Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201207489/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BW8497, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 is namens de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 49
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:5
Wet ruimtelijke ordening
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2013/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207489/1/A3.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 juni 2012 in zaak nr. 11/3550 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 is namens de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij brief van 28 juni 2011 is namens de minister het verzoek om betaling van een dwangsom afgewezen.

Bij besluit van 19 september 2011 is het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2013, waar [appellant], en de minister, vertegenwoordigd door mrs. H.P. van der Woerd-Schenkel en M. van der Vegt, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak heeft de Afdeling de minister opgedragen om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 19 september 2011 te herstellen door een nieuw besluit te nemen, dat op de voorgeschreven wijze bekend te maken en de Afdeling de uitkomst mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 25 juli 2013 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het besluit van 19 september 2011 ingetrokken en het door [appellant] tegen de brief van 28 juni 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 5 augustus 2013 is [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het besluit van de staatssecretaris van 25 juli 2013 naar voren te brengen.

[appellant] heeft zijn zienswijze naar voren gebracht.

De staatssecretaris heeft bij brief van 6 september 2013 op die zienswijze gereageerd.

[appellant] heeft daarop bij brief van 8 oktober 2013 gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak is overwogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onder meer het besluit van 19 september 2011 onbevoegd is genomen. Voorts is daarin overwogen dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het verzoek van [appellant], als vervat in de brief van 8 januari 2011, terecht niet is opgevat als een verzoek als bedoeld in artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

2. De staatssecretaris heeft aan zijn besluit van 25 juli 2013 ten grondslag gelegd dat [appellant] eerst bij brief van 11 april 2011 een verzoek om openbaarmaking als bedoeld in artikel 3 van de Wob heeft gedaan. [appellant] heeft de minister evenwel op dezelfde dag en daarom prematuur in gebreke gesteld, zodat hij geen dwangsom heeft verbeurd. Daarom is de brief van 28 juni 2011, waarin namens de minister het verzoek om betaling van een dwangsom is afgewezen, geen besluit. Het bezwaar van [appellant] is daarom ongegrond. Voorts heeft de staatssecretaris, om gevolg te geven aan de tussenuitspraak, het besluit van 19 september 2011 ingetrokken.

3. Voor zover [appellant] zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

4. [appellant] betoogt dat de staatssecretaris zijn bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren in plaats van ongegrond, nu die zich op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 28 juni 2011 geen besluit is. Het besluit van 25 juli 2013 is daarom onbegrijpelijk.

4.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011 in de zaken nrs. 201010780/1/M2 en 201010782/1/M2 volgt dat indien het bestuursorgaan prematuur in gebreke is gesteld en het vervolgens de verschuldigdheid van een dwangsom afwijst, die afwijzing een besluit is. Gelet hierop is de brief van 28 juni 2011 een besluit.

De staatssecretaris heeft zijn besluit onvoldoende gemotiveerd. Dat komt daarom voor vernietiging in aanmerking. [appellant] heeft de minister evenwel prematuur in gebreke gesteld. Daarom heeft de minister geen dwangsom verbeurd. De staatssecretaris heeft het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 28 juni 2011 gelet daarop terecht ongegrond verklaard. De rechtsgevolgen van het besluit van de staatssecretaris zullen om die reden in stand worden gelaten.

Het betoog slaagt.

5. Het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van 25 juli 2013 is gegrond. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 28 juni 2011 ongegrond is verklaard. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, voor zover dat wordt vernietigd.

Gelet op het oordeel dat is gegeven in de tussenuitspraak, is het hoger beroep van [appellant] gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 september 2011 gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 10:5 van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om betaling van een dwangsom ongegrond is verklaard.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 juni 2012 in zaak nr. 11/3550;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het namens de minister van Veiligheid en Justitie van genomen besluit van 19 september 2011, kenmerk PaG/BJZ/36834, voor zover daarbij het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om betaling van een dwangsom ongegrond is verklaard;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 juli 2013, kenmerk 410453, gegrond;

VI. vernietigt dat besluit, voor zover daarbij het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om betaling van een dwangsom ongegrond is verklaard;

VII. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, voor zover dat is vernietigd;

VIII. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Reuveny

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

622.