Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201206612/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het verbouwen van twee pluimveestallen en het vergroten van de veestapel van een pluimveehouderij met scharrelkippen en akkerbouw aan de [locatie A] te Reijmerstok.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1932
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206612/1/A4.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem,

2. [appellant sub 2], wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem,

3. [appellanten sub 3], wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4. [appellant sub 4] en anderen, wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]),

5. [appellanten sub 5], wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),

6. [appellanten sub 6], wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]),

7. [appellanten sub 7], wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8. [appellant sub 8], wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem,

9. [appellant sub 9], wonend te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het verbouwen van twee pluimveestallen en het vergroten van de veestapel van een pluimveehouderij met scharrelkippen en akkerbouw aan de [locatie A] te Reijmerstok.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] beroep ingesteld.

Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en [appellant sub 8] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Vergunninghouder, [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en [appellant sub 8] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2013, waar [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9], allen bijgestaan dan wel vertegenwoordigd door J.G.H.M. Rademacher, en het college, vertegenwoordigd door drs. O.A.M. Beckers, N. Abbas, M. van der Venne en J.L.M.M. Brouwer, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en [persoon], als partij gehoord.

Overwegingen

Appellanten

1. [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en [appellant sub 8] hebben gelijkluidende beroepschriften ingediend. Zij worden hierna tezamen en in enkelvoud aangeduid als [appellante sub 1].

Overgangsrecht Wabo

2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd.

Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wabo blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend

3. [appellante sub 1] betoogt dat het college geen revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer had mogen verlenen, maar dat in dit geval een vergunning ingevolge de Wabo is vereist. Hiertoe voert zij aan dat op 25 maart 2011 een complete nieuwe aanvraag is ingediend ter vervanging van de oorspronkelijke aanvraag en bijbehorende stukken die op 22 juni 2010 zijn ingediend. Volgens [appellante sub 1] blijkt uit het bestreden besluit dat de op 22 juni 2010 ingediende aanvraag niet volledig was, zodat die datum niet kan gelden als datum van indiening van de aanvraag. Zij wijst in dit verband op een e-mail van 27 december 2010 van een ambtenaar van de gemeente aan deelnemers van een informatieavond waarin is vermeld dat de aanvraag op ontbrekende punten kan worden aangevuld en onduidelijkheden nader kunnen worden toegelicht en dat, wanneer er een ontvankelijke en vergunbare aanvraag is, een ontwerpbeschikking zal worden opgesteld.

3.1. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2012 in zaak nr. 201011900/1/A4 volgt uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn, indien de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. Nu vergunninghouder de aanvraag om revisievergunning op 22 juni 2010 heeft ingediend, is de Wabo in dit geding niet van toepassing. Anders dan [appellante sub 1] stelt, brengt de omstandigheid dat de aanvraag daarna nog is aangevuld en gewijzigd niet mee dat niet langer van 22 juni 2010 als de datum van indiening van de aanvraag kan worden uitgegaan. Het college heeft de nadere op 25 maart 2011 ingekomen stukken terecht als een aanvulling van de op 22 juni 2010 ingediende aanvraag aangemerkt. Weliswaar heeft vergunninghouder op 25 maart 2011 het oorspronkelijke aanvraagformulier vervangen door een ander aanvraagformulier, maar de op 22 juni 2010 ingediende aanvraag daarbij niet ingetrokken, doch te kennen gegeven dat het een geconsolideerde aanvraag is die gelezen dient te worden in verbinding met het op 22 juni 2010 ingediende aanvraagformulier.

De beroepsgrond faalt.

Vergunning

4. Voor de inrichting is bij besluit van 3 januari 2002 een revisievergunning verleend voor het houden van 19.841 legkippen in twee stallen. De bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet op een uitbreiding van het aantal legkippen naar 57.000. In de bestaande stal g-g, bestaande uit twee verdiepingen, wordt het stalsysteem omgebouwd tot scharrelhuisvesting. In de nieuwe situatie worden in deze stal 17.000 legkippen gehouden. De bestaande stal a-a wordt verlengd met 17,5 m en verhoogd met een tweede verdieping. Deze stal wordt voorzien van een biologisch luchtwassysteem en biedt na de aanpassingen ruimte voor het huisvesten van 40.000 legkippen. In de bestaande loods b-b wordt graan, mais en vaste mest opgeslagen.

Milieueffectrapport (hierna: MER)

5. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b of 7.8d moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden opgesteld.

Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een MER moet worden gemaakt.

Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, houdt het bevoegd gezag bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden.

6. [appellante sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] betogen dat het college ten onrechte heeft besloten dat geen MER hoeft te worden opgesteld in verband met het ontbreken van bijzondere omstandigheden. Hiertoe stellen zij dat de emissie van geur, ammoniak en fijnstof toeneemt, zodat een MER had moeten worden gemaakt. [appellante sub 1] en [appellant sub 5] voeren tevens aan dat uit de geurberekening blijkt dat de geurbelasting op de omgeving maar net binnen de strengste norm van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) blijft. De norm is 2 OU/m³, terwijl de berekende geurbelasting 1,9 OU/m³ is. Dit is volgens hen ook een bijzondere omstandigheid waarin het college aanleiding had moeten zien een MER te maken. Daarnaast zijn er veehouderijen in de omgeving gelegen, zodat rekening had moeten worden gehouden met cumulatie van geur. Ter zitting is ten slotte toegelicht dat de inrichting in strijd met zowel provinciaal als gemeentelijk beleid is veranderd van een grondgebonden bedrijf in een intensieve veehouderij, hetgeen een bijzondere omstandigheid vormt op grond waarvan een MER diende te worden opgesteld.

6.1. Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college, naar aanleiding van een door vergunninghouder op 20 juni 2011 overgelegde aanmeldingsnotitie, gewijzigd bij brief van 5 december 2011, besloten dat het opstellen van een MER niet nodig is. Uit dat besluit blijkt dat rekening is gehouden met de kenmerken van de activiteit, de plaats van de activiteit en de kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Geconcludeerd is dat de aard en omvang van de beoogde activiteiten, de ligging en samenhang met andere activiteiten, alsmede de te verwachten emissies niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het opstellen van een MER noodzakelijk maken.

6.2. In de aanmeldingsnotitie is vermeld dat de ammoniakemissie afneemt ten opzichte van de vergunde situatie, dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: Besluit huisvesting) en de grenswaarden opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Voorts blijkt daaruit dat door de uitbreiding van het aantal legkippen de geuremissie weliswaar toeneemt, maar dat door het toepassen van beste beschikbare technieken, anders dan met de bij het besluit van 3 januari 2002 verleende vergunning het geval is in de omgeving geen geuroverbelasting meer plaatsvindt. Er wordt voldaan aan de strengste norm uit de Wgv die geldt voor het in de "Verordening geurhinder en veehouderij Hulpen-Wittem 2008" (hierna: de geurverordening) als bebouwde kom aangewezen gebied. Indien dat gebied als buiten de bebouwde kom zou zijn aangemerkt, zou zelfs een norm van 8,0 OU/m³ gelden. Ten aanzien van de stelling van [appellante sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] dat geen rekening is gehouden met de cumulatie van geurhinder, overweegt de Afdeling dat in de directe omgeving van de onderhavige inrichting uitsluitend veehouderijen met dieren zonder een omrekenfactor als bedoeld in de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Rgv) aanwezig zijn, zodat de geur daarvan niet te vergelijken is met die van de inrichting.

Gelet op het voorgaande heeft het college terecht geconcludeerd dat de aard en omvang van de beoogde activiteiten, de ligging en samenhang met andere activiteiten, alsmede de te verwachten emissies niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die tot het opstellen van een MER noopten. Dat, naar [appellante sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] stellen, de inrichting in strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid is veranderd van een grondgebonden bedrijf in een intensieve veehouderij, biedt, nu aan de van toepassing zijnde regelgeving kan worden voldaan, geen grond voor een ander oordeel.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college beoordelingsvrijheid toe.

Bestemmingsplan

8. [appellante sub 1] en [appellant sub 5] betogen dat het college de vergunning had moeten weigeren, omdat de uitbreiding van de inrichting in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reijmerstok ‘85" en de uitbreiding evenmin past in het ten tijde van het bestreden besluit nog niet in werking getreden nieuwe bestemmingsplan.

8.1. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning kan worden geweigerd indien door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

8.2. Het college stelt dat het ten tijde van het bestreden besluit in procedure zijnde bestemmingsplan het uitbreiden van de inrichting mogelijk maakt met een in dat plan opgenomen ontheffingsbevoegdheid en dat het bereid is daarvan gebruik te maken. Gelet daarop, heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

Ruimtelijke inpasbaarheid

9. [appellante sub 1] voert aan dat de uitbreiding van de inrichting ruimtelijk gezien niet gewenst is, omdat deze gesitueerd is in de kern van het dorp op een afstand van 250 m van de meeste woonhuizen. Dat het college in 2002 heeft meegewerkt aan het realiseren van een nieuwe stal ten behoeve van de inrichting betekent volgens haar niet dat thans ook moet worden meegewerkt aan een verdere uitbreiding van de inrichting.

9.1. Dit is geen aspect dat in deze procedure een rol kan spelen, nu dit aspect geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond faalt.

Bedrijfseconomische noodzaak uitbreiding

10. [appellante sub 1] betoogt dat niet is aangetoond dat de uitbreiding van de inrichting noodzakelijk is. Hiertoe voert zij aan dat vergunninghouder ten onrechte stelt dat de uitbreiding nodig is vanwege de extra kosten die moeten worden gemaakt door de strengere milieueisen die gelden ingevolge het Besluit huisvesting.

10.1. Dit is evenmin een aspect dat in deze procedure een rol kan spelen, nu dit aspect geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond faalt.

Afwijking vigerende vergunning

11. [appellante sub 1] betoogt dat de inrichting, zoals die thans in werking is, niet voldoet aan de bij het besluit van 3 januari 2002 verleende milieuvergunning, omdat een ander stalsysteem is aangebracht dan is vergund. Ook is stal g-g op een andere plaats opgericht dan is aangevraagd en vergund, aldus [appellante sub 1]. Volgens haar heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening gehouden met deze omstandigheden en had het moeten overgaan tot handhavend optreden in plaats van het verlenen van de aangevraagde vergunning.

11.1. In deze procedure staat slechts het bestreden besluit tot vergunningverlening ter beoordeling. Dit is een kwestie van handhavend optreden. De door [appellante sub 1] gestelde overtredingen zijn thans niet aan de orde.

De beroepsgrond faalt.

Beoordeling overlast

12. [appellante sub 1] voert aan dat het college bij de beoordeling van de overlast ten gevolge van de uitbreiding van de inrichting ten onrechte gebruik maakt van cijfers en berekeningen die zijn gebaseerd op theoretische modellen en aannames. Zij wijst er in dit verband op dat het college onder meer aansluiting heeft gezocht bij de gemiddelde weersomstandigheden volgens het KNMI in een periode van vijf jaar.

12.1. Bij de beoordeling van de gevolgen voor de omgeving ten gevolge van een nog niet gerealiseerde uitbreiding van een inrichting is het gebruikelijk dat van theoretische modellen en prognose-onderzoeken wordt uitgegaan. De wijze waarop deze onderzoeken dienen plaats te vinden en de modellen die daarbij dienen te worden gebruikt, zijn veelal wettelijk bepaald. Zo is in de Wgv voorgeschreven dat bij de beoordeling van geur het verspreidingsmodel "V-Stacks vergunning 2010" dient te worden toegepast. In dat model wordt gerekend met de metereologische gegevens over een periode van vijf jaar. Derhalve heeft het college die gegevens bij de beoordeling van de gevolgen van de uitbreiding van de inrichting voor het milieuaspect geur terecht toegepast. Voor wat betreft de beoordeling van de overige milieuaspecten heeft [appellante sub 1] niet onderbouwd welke theoretische modellen en aannames het college ten onrechte heeft toegepast.

De beroepsgrond faalt.

Geur

13. [appellante sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] betogen dat bij de berekening van de geurhinder ten onrechte gebruik is gemaakt van het verspreidingsmodel "V-Stacks vergunning 2010", omdat dit niet is bekendgemaakt in de Staatscourant en derhalve niet is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste uit artikel 89, derde lid, van de Grondwet.

13.1. Op grond van artikel 10 van de Wgv, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Rgv, wordt de geurbelasting vanwege een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel "V-Stacks vergunning 2010". Dit verspreidingsmodel is geen algemeen verbindend voorschrift, als bedoeld in artikel 89, vierde lid, van de Grondwet. Het dient ter berekening van de geuremissie vanwege het in werking zijn van de inrichting, maar bevat zelf geen normen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201009631/1/A4 overwogen dat de kenbaarheid van het verspreidingsmodel "V-Stacks vergunning 2010" verzekerd dient te zijn en dat dit ook het geval is. In dat verband is overwogen dat de Rgv bekend is gemaakt in de Staatscourant (Stc. 18 december 2006, nr. 246, blz. 21). In de toelichting op de Rgv staat dat het te gebruiken verspreidingsmodel verkrijgbaar is via Infomil te 's-Gravenhage (www.infomil.nl). Het verspreidingsmodel met een handleiding is via de website van Infomil te verkrijgen. Hetgeen [appellante sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] aanvoeren, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het verspreidingsmodel niet mocht worden toegepast, omdat niet voldaan zou zijn aan het kenbaarheidsvereiste.

De beroepsgrond faalt.

14. [appellante sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] stellen dat de te verwachten geurhinder van de dierenverblijven ten onrechte niet aan de hand van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) is beoordeeld. Volgens hen blijkt uit de NeR dat eerst moet worden bepaald welke geurhinder in het gebied aanwezig is. Bronnen hiervoor kunnen de milieuvergunningen zijn, maar ook hinderenquêtes of klachtenregistraties. Voorts stellen zij dat de NeR de bevoegdheid geeft strengere normen toe te passen en dat het college daarvan gebruik had moeten maken.

14.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv, zoals die luidde ten tijde van belang, betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

14.2. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wgv dient de van een inrichting te verwachten geur te worden beoordeeld aan de hand van die wet en vormt de NeR hierbij geen toetsingskader.

De beroepsgrond faalt.

15. [appellante sub 1] betoogt dat bij de beoordeling van de van de inrichting te verwachten geur ten onrechte geen rekening is gehouden met de geuremissie van de mestopslag. Zij stelt dat in de voorschriften is geregeld dat de mestopslag voldoende wordt geventileerd. Dat impliceert dat de mestopslag wel geuroverlast zal veroorzaken. De vergunning had daarom moeten worden geweigerd, aldus [appellante sub 1].

15.1. Uit de aanvraag blijkt dat in loods b-b pluimveemest van de dieren uit de bovenverdieping van stal a-a wordt opgeslagen. Het gaat om een opslag van 900 m³ in een gesloten loods. Deze loods was reeds vergund in 2002.

15.2. Ingevolge vergunningvoorschrift 8.4.1 mag in de mestloods uitsluitend mest worden opgeslagen afkomstig van de bovenverdieping van stal a-a.

Ingevolge vergunningvoorschrift 8.4.5 is het toegestaan om maximaal eenmaal per maand één transport kippenmest uit de mestloods af te voeren door middel van een gesloten vrachtwagen.

Ingevolge vergunningvoorschrift 8.4.6 dient het laden van de vrachtwagen inpandig te geschieden waarbij de deuren van de mestloods gesloten dienen te blijven.

Ingevolge vergunningvoorschrift 8.4.7 dient de deur/poort van de mestloods te allen tijde gesloten te zijn behoudens bij het aanvoeren en afvoeren van de mest.

15.3. Het college stelt dat de door de mestopslag veroorzaakte geurhinder niet is opgenomen in de systematiek van de Wgv, dat de opslagplaats van de vaste mest op meer dan 50 m is gelegen van de geurgevoelige objecten, dat de mestopslag gesloten is en daarom geen geurhinder van te verwachten valt.

15.4. Het deskundigenbericht vermeldt dat de geuremissie van droge mest in rust, vanuit een afgesloten loods, gering is. Indien de mest wordt beroerd, bij het storten van de mest en het wegscheppen bij afvoer, treden er kortstondige geurpieken op. De loods dient voldoende geventileerd te worden om te garanderen dat de mest droog blijft en niet nat wordt door neerslaande condens. Ventilatie vindt plaats op de momenten dat de toegangsdeur wordt geopend als er mest wordt bijgestort. Aan het bestreden besluit zijn toereikende voorschriften verbonden om geuroverlast te voorkomen, aldus het deskundigenbericht. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

15.5. Het college stelt terecht dat de geuremissie vanwege de mestopslag niet kan worden beoordeeld in het kader van de Wgv, omdat die wet uitsluitend van toepassing is op de geuremissie vanuit dierenverblijven. Het deskundigenbericht vermeldt dat de afstand tussen de mestopslag en de dichtstbij gelegen woning ongeveer 85 m is. Ook is geconcludeerd dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om geuroverlast van de mestopslag te voorkomen. Gelet daarop kan [appellante sub 1] niet worden gevolgd in haar betoog dat de vergunning vanwege de geur van de mestopslag had moeten worden geweigerd.

Wat betreft haar stelling dat de mestloods wordt geventileerd en er daarom geurhinder te verwachten valt, geldt dat, naar vergunninghouder ter zitting heeft toegelicht, in de nok van de loods enkele ventilatieroosters zitten. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit zal leiden tot een zodanige geuroverlast dat de vergunning had moeten worden geweigerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de BREF intensieve veehouderijen is vermeld dat de opslag van gedroogde kippenmest in een loods voldoet aan het vereiste dat in een inrichting de beste beschikbare technieken worden gehanteerd, indien de loods een ondoorlatende vloer heeft en voldoende ventilatie is gerealiseerd. Daarbij is vermeld dat het dient te gaan om een gesloten constructie met ventilatieopeningen en een deur voor transport. Daaraan wordt in dit geval voldaan.

De beroepsgrond faalt.

16. [appellante sub 1] betoogt dat ten onrechte een aantal woningen niet is betrokken bij de berekeningen van de emissie van geur, zoals de appartementen aan de overzijde van de Reijmerstokkerdorpsstraat en aan de overzijde van de Haagstraat. Voorts stelt zij dat onduidelijk is of bij de berekeningen rekening is gehouden met de hoogteverschillen in de omgeving van de inrichting. Ook is volgens [appellante sub 1] ten onrechte geen rekening gehouden met de tuinen en terrassen van de bij de beoordeling betrokken woningen.

16.1. Het deskundigenbericht vermeldt dat de geurbelasting is berekend bij een aantal dichtstbijzijnde, zwaarst belaste, woningen. Door vergunninghouder is alsnog een uitgebreidere V-Stacksberekening overgelegd waarin de geurbelasting ter plaatse van meer woningen aan de Reijmerstokkerdorpsstraat en de Haagstraat is berekend. Daaruit blijkt dat de geurbelasting bij al die woningen ruimschoots voldoet aan de norm van 2 OU/m³ en juist veelal lager is dan de geurbelasting ter plaatse van de woningen die in de geurberekening, die aan de aanvraag ten grondslag is gelegd, zijn betrokken. Voorts is vermeld dat in het programma "V-Stacks vergunning 2010" geen hoogtelijnen kunnen worden ingevoerd. Het programma modelleert de situatie waarbij de stalgebouwen op dezelfde hoogte liggen als de geurgevoelige objecten. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

16.2. Hetgeen [appellante sub 1] naar voren heeft gebracht geeft, gelet op het in het deskundigenbericht gestelde, geen grond voor het oordeel dat een aantal woningen ten onrechte niet is betrokken bij de berekeningen van de emissie van geur. Voorts heeft zij, gelet op het deskundigenbericht, tevergeefs gesteld dat onduidelijk is of bij de berekeningen rekening is gehouden met de hoogteverschillen in de omgeving van de inrichting. Tenslotte definieert artikel 1 van de Wgv een geurgevoelig object uitsluitend als een gebouw. Daaronder vallen tuinen en terrassen niet.

De beroepsgrond faalt.

Ammoniak

17. [appellante sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] betogen dat het college een onjuiste emissiefactor voor ammoniak heeft toegepast voor de legkippen in stal a-a. Hiertoe stellen zij dat ten onrechte onderscheid is gemaakt tussen mest van de 20.000 kippen op de bovenverdieping, waarvoor de hogere emissiefactor voor langdurige mestopslag is toegepast, en de mest van de 20.000 kippen op de begane grond waarvoor die factor niet is toegepast. Dit onderscheid vinden zij niet controleerbaar en evenmin handhaafbaar. Volgens hen moet voor de mest van alle kippen in deze stal dezelfde, hoge, ammoniakemissiefactor worden toegepast, zodat de totaal berekende ammoniakemissie van de inrichting hoger zal zijn dan waarvan nu is uitgegaan.

17.1. Uit de aanvraag blijkt dat in stal a-a, waarin 40.000 kippen zullen worden gehouden, stalsysteem E.2.11.1 en een luchtwasser zijn voorzien. Voor dit emissiearme systeem in combinatie met de nageschakelde techniek van de luchtwasser geldt ingevolge de Regeling ammoniak en veehouderij (hierna: de Rav) een emissiefactor van 0,02835 kg/dier/jaar. Voorts dient vanwege de langdurige opslag van de mest binnen de inrichting op grond van de Rav een toeslag op de ammoniakemissiefactor te worden toegepast.

De mest van de 20.000 kippen op de bovenverdieping zal worden opgeslagen in loods b-b. Daarvoor is in het bestreden besluit de emissiefactor conform de Rav opgehoogd met 0,050 kg/dier/jaar tot 0,07835 kg/dier/jaar.

17.2. Het college stelt dat de vaste mestopslag slechts wordt gebruikt voor de mest van de 20.000 kippen van de bovenverdieping in stal a-a. Daarom dient ook uitsluitend aan die 20.000 kippen de toeslag voor de nageschakelde techniek te worden doorberekend. Het stelt verder dat door de fysieke scheiding van de staldelen en de koppeling van de mestopslag aan de staldelen - niet aan een aantal dieren - een controleerbare en handhaafbare situatie is gecreëerd. De mest afkomstig van de bovenverdieping wordt opgeslagen in de mestopslag in loods b-b. Voor de mest afkomstig van de benedenverdieping is direct naast de stal een mestcontainer aanwezig. Het afvoeren van de mest van de dieren waarvoor geen mestopslag is vergund, is aanvullend ook administratief handhaafbaar. Per dier is de mestproductie op basis van kengetallen bekend. Daarmee bestaat de mogelijkheid om door middel van de afvoerbonnen van de mestcontainers, naast fysieke inspecties, tevens administratieve controles uit te voeren, aldus het college.

17.3. Het deskundigenbericht vermeldt dat de bij het bestreden besluit vergunde situatie uitsluitend voorziet in de langdurige opslag van mest afkomstig van de kippen die worden gehuisvest in de bovenverdieping van stal a-a en dat de fysieke scheiding tussen de beneden- en bovenverdieping en de wijze waarop de mest wordt opgeslagen is vastgelegd in vergunningvoorschrift 8.4.1. Geconcludeerd wordt dat, gelet op de fysieke en controleerbare scheiding tussen de langdurige opslag van de mest van de 20.000 kippen in de bovenverdieping van stal a-a enerzijds en de kortdurende opslag van de mest van de 20.000 kippen in de benedenverdieping van stal a-a anderzijds, het toepassen van twee verschillende ammoniakemissiefactoren voor de dieren in stal a-a in dit geval is gestoeld op een goed handhaafbare bedrijfssituatie.

17.4. In hetgeen [appellante sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding aan het door het college en in het deskundigenbericht gestelde te twijfelen. Derhalve heeft het college bij de berekening van de emissie van ammoniak de hogere emissiefactor terecht uitsluitend toegepast voor de mest afkomstig van de 20.000 kippen die worden gehuisvest in de bovenverdieping van stal a-a.

De beroepsgrond faalt.

Saldering

18. [appellante sub 1] en [appellant sub 5] betogen dat het college bij de bepaling van de ammoniakemissie op een onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de salderingsregeling van het Actieplan ammoniak en veehouderij (hierna: het Actieplan) van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: Infrastructuur en Milieu), het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: Economische Zaken), de provincies en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hiertoe voeren zij aan dat ten onrechte is uitgegaan van de in 2002 vergunde situatie. Volgens hen moet worden gesaldeerd met de emissiegrenswaarde van de bestaande situatie, zoals die moet worden berekend op basis van het Besluit huisvesting.

18.1. Ingevolge het Besluit huisvesting dienen de stallen te voldoen aan de maximale ammoniakemissiewaarde. Uit het bestreden besluit blijkt dat beide stallen met de toe te passen stalsystemen daaraan voldoen. Van de mogelijkheid van interne saldering, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit huisvesting is geen gebruik gemaakt. Het door [appellante sub 1] en [appellant sub 5] bedoelde Actieplan is in deze procedure dan ook niet aan de orde.

De beroepsgrond faalt.

Geluid

19. [appellante sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat hun woningen onvoldoende worden beschermd tegen geluidhinder. In dit verband stellen zij dat de omgeving van de inrichting ten onrechte is getypeerd als een rustige woonwijk met weinig verkeer. Volgens hen dient de omgeving te worden getypeerd als een stil landelijk gebied waarvoor ingevolge de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) grenswaarden van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode gelden. [appellante sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2009 in zaak nr. 200803964/1. Volgens hen is de situatie in die zaak vrijwel gelijk aan onderhavige zaak en werd het daar van belang zijnde gebied wel getypeerd als stil landelijk gebied.

19.1. Het college heeft bij de beoordeling van het door de inrichting veroorzaakte geluid de Handreiking tot uitgangspunt genomen. Het college stelt dat de inrichting en de dichtst bij de inrichting gelegen woningen in de kern van Reijmerstok zijn gelegen en dat dit gebied is aan te merken als een rustige woonwijk met weinig verkeer. Het omgevingstype landelijke omgeving is meer bedoeld voor solitair gelegen woningen in het buitengebied en sluit niet aan bij de onderhavige omgeving, aldus het college.

19.2. Uit de in het dossier aanwezige foto’s en kaarten blijkt dat Reijmerstok weliswaar een rustig plattelandsdorp is dat door de overwegende lintbebouwing sterk is verweven met het omringende landelijk gebied, maar niettemin een woonkern met een overwegende woonfunctie is, mede in aanmerking genomen dat diverse centrumvoorzieningen aanwezig zijn, waaronder begrepen een winkel en een kerk. Gelet hierop heeft het college de omgeving van de inrichting terecht getypeerd als een rustige woonwijk met weinig verkeer.

De beroepsgrond faalt.

20. [appellante sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] vrezen onaanvaardbare geluidhinder in hun tuinen en een verstoorde nachtrust, omdat door het inwerking zijn van de ventilatoren en de luchtwasser veel meer permanent geluid zal worden geproduceerd dan op grond van de geldende vergunning was toegestaan. Ook is volgens hen bij de beoordeling van de te verwachten geluidhinder ten onrechte niet uitgegaan van de veel dichter bij de inrichting gelegen tuinen en terrassen van omliggende woningen.

20.1. Het college stelt dat ten opzichte van de vigerende milieuvergunning de vergunningvoorschriften wat betreft het milieuaspect geluid zijn aangescherpt en de vergunde geluidbelasting is teruggebracht. Voorts stelt het dat de beoordelingspunten conform de van toepassing zijnde systematiek zijn gelegd ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige gebouwen.

20.2. Aan het bestreden besluit is het akoestisch onderzoek van Aelmans Ruimtelijke Ontwikkeling en Milieu, neergelegd in een rapport van 7 oktober 2011, ten grondslag gelegd. Daaruit blijkt dat de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van alle omliggende geluidgevoelige objecten kan voldoen aan de richtwaarden behorend bij de gehanteerde gebiedstypering. De maximale geluidniveaus in de representatieve bedrijfssituatie voldoen eveneens aan de daaraan te stellen grenswaarden met uitzondering van twee beoordelingspunten waarbij in de dagperiode als gevolg van transportbewegingen het maximale geluidniveau 71 en 72 dB(A) is. In het akoestisch rapport is terecht overwogen dat de Handreiking toestaat om de piekgeluiden voor laad- en losactiviteiten in de dagperiode uit te sluiten van toetsing. In dat rapport is verder rekening gehouden met de aanwezigheid van de ventilatoren en de luchtwasser als geluidbronnen. Derhalve kunnen [appellante sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] niet worden gevolgd in hun betoog dat vanwege die geluidbronnen onaanvaardbare geluidhinder te verwachten valt.

Zij kunnen evenmin worden gevolgd in hun stelling dat bij de beoordeling van de te verwachten geluidhinder ten onrechte geen rekening is met de tuinen en terrassen van omliggende woningen. In de Handreiking is vermeld dat de geluidimmissie dient te worden beoordeeld ter plaatse van de gevel van geluidgevoelige gebouwen.

De beroepsgrond faalt.

21. [appellante sub 1] stelt tenslotte dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet naleefbaar zijn. Zij stelt zich in dit verband op het standpunt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid vanwege het nabijgelegen grondverzetbedrijf met zware bedrijfsmiddelen.

21.1. Met betrekking tot de cumulatie van geluid overweegt de Afdeling dat de Handreiking, die als beoordelingskader is gehanteerd, met de cumulatie van geluidhinder vanwege de inrichting en de geluidbelasting vanwege andere geluidbronnen rekening houdt. De reeds aanwezige, door andere bronnen veroorzaakte geluidbelasting, komt tot uitdrukking in het referentieniveau van het omgevingsgeluid en is in zoverre verdisconteerd in de in de Handreiking gehanteerde richtwaarden. De gecumuleerde geluidbelasting is aldus bij het stellen van de grenswaarden in de vergunning betrokken. In zoverre faalt het betoog.

Voorts heeft [appellante sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet naleefbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

22. De beroepen zijn ongegrond.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

552.