Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201202429/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:216, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 11 januari 2011 heeft de staatssecretaris gereageerd op het verzoek van [appellant] om handhaving van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2014/8 met annotatie van F. Onrust en A. Drahmann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202429/1/A3.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2012 in zaak nr. 11/2415 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans de staatssecretaris van Economische Zaken).

Procesverloop

Op 11 januari 2011 heeft de staatssecretaris gereageerd op het verzoek van [appellant] om handhaving van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw).

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep wat betreft de vliegroute van de vleermuizen en het niet verlenen van een ontheffing voor de kamsalamander gegrond verklaard, het besluit van 17 mei 2011 in zoverre vernietigd en het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaard en het beroep wat betreft het niet vooraf ophangen van vleermuiskasten ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2013, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tieleman, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 24 april 2013, nr. 201202429/1/T1/A3, heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen het bij die tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het besluit op bezwaar van 17 mei 2011, voor zover het betreft het niet plaatsen van vleermuiskasten, binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak te herstellen.

Bij uitspraak van 7 juni 2013 heeft de Afdeling deze termijn op verzoek van de staatssecretaris met vier weken verlengd tot uiterlijk 4 juli 2013.

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de staatssecretaris ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist en dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 7 juli 2013 heeft [appellant] een zienswijze ingediend over het besluit van 27 juni 2013 en bij brief van 24 augustus 2013 heeft [appellant] gereageerd op de aan hem toegezonden notitie "Vleermuiskasten RIN-locatie Schaarsbergen" van Bureau Waardenburg b.v. van 26 mei 2011 (hierna: notitie 1).

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

Het hoger beroep

2. Gelet op hetgeen in de overwegingen 6 en 7 van de tussenuitspraak van 24 april 2013 is overwogen, is het hoger beroep voor zover het de vliegroutes van de vleermuizen en de kamsalamander betreft niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij het hoger beroep. Voor zover het het niet plaatsen van de vleermuiskasten betreft, is het gegrond.

het besluit van 17 mei 2011

3. Gelet op hetgeen onder overweging 6 van de tussenuitspraak van 24 april 2013 is overwogen, is het besluit op bezwaar van 17 mei 2011 wat betreft het niet ophangen van de vleermuiskasten in strijd met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Bij het opnieuw beslissen op het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving van de Ffw voor zover dit het niet plaatsen van vleermuiskasten betreft, diende de staatssecretaris te betrekken dat na het aanbrengen van de gaten in de muur het gebouw niet is gesloopt en geen nieuwbouw heeft plaatsgevonden, zodat niet is voldaan aan de in de verleende ontheffing gestelde voorwaarden.

Het besluit van 27 juni 2013

4. Bij het besluit van 27 juni 2013 heeft de staatssecretaris het besluit van 11 januari 2011 gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft zich onder verwijzing naar notitie 1 op het standpunt gesteld dat de tochtgaten niet hebben geleid tot direct negatieve effecten op de ecologische functie van de vaste rust- en verblijfplaats van de vleermuis, omdat de vleermuizen nog steeds verblijven in het gebouw en dat niet is gebleken dat de omvang van de populatie is verminderd. Artikel 11 van de Ffw is derhalve niet overtreden en de noodzaak voor het ophangen van vleermuiskasten ontbreekt, aldus de staatssecretaris.

4.1. [appellant] heeft hiertegen ingebracht dat de conclusie dat de populatie niet zou zijn verminderd als gevolg van het aanbrengen van de gaten in de gevel niet kan worden afgeleid uit notitie 1 en ook verder elke grond mist.

4.2. Dit betoog slaagt niet.

In de notitie "Vleermuiskasten RIN-locatie Schaarsbergen" van Bureau Waardenburg b.v. van 18 oktober 2006 staat dat een beperkt aantal gewone dwergvleermuizen gebruik maakt van het te slopen gebouw. In notitie 1 staat dat op 12 mei 2011 het terrein, waarop het gebouw staat, grondig is onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen. Op grond hiervan zijn de onderzoekers tot de conclusie gekomen dat het maken van gaten in september 2009 niet heeft gefunctioneerd als middel om de vleermuizen te verjagen en dat er geen noodzaak is voor het ophangen van vleermuiskasten. In het door [appellant] gestelde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het standpunt van de staatssecretaris, dat de populatie ongeveer gelijk is gebleven, onjuist is. Hiervan uitgaande heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het maken van de tochtgaten ineffectief is gebleken. Hoewel mogelijk tijdens het maken van de gaten de vaste rust- en verblijfplaats tijdelijk verstoord is geweest, is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris, nu het maken van de tochtgaten niet heeft geleid tot het verjagen van de vleermuizen en dus niet een blijvend negatief effect heeft gehad, terecht heeft gesteld dat artikel 11 van de Ffw niet is overtreden.

4.3. Het beroep tegen het besluit van 27 juni 2013 is ongegrond.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het de vliegroutes van de vleermuizen en de kamsalamander betreft;

II. verklaart het hoger beroep gegrond, voor zover het het niet plaatsen van de vleermuiskasten betreft;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2012 in zaak nr. 11/2415, in zoverre;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

V. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 17 mei 2011, kenmerk 469-2424 DRR&R/2011/3002, in zoverre;

VI. verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juni 2013 ongegrond;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 44,59 (zegge: vierenveertig euro en negenenvijftig cent);

VIII. gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

290.