Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201308760/2/R6 en 201308762/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad de bestemmingsplannen "De Branding Cadzand-Bad" en "Strandhotel Cadzand-Bad" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308760/2/R6 en 201308762/2/R6.

Datum uitspraak: 7 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van Eigenaars Boulevard de Wielingen, gevestigd te Cadzand, gemeente Sluis, en anderen,

verzoekers,

en

1. de raad van de gemeente Sluis,

2. het college van burgemeester en wethouders van Sluis,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad de bestemmingsplannen "De Branding Cadzand-Bad" en "Strandhotel Cadzand-Bad" vastgesteld.

Bij besluiten van 6 augustus 2013 heeft het college een omgevingsvergunning voor het renoveren en het uitbreiden van het Strandhotel en een omgevingsvergunning voor het oprichten van een appartementencomplex met 54 appartementen met bijhorende commerciële ruimten en ondergrondse parkeergarage verleend.

Tegen deze besluiten hebben de VVE en anderen beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben de VVE en anderen de voorzitter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Compagnie Het Zoute Nederland B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 29 oktober 2013, waar de VVE en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en door [gemachtigde], en de raad en het college, vertegenwoordigd door S.M. den Haan en ing. S. Theunissen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de Compagnie Het Zoute Nederland B.V., vertegenwoordigd door mr. F.A. Pommer, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en door [ directeur], en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Holding Strandhotel B.V., vertegenwoordigd door H. Gorthmanns, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voorzien in de mogelijkheid om het Strandhotel te renoveren en te vergroten met appartementen, commerciële ruimten en een ondergrondse parkeergarage en om ter plaatse van het huidige restaurant De Branding een nieuw appartementencomplex met commerciële ruimten en een ondergrondse parkeergarage te bouwen.

3. De VVE en anderen betogen onder meer dat in het kader van de bestemmingsplannen ten onrechte geen passende beoordeling en een milieueffectrapport zijn gemaakt. De toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de bestemmingsplannen leidt volgens hen tot een toename van de stikstofbelasting voor onder meer de Natura 2000-gebieden "Westerschelde & Saeftinghe" en "Zwin & Kievittepolder". Zij betogen dat uit de uitgevoerde natuurtoets niet kan worden afgeleid dat geen significante effecten kunnen optreden voor deze Natura 2000-gebieden omdat in de natuurtoets rekening is gehouden met de autonome ontwikkeling en daarmee ten onrechte is uitgegaan van het principe ‘verminderde afname’.

4. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Natuurbeschermingswet 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

5. In het kader van de bestemmingsplannen heeft Arcadis een natuurtoets uitgevoerd waarin is gekeken welke toenames van stikstofdeposities zijn voorzien in de omliggende Natura 2000-gebieden en of het op basis daarvan nodig is om een passende beoordeling op te stellen. Eén van de uitgangspunten van de natuurtoets is dat is gekeken naar de stikstofdepositie ten gevolge van de bestemmingsplannen ten opzichte van de autonome ontwikkeling en niet ten opzichte van de huidige situatie.

De voorzitter acht aan twijfel onderhevig of met de autonome ontwikkeling reeds in de voortoets rekening mag worden gehouden. Gelet hierop en op de omstandigheid dat ten gevolge van de bestemmingsplannen de stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige habitats in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, die thans in elk geval voor wat betreft de habitat ‘grijze duinen, kalkarm (H2130)’ ook zonder de zogeheten duinenbijtelling, reeds overbelast is, zal toenemen, bestaat onvoldoende duidelijkheid over de vraag of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de voortoets van Arcadis volgt dat het opstellen van een passende beoordeling niet nodig is. Gelet daarop bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzitter twijfel of de Afdeling de bestemmingsplannen in de bodemprocedure in stand zal laten.

6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter, ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen en gelet op de betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorzieningen te treffen.

7. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening:

a. het besluit van de raad van de gemeente Sluis van 20 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Strandhotel Cadzand-Bad";

b. het besluit van de raad van de gemeente Sluis van 20 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Branding Cadzand-Bad";

c. het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sluis van 6 augustus 2013 tot verlening van een omgevingsvergunning voor renoveren en uitbreiden van het Strandhotel; en

d. het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sluis van 6 augustus 2013 tot verlening van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een appartementencomplex met 54 appartementen met bijhorende commerciële ruimten en ondergrondse parkeergarage ter plaatse van het restaurant De Branding;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Sluis tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging van Eigenaars Boulevard de Wielingen en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat de raad van de gemeente Sluis aan de vereniging Vereniging van Eigenaars Boulevard de Wielingen en anderen het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 636,00 (zegge: zeshonderdzesendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2013

533.