Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201307939/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noord-Oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307939/2/R2.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Beemte Broekland, gemeente Apeldoorn,

2. [verzoeker sub 2], wonend te Beemte Broekland, gemeente Apeldoorn,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noord-Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 29 oktober 2013, waar [verzoeker sub 1], in persoon en bijgestaan door [persoon], en [verzoeker sub 2], in persoon en bijgestaan door T.H.J. Evers, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Kelderhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is I.L.H. Wassenaar, vertegenwoordigd door K.A.P.J.E. van Weren, daar gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

2. [verzoeker sub 1] verzoekt schorsing van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zijn perceel [locatie 1] te Beemte Broekland. Hij vindt het bezwaarlijk dat in de planregels is bepaald dat de inhoud van een woning maximaal 700 m3 mag bedragen. Het door hem ontwikkelde bouwplan voor een nieuwe woning op dit perceel voorziet in een woning met een grotere inhoud.

2.1. In het ontwerpplan was voor het perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen" en de aanduiding ‘karakteristiek’ opgenomen. In de zienswijze heeft [verzoeker sub 1] zich uitsluitend gericht tegen de aanduiding ‘karakteristiek’.

De voorzitter overweegt dat het beroep van [verzoeker sub 1] dat is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen", niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Aangezien die omstandigheden zich niet voordoen bestaat de verwachting dat de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

2.2. Gelet daarop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [verzoeker sub 1] bestaat geen aanleiding.

Het verzoek van [verzoeker sub 2]

3. [verzoeker sub 2] verzoekt schorsing van het plandeel met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" grenzend aan zijn perceel [locatie 2] te Beemte Broekland. [verzoeker sub 2] beoogt met zijn verzoek te voorkomen dat na de inwerkingtreding van het plan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangevraagd en verleend ter legalisering van de aanwezige recreatieve bebouwing op het perceel. Ter onderbouwing van zijn verzoek voert [verzoeker sub 2] aan dat de raad bij de vaststelling van het plan er ten onrechte vanuit is gegaan dat de recreatieve bebouwing onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan viel. Volgens [verzoeker sub 2] is voor de aanwezige recreatieve bebouwing nimmer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend, zodat handhavend optreden mogelijk is.

Voorts wijst hij erop dat het toekennen van de bestemming in strijd is met artikel 5 van de Ruimtelijke Verordening Ruimte van de provincie Gelderland, nu het plan is vastgesteld zonder de daarvoor benodigde ontheffing van het college van gedeputeerde staten.

Ten slotte wijst verzoeker erop dat bij de toekenning van de bestemming voor de recreatiewoning geen rekening is gehouden met zijn bedrijfsbelangen.

4. De raad heeft bij de vaststelling van het plan naar aanleiding van een zienswijze van Wassenaar, de eigenaar van het perceel grenzend aan [locatie 2], de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" opgenomen. De raad stelt dat de bestaande bebouwing, een bewoonbare blokhut en enkele bijgebouwen, onder het vorige plan onder het overgangsrecht is gebracht, zodat dit niet opnieuw kan, tenzij handhavend wordt opgetreden. Aangezien handhaving niet aan de orde is, is de recreatieve bebouwing als zodanig bestemd, aldus de raad.

Ter zitting heeft de raad gesteld dat het als zodanig bestemmen van de recreatieve bebouwing niet in strijd is met de Ruimtelijke Verordening Ruimte. De raad stelt zich op het standpunt dat de situatie, nu deze onder het overgangsrecht van het voorgaande plan valt, kan worden aangemerkt als een bestaand recht als bedoeld in artikel 27, tweede lid, aanhef en onder c, van de Ruimtelijke Verordening Ruimte.

5. Ingevolge artikel 5 van de Ruimtelijke Verordening Ruimte van de provincie Gelderland worden in een bestemmingsplan recreatiewoningen slechts toegestaan op locaties waar ook reguliere woningen kunnen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, is het bepaalde in deze verordening niet van toepassing op ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds bestaande rechten.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, aanhef en onder c, zijn als bestaande rechten aan te merken rechten op grond van:

c. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, inclusief de daarin opgenomen vrijstellings-, wijzigings- en uitwerkingsmogelijkheden, voor zover dat plan door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd.

6. Ter zitting is door de raad bevestigd dat de recreatieve bebouwing op het perceel grenzend aan [locatie 2] is opgericht zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Anders dan waarvan de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan vallen deze bouwwerken niet onder het bouwovergangsrecht van het vorige plan. Het bouwovergangsrecht legaliseert immers niet het zonder vergunning oprichten van een bouwwerk. De voorzitter volgt [verzoeker sub 2] dan ook in zijn betoog dat handhavend optreden wegens het bouwen zonder vergunning mogelijk was en dat daarmee ook het recreatieve gebruik van de bebouwing zou zijn beëindigd. Het voorgaande betekent voorts dat het besluit tot toekenning van het bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" niet berust op een juiste vaststelling van de feiten.

De voorzitter overweegt verder dat het besluit geen blijk geeft van een afweging van de belangen van de eigenaar van de recreatieve bebouwing bij het als zodanig bestemmen van de recreatieve bebouwing tegen de belangen van [verzoeker sub 2] bij de exploitatie en mogelijke uitbreiding van zijn agrarisch bedrijf.

Ten slotte is de voorzitter van oordeel dat artikel 27, tweede lid, aanhef en onder c, van de Ruimtelijke Verordening Ruimte geen aanknopingspunt biedt voor het standpunt van de raad dat het als zodanig bestemmen van bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht als een bestaand recht als bedoeld in de verordening kan worden aangemerkt, waarop het bepaalde in artikel 5 van de verordening niet van toepassing is. De voorzitter is dan ook van oordeel dat [verzoeker sub 2] er terecht op wijst dat, nu het college van gedeputeerde staten geen ontheffing heeft verleend van artikel 5 van de verordening, het plan in strijd daarmee is vastgesteld.

7. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

8. De raad dient ten aanzien van [verzoeker sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Apeldoorn van 11 juli 2013, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Noord-Oost", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" voor het perceel grenzend aan [locatie 2] te Beemte Broekland;

II. wijst het verzoek van [verzoeker sub 1] af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Apeldoorn tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,08, (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en acht cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Apeldoorn aan [verzoeker sub 2] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

388.