Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201309150/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2013 heeft de staatssecretaris op grond van artikel 12, eerste lid, van de Verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190) en de systematiek van die Verordening bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de naamloze vennootschap Marpobel N.V. om op basis van de kennisgeving met kenmerk BE001003707 afvalstoffen over te brengen van België naar Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309150/1/A4.

Datum uitspraak: 4 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V., handelend onder de naam North Refinery, gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,

verzoekster,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2013 heeft de staatssecretaris op grond van artikel 12, eerste lid, van de Verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190) en de systematiek van die Verordening bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de naamloze vennootschap Marpobel N.V. om op basis van de kennisgeving met kenmerk BE001003707 afvalstoffen over te brengen van België naar Nederland.

Tegen dit besluit heeft North Refinery bezwaar gemaakt.

North Refinery heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

North Refinery en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 oktober 2013, waar North Refinery, vertegenwoordigd door haar bestuurders H.J. Bos en ir. H.P. IJntema, bijgestaan door K. Siebert, ing. R.A.J.M. Tankink, adviseur, en mr. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, mr. J.J. Teeninga, L.J.F.A. Stoffers, ing. A. Brouwer en A.M. Witte, bijgestaan door G.G.C. Verstappen en F.J.M. Bakker, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De kennisgeving heeft betrekking op het overbrengen van afvalstoffen naar North Refinery afkomstig van de machinekamers van schepen en tankreiniging. Deze afvalstoffen kunnen scheepsbrandstof en machinekamerolie bevatten. De afvalstoffen bestaan uit een mengsel van voornamelijk zware stookolie, enkele procenten gewone stookolie, gewone diesel en andere niet halogeenhoudende aardoliederivaten die als maritieme brandstof worden gebruikt. De kennisgever slaat de afvalstoffen gescheiden op. De afvalstoffen worden, voordat ze worden overgebracht, bij de kennisgever middels gravitatie en centrifugeren ontwaterd en ontdaan van sediment. De resterende afvalstof wordt overgebracht naar North Refinery. Bij North Refinery worden de afvalstoffen na acceptatie gemengd met andere afvalstoffen voordat ze worden verwerkt. De afvalstoffen worden zo nodig gefilterd en/of ontwaterd door hulpstoffen toe te voegen. De oliestroom wordt vervolgens via een destillatieve behandeling opgewerkt tot fluxolie, dat als reductiemiddel in de staalindustrie wordt ingezet. Bij de destillatie ontstaat ook een fractie light ends die als afvalstof zal worden afgezet bij derden. Het bij destillatie afgescheiden water wordt na reiniging geloosd en het sediment wordt verbrand.

3. In de considerans van het besluit van 18 september 2013 is overwogen dat bezwaar is gemaakt tegen de overbrenging van de afvalstoffen, omdat op het kennisgevingsformulier de verwerking ten onrechte is ingedeeld als een definitieve handeling van nuttige toepassing als bedoeld onder R9 in bijlage II van Richtlijn 2008/98/EG. Aan deze overweging is ten grondslag gelegd dat de fluxolie is te kwalificeren als een afvalstof.

4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de overbrenging van afvalstoffen vanaf Marpobel naar North Refinery reeds jaren plaatsvindt en daarvoor altijd toestemming is verleend. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat de ingangsstromen bij North Refinery de laatste jaren zodanig zijn gewijzigd dat de fluxolie niet langer als niet-afvalstof is aan te merken en de verwerking van de over te brengen stoffen bij North Refinery daarom is in te delen als een voorlopige handeling van nuttige toepassing als bedoeld onder R12 in bijlage II van Richtlijn 2008/98/EG.

Ter onderbouwing van het standpunt dat de fluxolie de afvalstatus niet heeft verloren, is in het besluit van 18 september 2013 uiteengezet dat bij North Refinery een vermenging van afvaloliën van diverse aard en oplosmiddelen plaatsvindt voorafgaand aan de bewerking. De fluxolie wordt op een eenvoudige wijze gedestilleerd zonder dat de additieven en andere vervuilende stoffen worden verwijderd. Deze stof wordt vervolgens toegepast in een hoogoven, waar fluxolie wordt ingezet als reductiemiddel bij de productie van staal. Het besluit van 18 september 2013 vermeldt verder dat uit de BREF ijzer en staal volgt dat in de staalindustrie als vervanger van cokes ook afvalstoffen kunnen worden ingezet. Daaruit blijkt dat de inzet van fluxolie als vervanger van cokes niet automatisch leidt tot een productstatus van fluxolie. De nuttige inzet van de fluxolie als zodanig is dan ook onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de fluxolie haar afvalstatus heeft verloren, aldus het besluit van 18 september 2013. Verder is vermeld dat, nu de samenstelling van de fluxolie bij niemand bekend is, maar wel duidelijk is dat het gevaarlijke eigenschappen heeft, het noodzakelijk is dat het vervoer ervan onder toezicht staat.

De staatssecretaris heeft ter onderbouwing van zijn standpunt voorts een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 oktober 2013 overgelegd. Volgens hem blijkt daaruit dat de VD1-installatie van North Refinery niet in staat is additieven, zware metalen en andere verontreinigingen uit de mengstroom te verwijderen. Slechts het water en sediment kunnen worden onttrokken. De gevaarlijke eigenschappen van het mengsel, dat de VD1-installatie heeft doorlopen zijn volgens hem nagenoeg ongewijzigd. Ook stelt de staatssecretaris dat een wettelijke definitie van olie ontbreekt en dat olie uit een zeer brede range van stoffen kan bestaan. Een mengsel van deze oliën zal regelmatig dusdanig gevaarlijke eigenschappen hebben dat met het oog op het voorzorgsbeginsel ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid de verwerking van dit soort mengsels tot en met de definitieve verwerking moet worden gevolgd, aldus de staatssecretaris.

5. North Refinery stelt dat de ingrediënten voor de fluxolie ongewijzigd zijn en dat slechts de receptuur van de ingaande voedingsstromen is veranderd sinds de regenereerbare afgewerkte olie categorie 1 en 2 wordt bewerkt in de nieuw opgerichte VD2-installatie. Daardoor zijn de kenmerken en eigenschappen van de fluxolie juist gehomogeniseerd en verbeterd, aldus North Refinery. Voorts stelt zij dat de door haar te bewerken afvalolie geschikt wordt gemaakt als vervangende grondstof ten behoeve van de productie van staal, dat het op de reguliere markt tegen een commerciële prijs wordt verkocht en het dan ook niet gaat om een materiaal waarvan zij zich ontdoet, wil ontdoen of moet ontdoen. Derhalve is de fluxolie een product en is de be- en verwerking een afronding van nuttige toepassing, aldus North Refinery. Ook betoogt zij dat geen bezwaar mag worden gemaakt tegen de overbrenging van afvalstoffen in verband met de kwalificatie van het resultaat van de be- en verwerking. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar de uitspraak van de voorzitter van 14 januari 2013 in zaak nr. 201211584/1/A4 en van de voorzitter van 12 maart 2013 in zaak nr. 201301476/1/A4.

6. Partijen zijn derhalve verdeeld over de vraag of de fluxolie die ontstaat na be- en verwerking van de naar North Refinery over te brengen afvalstoffen is te kwalificeren als een afvalstof of een product. De voorzitter overweegt dat deze procedure zich niet leent voor beantwoording van die vraag. Dit geldt ook voor de vraag of tegen de overbrenging bezwaar mag worden gemaakt in verband met de kwalificatie van het resultaat van de be- en verwerking bij North Refinery. De vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen zal dan ook met name worden beantwoord aan de hand van een afweging van de betrokken belangen.

7. Nu de staatssecretaris eerder toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van afvalstoffen van Marpobel naar North Refinery ter be- en verwerking tot fluxolie, ziet de voorzitter, daarbij mede in aanmerking genomen dat door North Refinery aannemelijk is gemaakt dat met de overbrenging van de betrokken afvalstoffen niet onaanzienlijke bedrijfseconomische belangen zijn gemoeid en niet is gebleken dat dit zwaarwegende nadelige milieuhygiënische gevolgen zal hebben, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu North Refinery in zowel onderhavige zaak als in zaak nr. 20130149/1/A4 hetzelfde verzoekschrift heeft ingediend en deze zaken gelijktijdig ter zitting zijn behandeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 18 september 2013, kenmerk BE001003707;

II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat met deze uitspraak geacht wordt schriftelijke toestemming te zijn verleend voor de overbrenging overeenkomstig het kennisgevingsformulier met kenmerk BE001003707;

III. gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V., handelend onder de naam North Refinery, het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2013

552.