Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201302113/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:1117, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2012 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het naturalisatieverzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302113/1/V6.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 januari 2013 in zaak nr. 12/2657 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2012 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het naturalisatieverzoek), afgewezen.

Bij besluit van 29 juni 2012 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

In de Handleiding is vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

3. Niet in geschil is dat [appellant] bij zijn naturalisatieverzoek geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands paspoort heeft overgelegd. De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek afgewezen omdat de identiteit en nationaliteit van [appellant] niet zijn komen vast te staan en heeft zich op het standpunt gesteld dat zich geen bewijsnood voordoet.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet al het mogelijke heeft gedaan om in bezit te komen van een geboorteakte en zich geen bewijsnood voordoet. Hij voert daartoe aan dat hij verscheidene brieven heeft gestuurd aan de autoriteiten in zijn geboorteplaats in Mauritanië, aan de Direction Générale de la Sûreté Nationale van het Ministerie van Binnenlandse Zaken te [plaats], Mauritanië, en aan de Mauritaanse ambassade te Brussel (hierna: de ambassade), waar hij zich ook in persoon heeft vervoegd op 27 maart 2012. Nu hij in deze brieven en bij het bezoek aan de ambassade heeft verzocht om hem een identiteitskaart, een geboorteakte en een paspoort te verstrekken, dient de verklaring van de ambassade van 28 maart 2012 zo gelezen te worden dat hij ook een geboorteakte in persoon in Mauritanië moet aanvragen, aldus [appellant]. Tevens stelt [appellant] dat hij al het mogelijke heeft gedaan om een geboorteakte te verkrijgen, nu hij dat document niet via derden kan verkrijgen en hij een vreemdelingenpaspoort bezit waarmee hij geen toegang heeft in Mauritanië. Hij wijst erop dat hem geen laissez passer wordt verstrekt.

4.1. In de verklaring van de ambassade van 28 maart 2012 is vermeld dat slechts voormeld Direction Générale de la Sûreté Nationale bevoegd is om een Mauritaans paspoort en een identiteitskaart te verstrekken en dat een aanvraag om afgifte van die documenten in persoon bij die instantie in Mauritanië moet worden ingediend. De ambassade heeft in voormelde verklaring niets verklaard over de verkrijging van een Mauritaanse geboorteakte. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit die verklaring niet volgt dat [appellant] naar Mauritanië dient te reizen om een geboorteakte te verkrijgen. Dat [appellant] in zijn brieven telkens ook om een geboorteakte heeft gevraagd, doet er niet aan af dat hij niet heeft aangetoond niet bij de ambassade en evenmin via in Mauritanië verblijvende derden een geboorteakte te kunnen verkrijgen. De omstandigheid dat [appellant] geen antwoord heeft ontvangen op zijn verzoeken om een geboorteakte aan de Mauritaanse autoriteiten, is onvoldoende om bewijsnood aan te nemen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de stelling dat [appellant] niemand kent in Mauritanië niet tot een ander oordeel leidt, nu hij via een professionele derde kan proberen het document in Mauritanië te verkrijgen. De stelling dat hij geen reisdocument kan verkrijgen om Mauritanië in te reizen, leidt reeds daarom evenmin tot het beoogde doel.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij geen laissez passer kan verkrijgen om Mauritanië in te reizen en daarom niet heeft aangetoond in bewijsnood te verkeren voor het overleggen van een geldig buitenlands paspoort. Hij voert daartoe aan dat hij in de brieven waarin hij de ambassade heeft verzocht om afgifte van een laissez passer, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wèl gegevens van zijn ouders heeft vermeld. Tevens betoogt hij dat hij geen geboorteakte bij zijn verzoeken om afgifte van een laissez passer heeft kunnen overleggen, nu hij een aanvraag om afgifte van een geboorteakte ook in persoon in Mauritanië moet indienen.

5.1. Bij brieven van 28 augustus 2012, 11 september 2012 en 20 november 2012 heeft [appellant], dan wel zijn gemachtigde, de ambassade verzocht om [appellant] een laissez passer te verstrekken waarmee hij Mauritanië in kan reizen. Uit de omstandigheid dat hij geen antwoord daarop heeft ontvangen, blijkt niet dat hij geen laissez passer kan verkrijgen, te minder nu, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, [appellant] in deze brieven slechts zijn naam, geboortedatum en geboorteplaats heeft vermeld zonder aanvullende informatie en bewijsstukken mee te sturen. Het betoog van [appellant] dat hij geen geboorteakte bij deze verzoeken om afgifte van een laissez passer heeft kunnen voegen, faalt gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen. De stelling dat hij geen laissez passer kan verkrijgen, heeft hij derhalve niet met bewijsstukken gestaafd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet heeft aangetoond in bewijsnood te verkeren voor het overleggen van een voor naturalisatie benodigd geldig buitenlands paspoort.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

164-692.