders dan [verzoeker sub 2] heeft betoogd, nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf reeds mogelijk was onder het vorige plan en het plan in zoverre dus geen nieuwe gebruiksmogelijkheden biedt.

De voorzitter stelt vast dat het plan voorziet in een uitbreiding van de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vorige plan met 5000 m2. In hetgeen [verzoeker sub 2] heeft aangevoerd ziet de voorzitter op voorhand geen grond voor het oordeel dat de raad, door te verwijzen naar schaalvergroting van agrarische bedrijven, de uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden onvoldoende heeft gemotiveerd.

Ten aanzien van het betoog van [verzoeker sub 2] dat zijn vrije uitzicht zal worden aangetast door de nieuwe bebouwing, overweegt de voorzitter dat geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht van [verzoeker sub 2] niet onevenredig wordt beperkt, nu het bouwvlak grotendeels achter de bestaande schuur ligt.

4.4. In hetgeen [verzoeker sub 2] heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.

5. De raad dient ten aanzien van [verzoeker sub 1] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [verzoeker sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Loppersum van 27 mei 2013, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Loppersum", voor zover het betreft de functieaanduiding "windturbine" op het perceel Stitswerderweg 42 te Middelstum;

II. wijst het verzoek van [verzoeker sub 2] af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Loppersum tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 998,08 (zegge: negenhonderdachtennegentig euro en acht cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Loppersum aan [verzoeker sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

472-767.