Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1908

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201207841/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9963, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellanten] om een vergunning ten behoeve van de exploitatie van de [coffeeshop] aan de [locatie 1] te Eindhoven, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/47 met annotatie van mr. dr. B. van der Vorm
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207841/1/A3.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 juni 2012 in zaak nr. 12/181 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de burgemeester van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellanten] om een vergunning ten behoeve van de exploitatie van de [coffeeshop] aan de [locatie 1] te Eindhoven, afgewezen.

Bij uitspraak van 29 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de door de burgemeester verzochte beperkte kennisneming van het advies van 16 februari 2011 en het aanvullende advies van 12 mei 2011 die het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) op verzoek van de burgemeester heeft uitgebracht, gerechtvaardigd geoordeeld.

Bij brief van 17 oktober 2012 hebben [appellanten] aan de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De Afdeling heeft kennis genomen van de adviezen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2013, waar [appellant A], bijgestaan door mr. F.A. Pommer, advocaat te Den Bosch, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R.W. Veldhuis, advocaat te Den Haag, en B. Timmermans en J.H. Wellen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge het tweede lid wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, als bedoeld in het eerste lid, onder a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten, als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge het zevende lid kan het bestuursorgaan, voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge het derde lid kan de burgemeester, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, het Bureau om een advies vragen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, wordt het advies zo spoedig mogelijk gegeven, maar in ieder geval binnen een termijn van vier weken nadat het bestuursorgaan een advies heeft aangevraagd.

Ingevolge het tweede lid wordt de in het eerste lid bedoelde termijn opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan is verzocht om gegevens die bij de aanvraag ontbreken of om aanvullende gegevens die noodzakelijk zijn voor het advies, tot de dag waarop die gegevens zijn ontvangen.

Ingevolge het derde lid stelt het Bureau, indien het advies niet binnen vier weken kan worden gegeven, het bestuursorgaan daarvan in kennis en noemt het daarbij een termijn waarbinnen het advies wel tegemoet kan worden gezien. Deze termijn bedraagt niet meer dan vier weken.

Ingevolge artikel 26 kan de officier van justitie die beschikt over gegevens die er op duiden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds gepleegd zijn of, naar redelijkerwijs op grond van feiten of omstandigheden kan worden vermoed, gepleegd zullen worden, het bestuursorgaan wijzen op de wenselijkheid het Bureau om een advies te vragen.

Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Eindhoven is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2. De coffeeshop is vanaf 22 juli 1985 als eenmanszaak gevestigd aan de [locatie 1] te Eindhoven en is tot 6 oktober 2000 gedreven voor rekening van [appellant B]. Vanaf 6 oktober 2000 is de coffeeshop gedreven in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma. Op 6 april 2002 stonden als vennoten ingeschreven [appellant B] en [broer appellant A]. Bij besluit van 7 maart 2003 heeft de burgemeester de door [appellant B] en [broer appellant A] gevraagde exploitatievergunning geweigerd op grond van slecht levensgedrag van [broer appellant A]. Op 1 april 2003 heeft [broer appellant A] zijn aandeel in de coffeeshop verkocht aan zijn broer [appellant A]. Ter uitvoering daarvan is [broer appellant A] bij het handelsregister uitgeschreven als vennoot en [appellant A] als zodanig ingeschreven. Bij besluit van 14 augustus 2003 heeft de burgemeester een exploitatievergunning verleend voor de duur van vijf jaar. In verband met het verlopen van deze vergunning hebben [appellanten] een aanvraag ingediend.

De burgemeester heeft de aanvraag van [appellanten] afgewezen, omdat naar zijn oordeel ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bibob. Volgens de burgemeester bestaat het vermoeden dat [appellant A] en [broer appellant A] in strijd handelen met de Opiumwet en dat [broer appellant A] zich tevens schuldig maakt aan witwassen. Voorts volgt uit verscheidene feiten en omstandigheden dat [broer appellant A] in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [appellanten]. Aan de weigering van de exploitatievergunning heeft de burgemeester een door het Bureau uitgebracht advies van 16 februari 2011 en een door het Bureau uitgebracht aanvullend advies van 12 mei 2011 ten grondslag gelegd.

3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces. Daartoe voeren zij aan dat de burgemeester zeer laat op de aanvraag heeft beslist en een eerder advies van het Bureau van 17 juli 2009 in het ongerede is geraakt. Verder is dit advies van 17 juli 2009 weliswaar niet direct bij de besluitvorming betrokken, maar is dit wel van invloed geweest bij de behandeling van de aanvraag. Dit heeft ertoe geleid dat de burgemeester de verdere behandeling van de aanvraag niet zonder vooringenomenheid heeft vervolgd. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat de burgemeester de in de Wet bibob neergelegde dwingende termijnen voor de behandeling van een aanvraag ruim heeft overschreden. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank aan het voorgaande ten onrechte geen gevolgen verbonden, nu zij bijna drieënhalf jaar in onzekerheid hebben verkeerd over de uitkomst van de procedure. Bovendien heeft het er alle schijn van dat de burgemeester bewust de procedure heeft vertraagd voor het verkrijgen van voldoende actuele feiten over [broer appellant A] om de weigering van de exploitatievergunning te kunnen rechtvaardigen. De burgemeester had daarom belang bij een zo lang mogelijk uitstel voor het nemen van een besluit. Ten slotte had de rechtbank de procedure in haar geheel in aanmerking moeten nemen, nu in het dwangsombesluit van 18 januari 2012 een onredelijk korte begunstigingstermijn van twee dagen is gegeven. Deze zeer korte termijn valt niet te rijmen met de grove termijnoverschrijding in de besluitvorming tot de weigering van de exploitatievergunning, aldus [appellanten].

3.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de periode tussen de aanvraag en het daarop genomen besluit lang heeft geduurd. Ondanks dat [appellanten] gedurende de periode dat zij niet meer beschikten over een geldige exploitatievergunning tot de dag waarop deze is geweigerd, de coffeeshop op reguliere wijze hebben kunnen voortzetten, hebben zij in onzekerheid verkeerd over het voortbestaan van de coffeeshop. Met de rechtbank is de Afdeling evenwel van oordeel dat de duur van de besluitvorming er niet toe leidt dat de burgemeester de adviezen van het Bureau van 16 februari 2011 en 12 mei 2011 niet aan de weigering ten grondslag mocht leggen dan wel alsnog diende over te gaan tot het verlenen van de exploitatievergunning. Gelet op het feit dat het eerdere advies van 17 juli 2009 gedateerd was, is aan [appellanten] bij brief van 8 september 2010 verzocht om nieuwe stukken in te dienen. Voorts hebben gesprekken plaatsgevonden op 28 september 2010, 4 oktober 2010, 12 oktober 2010 en 6 december 2010. Op 18 november 2010 en 6 december 2010 zijn nieuwe stukken ingediend. Met het oog op een zorgvuldige besluitvorming is na afstemming met [appellanten] besloten om een nieuw advies te vragen aan het Bureau. Anders dan [appellanten] stellen, zijn zij op de hoogte gehouden van de voortgang van de behandeling van hun aanvraag. Verder is het eerdere advies van 17 juli 2009 niet aan de weigering ten grondslag gelegd. Wat betreft de in de Wet bibob neergelegde termijnen voor de behandeling van een aanvraag, wordt overwogen dat zowel het advies van 16 februari 2011 als het advies van 12 mei 2011 binnen de daarvoor gestelde termijn van maximaal acht weken is uitgebracht. Voorts hebben [appellanten] hun stelling dat de burgemeester bewust de procedure heeft vertraagd om voldoende feiten en omstandigheden te verkrijgen om aan de weigering van de exploitatievergunning ten grondslag te kunnen leggen op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellanten] als gevolg van de duur van de besluitvorming niet op onevenredige wijze in hun belangen zijn geschaad, aangezien zij de exploitatie van de coffeeshop gedurende deze periode mochten voortzetten. Ten slotte is het dwangsombesluit van 18 januari 2012 geen onderwerp van deze procedure en is dit overigens niet relevant voor de beoordeling van de besluitvormingsprocedure in het kader van de aanvraag om de exploitatievergunning. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de duur van de besluitvormingsprocedure een schending van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel of van artikel 6 van het EVRM met zich brengt.

Het betoog faalt.

4. Voorts betogen [appellanten] dat de grondslag van de bibob-procedure onrechtmatig is geweest, nu zij twijfels hebben over de zogenoemde tip van de Officier van Justitie (hierna: OvJ) van 28 oktober 2008 die volgens de burgemeester aanleiding gaf voor het vragen van advies aan het Bureau. Volgens hen is er geen tip geweest dan wel is deze met tussenkomst van de burgemeester verkregen. [appellanten] stellen dat de burgemeester de OvJ actief heeft benaderd om een tip te verkrijgen. Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) bij de Wet bibob voeren zij aan dat een dergelijke handelwijze in strijd is met artikel 26 van deze wet en de artikelen 2:4, eerste lid, 3:2, 3:3 en 3:46 van de Awb. Voorts betogen [appellanten] dat een dergelijke handelwijze in strijd is met artikel 9, vierde lid, van de Wet bibob op grond waarvan het bibob-instrumentarium terughoudend moet worden toegepast wegens de inbreuk die dit maakt op de persoonlijke levenssfeer. Dit brengt mee dat moet worden gekeken naar minder ingrijpende alternatieven om het doel van de Wet bibob te bereiken. Daarbij wijzen zij op de mogelijkheid om de gevraagde vergunning te weigeren op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet.

4.1. Volgens de MvT bij de Wet bibob (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 73-74) moet de beoordeling van de wenselijkheid om het Bureau in te schakelen in beginsel volgen uit informatie die de burgemeester zelf verkrijgt uit de formulieren behorende bij de aanvraag. Daarnaast is het mogelijk dat de OvJ op de hoogte is van een aanvraag van een betrokkene, doordat er bijvoorbeeld een strafrechtelijk onderzoek naar betrokkene loopt of betrokkene reeds meermalen met justitie in aanraking is geweest. Indien uit de gegevens die bij de OvJ bekend zijn, redelijkerwijs kan worden afgeleid dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds zijn gepleegd of wellicht zullen worden gepleegd, kan de OvJ de burgemeester informeren over de wenselijkheid een advies bij het Bureau te vragen, aldus de MvT.

De burgemeester heeft in het verweerschrift de standaardprocedure uiteengezet bij een aanvraag om een exploitatievergunning. In geval van een aanvraag beoordeelt de politie of de weigeringsgronden ‘slecht levensgedrag’ of ‘zedelijkheidseisen’ aanwezig zijn op grond waarvan de vergunning kan worden geweigerd. Daarnaast informeert de politie bij de OvJ of aanleiding bestaat voor het aanwenden van de in artikel 26 van de Wet bibob neergelegde bevoegdheid om het bestuursorgaan te wijzen op de wenselijkheid het Bureau om een advies te vragen. Het is aan de OvJ om te beoordelen of aanleiding bestaat voor het aanwenden van deze bevoegdheid. Bij brief van 28 oktober 2008 heeft de OvJ van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester de OvJ heeft verzocht om gebruik te maken van zijn in artikel 26 van de Wet bibob neergelegde bevoegdheid of blijk heeft gegeven van enige vooringenomenheid. Voorts wordt volgens voornoemde standaardprocedure bij een aanvraag om een exploitatievergunning eerst beoordeeld of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet zich voordoet. De burgemeester heeft deze evenwel niet aanwezig geacht. De rechtbank heeft in dit betoog terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de burgemeester in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 26 van de Wet bibob en de artikelen 2:4, eerste lid, 3:2, 3:3 en 3:46 van de Awb.

Het betoog faalt.

5. Voorts voeren [appellanten] aan dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant A] structureel de maximaal toegestane handelsvoorraad softdrugs voor de exploitatie van de coffeeshop zou hebben overschreden. Zij voeren aan dat de burgemeester zich voor de omvang van de handelsvoorraad van de coffeeshop op een onjuiste berekening van het Bureau op grond van de door de accountant van de coffeeshop ETS Zakelijke Dienstverlening (hierna: ETS) aangeleverde handelsvoorraadlijsten en voorraadspecificaties heeft gebaseerd. Nu ETS, een deskundig accountant, herhaaldelijk heeft verklaard dat de aannames en berekening van het Bureau over de handelsvoorraden onjuist zijn, heeft de burgemeester in strijd met zijn vergewisplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel nagelaten te motiveren waarom hij desondanks het advies van het Bureau heeft gevolgd. [appellanten] voeren aan dat uit de voorraadspecificatie over de jaren 2006 tot en met 2009 blijkt dat voor € 1.225,00 aan voorraad softdrugs aanwezig is geweest in de coffeeshop. Uitgaande van de gemiddelde inkoopwaarde van softdrugs van € 3.500,00 per kilogram kan redelijkerwijs geen overschrijding van de maximaal toelaatbare handelsvoorraad van 500 gram worden vastgesteld. Volgens [appellanten] mogen de softdrugs in het pand aan de [locatie 2] niet worden meegerekend bij de handelsvoorraad van de coffeeshop. Bovendien is [appellant A] niet veroordeeld of vervolgd wegens het overschrijden van de handelsvoorraad. Bij door de Belastingdienst uitgevoerde controles naar onder meer de handelsvoorraad op 23 maart 2010 en 22 maart 2011 en frequente controles in opdracht van dan wel met medeweten van de burgemeester zijn geen onvolkomenheden geconstateerd.

Indien van een overschrijding van de maximaal toegestane handelsvoorraad moet worden uitgegaan, is dit volgens [appellanten] inherent aan het exploiteren van een coffeeshop. Zij voeren aan dat zij, gelet op de scheve vraag- en aanbodsituatie, gedwongen worden om de handelsvoorraad in de coffeeshop verscheidene keren per dag aan te vullen tot telkens 500 gram, hetgeen echter niets zegt over de maximaal aanwezige voorraad in de coffeeshop. Voorts betogen zij over de zogeheten achterdeurproblematiek dat het overschrijden van de handelsvoorraad in het strafrecht niet langer zonder meer strafbaar wordt geacht. Door hier geen aandacht aan te besteden, miskent de rechtbank de binnen het straf-, bestuurs- en civiele recht vereiste rechtseenheid. Bovendien heeft de burgemeester in een notitie in 2009 aandacht gevraagd voor de achterdeurproblematiek in Eindhoven en erkend dat coffeeshops een grotere handelsvoorraad nodig hebben om aan de vraag te kunnen voldoen. Nu de burgemeester de situatie feitelijk jarenlang heeft gedoogd, mag hij de aanwezigheid van softdrugs buiten de coffeeshop niet meer aan hen tegenwerpen, aldus [appellanten].

5.1. Aan het vermoeden dat [appellant A] in strijd handelt met de Opiumwet is ten grondslag gelegd dat uit een proces-verbaal van 23 maart 2010 volgt dat tijdens een doorzoeking van het pand aan de [locatie 2] 581,6 gram hennepgruis, 104 gram hasjiesj blokken, 134,5 gram voorgedraaide joints, 715,2 gram jointvulling en ruim vier kilo hennepafval is aangetroffen. [appellant A] heeft in een proces-verbaal van verhoor van 23 maart 2010 verklaard dat hij het pand aan de [locatie 2] gedurende 1,5 jaar huurt van zijn broer [broer appellant A] voor een bedrag van € 1.000,00 per maand. Uit de verklaring volgt dat dit pand wordt gebruikt voor de opslag en de verwerking van softdrugs, hetgeen de politie daadwerkelijk heeft geconstateerd. Anders dan [appellanten] betogen, dient de aangetroffen hoeveel softdrugs in het pand aan de [locatie 2] te worden gerekend tot de handelsvoorraad van de coffeeshop, nu deze hoeveelheid is bestemd voor de bevoorrading van de coffeeshop.

Voorts is aan het vermoeden dat [appellant A] in strijd handelt met de Opiumwet ten grondslag gelegd dat uit de jaarstukken van de coffeeshop over de jaren 2006 tot en met 2009 en informatie van de Belastingdienst over de jaren 2005 tot en met 2009 volgt dat de coffeeshop structureel een handelsvoorraad heeft van in ieder geval meer dan 500 gram softdrugs. Voorts heeft ETS te kennen gegeven dat uit de bij haar ter beschikking staande financiële gegevens blijkt dat de waarde van de voorraad softdrugs die in de coffeeshop aanwezig is geweest per balansdatum 31 december 2007, 2008, 2009 en 2010 telkens € 3.750,00 was. Uit een verklaring van [appellant A] volgt dat hij verantwoordelijk is voor de inkoop van de softdrugs en dat hij deze afhankelijk van de prijs per halve kilo of per kilo inkoopt. Hij heeft verklaard dat de inkoopprijzen wisselend zijn, maar dat deze ongeveer liggen tussen € 3.500,00 en € 4.000,00 per kilo. Gelet op de jaarrekeningen en de verklaringen van [appellant A] en ETS, mocht de burgemeester zich op het standpunt stellen dat de handelsvoorraad in de desbetreffende jaren structureel meer dan 500 gram was. Anders dan [appellanten] betogen, heeft de rechtbank niet ten onrechte de bewijslast omgekeerd, nu het op hun weg lag om aannemelijk te maken dat het door de burgemeester ingenomen standpunt in weerwil van het genoemde bewijsmateriaal onjuist is. Met de overgelegde verklaring van ETS hebben [appellanten] evenwel niet aannemelijk gemaakt dat zij in de desbetreffende jaren de maximaal toegestane handelsvoorraad niet hebben overschreden. Uit deze verklaring volgen slechts de door de coffeeshop gerealiseerde omzetten over de jaren 2006 tot en met 2010. Uit deze omzetten kan evenwel niets worden afgeleid over de daadwerkelijk aanwezige handelsvoorraad in de coffeeshop. Ook anderszins hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat zij de maximaal toegestane handelsvoorraad niet hebben overschreden. Aan de door de Belastingdienst uitgevoerde controles kan niet de door [appellanten] gewenste betekenis worden toegekend, nu deze betrekking hebben op de handelsvoorraad op 23 maart 2010 en 22 maart 2011. De rechtbank heeft verder terecht in aanmerking genomen dat het betoog van [appellanten] over de handelsvoorraad niet verenigbaar is met een verklaring van [appellant A] dat hij meestal hoeveelheden softdrugs inkoopt tot maximaal ongeveer vijf kilogram, dat hij zijn andere broer [appellant A] in februari 2011 ruim 22 kilo wiet liet kopen ten behoeve van de coffeeshop en dat hij het pand aan de [locatie 2] huurt voor de opslag en verwerking van softdrugs. Overigens heeft [appellant A] dit laatste ter zitting bevestigd.

Verder mogen bij de beoordeling van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob feiten en omstandigheden worden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Het kan derhalve gaan om strafbare feiten waarvan niet in rechte is vastgesteld dat en door wie zij zijn gepleegd. Wel dient het aannemelijk te zijn dat de strafbare feiten zijn gepleegd. De in de adviezen vermelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen een dergelijk vermoeden. Dat geen strafrechtelijke veroordeling dan wel vervolging heeft plaatsgevonden doet aan het voorgaande niet af. Voorts heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in het door [appellanten] aangehaalde arrest van 27 september 2011, Hrdalo tegen Kroatië, nr. 23272/07 (www.echr.coe.int) overwogen dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich kan uitbreiden tot een bestuursrechtelijke procedure, indien er een zodanige band bestaat tussen die procedure en een parallel daarmee plaats hebbende strafrechtelijke procedure dat de bestuursrechtelijke procedure in feite leidt tot een vaststelling omtrent de schuld van betrokkenen, terwijl die niet onherroepelijk in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. In de thans voorliggende zaak vindt echter met het besluit van de burgemeester geen vaststelling van schuld plaats en wordt van die schuld ook niet uitgegaan. In het arrest van 21 maart 2000, Asan Rushiti tegen Oostenrijk, nr. 28389/95 (www.echr.coe.int) heeft het EHRM overwogen dat het uiten van twijfel over iemands onschuld met betrekking tot feiten waarvan deze onherroepelijk is vrijgesproken, in strijd is met de onschuldpresumptie. Die situatie doet zich hier evenwel niet voor, zodat zich geen strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM voordoet. Voorts is de situatie als in het door [appellanten] aangehaalde arrest van 16 oktober 2008, Kyriakides tegen Cyprus, nr. 39058/05 (www.echr.coe.int) niet aan de orde. In die zaak was de verzoeker niet veroordeeld. Voorts was de betrokkenheid van de verzoeker niet vastgesteld in een strafrechtelijke of andere procedure en waren de ondergeschikten van de verzoeker vrijgesproken van de delicten waarvoor zij waren vervolgd. Dat [appellant A] ter zake van het overschrijden van de toegestane handelsvoorraad niet is veroordeeld dan wel vervolgd, neemt niet weg dat [broer appellant A] verscheidene malen is veroordeeld wegens het handelen in strijd met de Opiumwet. Geen grond bestaat derhalve voor het oordeel dat artikel 8 van het EVRM is geschonden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat het vermoeden bestaat dat [appellant A] in strijd handelt met de Opiumwet. Anders dan [appellanten] betogen, is de weigering van de exploitatievergunning dan ook niet uitsluitend gebaseerd op feiten die [broer appellant A] betreffen.

Het betoog faalt.

5.2. Voorts overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraken van 3 november 2010 en 27 maart 2013 in zaken nrs. 201001611/1/H3 en 201110252/1/A3 dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs de op grond van het gedoogbeleid toegestane hoeveelheid van 500 gram ruimschoots overschrijdt. [appellanten] worden niet gevolgd in hun betoog dat het overschrijden van de toegestane handelsvoorraad en daarmee het plegen van strafbare feiten inherent is aan het exploiteren van een coffeeshop. Wat betreft het door [appellanten] aangehaalde arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 2 februari 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BV2572) en het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 april 2012 (ECLI:NL:RBZLY:2012:BW0879) wordt overwogen dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2013 voornoemd arrest van het Gerechtshof heeft vernietigd, zodat aan dit arrest en vonnis niet de door [appellanten] gewenste betekenis toekomt. Voorts is niet gebleken van een door de burgemeester gedane of aan hem toe te rekenen uitlating of daarmee gelijk te stellen gedraging waaraan [appellanten] een gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen dat niet zou worden opgetreden. Aan het uitblijven van handhavend optreden kan een dergelijk vertrouwen niet worden ontleend. Evenmin volgt uit de notitie van 13 maart 2009 dat de burgemeester het overschrijden van de toegestane handelsvoorraad jarenlang feitelijk heeft gedoogd.

Dit betoog faalt eveneens.

6. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zich op grond van de aan de weigering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, op het standpunt heeft mogen stellen dat [broer appellant A] tot hen in een zakelijk samenwerkingsverband staat. De rechtbank mocht niet volstaan met het ongemotiveerde oordeel dat de door hen aangedragen verklaringen op grond waarvan naar hun mening geen zakelijk samenwerkingsverband uit de aan de weigering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid niet overtuigen. [appellanten] voeren aan dat de lening van [voormalig partner] van [appellant B], van € 100.000,00 in 2004 aan [broer appellant A] was bedoeld voor het opknappen van het pand aan de [locatie 1]. Aangezien [voormalig partner] [appellant A] nauwelijks kende, heeft hij de lening aan [broer appellant A] verstrekt, die de lening vervolgens aan [appellanten] moest verstrekken. Deze lening is geregistreerd in de boekhouding van ETS en is ook als zodanig opgenomen op de jaarrekening van de coffeeshop. De Belastingdienst heeft de lening beoordeeld en goedgekeurd. De rechtbank heeft volgens [appellanten] miskend dat de burgemeester ten onrechte aan de lening de conclusie heeft verbonden dat [broer appellant A] als financier van de coffeeshop zou optreden dan wel handelingen zou verrichten voor de coffeeshop die verder gaan dan het slechts ontvangen van het overeengekomen winstaandeel. [appellanten] voeren voorts aan dat de betaalde borgsom in het kader van de tussen [appellant A] en [bedrijf] op 31 januari 2007 gesloten koopovereenkomst gebruikelijk is in het zakelijk vastgoedverkeer om de uiteindelijke afname van een pand of perceel te garanderen. De burgemeester gaat er volgens [appellanten] ten onrechte vanuit dat de koopovereenkomst zou zijn ontbonden op het moment dat duidelijk was dat geen vergunning werd verkregen voor de exploitatie van een coffeeshop aan de [locatie 2] waardoor [bedrijf] de borgsom redelijkerwijs aan [appellant A] moest terugbetalen. Deze in de koopovereenkomst opgenomen voorwaarde is niet ingetreden, omdat tot op heden geen besluit is ontvangen inhoudende een weigering van een exploitatievergunning voor de [locatie 2] en aan deze ontbindende voorwaarde geen fatale termijn is verbonden. De koopovereenkomst is volgens [appellanten] dan ook niet ontbonden, zodat [appellant A] de door hem betaalde borgsom verschuldigd blijft tot het moment van afname van het pand. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geen betekenis toegekend aan de door [broer appellant A] en [appellant A] ten overstaan van de notaris onder ede afgelegde verklaringen, aldus [appellanten].

6.1. Aan het standpunt dat [broer appellant A] tot [appellanten] in een zakelijk samenwerkingsverband staat als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob heeft de burgemeester de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. [broer appellant A] en [appellant A] zijn broers van elkaar. [broer appellant A] is van 6 oktober 2002 tot 1 april 2003 vennoot geweest van de coffeeshop samen met [appellant B]. Uit informatie van de Belastingdienst en de politie Brabant Zuid-Oost blijkt echter dat hij, ondanks dat hij formeel op 1 april 2003 is uitgetreden uit de vennootschap, betrokken is bij de exploitatie van de coffeeshop. [broer appellant A] heeft na de verkoop van zijn deel in de vennootschap op 1 april 2003 nog vier jaar zestig procent van de jaarwinst van de coffeeshop ontvangen. Uit gegevens van de Belastingdienst van 3 februari 2011 blijkt dat [broer appellant A] als vennoot van de coffeeshop en als kwartaalaangever voor de omzetbelasting staat vermeld. Op een rekeningafschrift van 13 februari 2007 van de coffeeshop staat het adres van [broer appellant A] vermeld. Uit verscheidene politiemutaties en processen-verbaal volgt dat [broer appellant A] heeft verklaard eigenaar dan wel bedrijfsleider te zijn van de coffeeshop dan wel als zodanig wordt aangemerkt. In verband met het voornemen de coffeeshop te verhuizen, is [appellant A] met [bedrijf] van [broer appellant A] op 31 januari 2007 in een koopovereenkomst overeengekomen het pand aan de [locatie 2] te kopen, hetgeen tot op heden geen doorgang heeft gevonden. [appellant A] en [broer appellant A] hebben een huurovereenkomst afgesloten voor het pand aan de [locatie 2], dat wordt gebruikt voor de opslag en verwerking van softdrugs ten behoeve van de coffeeshop. Voorts is [broer appellant A] op 20 augustus 2009 veroordeeld wegens betrokkenheid bij het verwerken van 19.882 gram hennep, 228 hennepstokken en 30 gram hasjiesj bestemd voor de coffeeshop en wordt hij blijkens verscheidene politiemutaties in relatie gebracht met softdrugs dan wel mogelijke betrokkenheid bij hennepteelt, hetgeen niet in verband kan worden gebracht met de zakelijke activiteiten van [broer appellant A] in het vastgoed. Ten slotte wordt het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [broer appellant A] en [appellant A] ondersteund door informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE-informatie) betreffende de drugshandel, die mede inhoudt dat [broer appellant A] en [appellant A] ‘twee handen op een buik zijn’.

Wat betreft de lening van € 100.000,00 van [voormalig partner] wordt overwogen dat de burgemeester aannemelijk mocht achten dat [broer appellant A] optreedt als financier dan wel handelingen verricht voor de coffeeshop die verder gaan dan het slechts ontvangen van een winstaandeel. De lening is als onderhandse lening opgenomen op de jaarrekening van de coffeeshop en is niet neergelegd in een overeenkomst. Uit door de Belastingdienst verstrekte informatie komt naar voren dat [voormalig partner] over onvoldoende vermogen beschikte om een dergelijke lening te verstrekken. Voorts wordt in aanmerking genomen dat [voormalig partner] de lening heeft verstrekt aan [broer appellant A] en niet aan [appellant A] of zijn voormalige partner [appellant B]. Bovendien is uit navraag gebleken dat [broer appellant A] de lening is aangegaan buiten medeweten van [appellant A]. Dat, naar [appellanten] stellen, [voormalig partner] [appellant A] niet goed genoeg kende om een lening te verstrekken, doet aan het voorgaande niet af.

Voorts is in de koopovereenkomst van 31 januari 2007 onder meer bepaald dat [appellant A] een borgsom van € 155.000,00 aan [bedrijf] dient te voldoen. Daarnaast zijn de ontbindende voorwaarden opgenomen dat binnen zes weken na ondertekening van de overeenkomst een passende financiering moet worden verkregen en dat een exploitatievergunning moet worden verkregen voor het drijven van een coffeeshop aan de [locatie 2]. Op 2 april 2007 heeft [appellant A] de borgsom van € 155.000,00 naar de kwaliteitsrekening van Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen overgemaakt. Uit de door [appellanten] overgelegde vaststellingsovereenkomst tussen [appellant A] en [broer appellant A] van 8 februari 2012 volgt dat partijen hebben verklaard dat het bevoegde gezag de vereiste medewerking voor de verplaatsing van de coffeeshop naar het pand aan de [locatie 2] niet heeft verleend. Gelet hierop, valt niet in te zien waarom de burgemeester niet ervan uit mocht gaan dat de in de koopovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde was ingetreden als gevolg waarvan [appellant A] de door hem betaalde borgsom van € 155.000,00 zou moeten terugontvangen.

Met de rechtbank is de Afdeling verder van oordeel dat aan de door [broer appellant A] en [appellant A] ten overstaan van de notaris onder ede afgelegde verklaringen over het voorval dat heeft geleid tot de veroordeling van [broer appellant A] van 20 augustus 2009 niet de door [appellanten] daaraan gewenste betekenis kan worden toegekend, reeds omdat deze niet worden ondersteund door controleerbare objectieve gegevens.

Nu de CIE-informatie niet op zichzelf staat en in dezelfde richting wijst als de andere feiten en omstandigheden die aan het vermoeden van het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband ten grondslag zijn gelegd, mocht de burgemeester daaraan betekenis toekennen.

De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat de burgemeester zich op grond van de aan de weigering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, op het standpunt mocht stellen dat [broer appellant A] tot [appellanten] in een zakelijk samenwerkingsverband staat. Daarbij geldt dat feiten en omstandigheden daterende van voor de weigering bij de beoordeling mogen worden betrokken. Anders dan [appellanten] stellen, is aan het vermoeden van het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband niet slechts de familierelatie tussen [appellant A] en [broer appellant A] ten grondslag gelegd.

Het betoog faalt.

7. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester ten onrechte heeft aangenomen dat de door [broer appellant A] gepleegde strafbare feiten tevens verband houden met witwassen. Verder heeft de burgemeester op geen enkele wijze gemotiveerd dat de vermoedelijk door [broer appellant A] gepleegde strafbare feiten en de activiteiten van de coffeeshop waarvoor de vergunning is aangevraagd in relatie tot elkaar staan. Niet is gebleken dat [broer appellant A] feiten heeft begaan waaruit hij voordeel heeft genoten. Indien dit al het geval zou zijn, dan is niet gebleken dat dit voordeel ten goede is gekomen aan de coffeeshop of dat de feiten waarmee de voordelen zouden zijn verkregen samenhangen met de exploitatie van de coffeeshop, aldus [appellanten].

7.1. Niet in geschil is dat [broer appellant A] in 2002, 2004 en 2009 is veroordeeld wegens het handelen in strijd met de Opiumwet, zodat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze feiten erop wijzen dat [broer appellant A] in strijd handelt met de Opiumwet. Aan het vermoeden dat [broer appellant A] in strijd handelt met de Opiumwet en zich schuldig maakt aan witwassen is ten grondslag gelegd dat uit politiemutaties van 30 mei 2005, 19 augustus 2005, 10 juni 2009 en 17 oktober 2010 volgt dat [broer appellant A] in verband wordt gebracht met het handelen in strijd met de Opiumwet. Voorts kan op grond van informatie over de leningen van [voormalig partner] en [appellant B] niet worden uitgesloten dat sprake is van een witwasconstructie. Uit informatie van de Financial Intelligence Unit Nederland (hierna: FIU-NL) volgt verder dat zeventien transacties ten name van [broer appellant A] gedurende de periode van februari 2000 tot en met april 2010 als verdacht zijn aangemerkt waarvan het totaalbedrag € 2.795.725,16 bedraagt. Bij vier transacties voor een totaalbedrag van € 2.564.268,00 bestaat volgens de FIU-NL aanleiding te veronderstellen dat deze mogelijk verband houden met witwassen. Bovendien volgt uit een proces-verbaal van bevindingen van 16 februari 2011 dat op 8 februari 2011 in de woning van [broer appellant A] en zijn partner, de garage en hun beider auto’s omvangrijke hoeveelheden verdovende middelen en grote bedragen aan contant geld zijn aangetroffen waarvoor geen deugdelijke verklaring is gegeven. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester zich niet op het standpunt mocht stellen dat een vermoeden bestaat dat [broer appellant A] in strijd handelt met de Opiumwet en zich schuldig maakt aan witwassen. De rechtbank heeft verder terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006 in zaak nr. 200602949/1 overwogen dat niet is vereist dat de strafbare feiten in het kader van het zakelijk samenwerkingsverband hebben plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

8. Voorts voeren [appellanten] aan dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester het ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob niet deugdelijk heeft gemotiveerd, nu dit uitsluitend is gebaseerd op vermoedens en suggestieve aannames. Volgens [appellanten] ontbreekt iedere grondslag voor het vermoeden dat zij in relatie staan tot strafbare feiten en dat zij uit de vermoedelijk gepleegde feiten voordelen hebben genoten, die ten goede zijn gekomen aan de coffeeshop.

8.1. Gelet op hetgeen in 5.1, 6.1. en 7.1. is overwogen, mocht de burgemeester aannemelijk achten dat [appellant A] in relatie staat tot strafbare feiten die verband houden met de handel in drugs. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester dit vermoeden niet als ernstig mocht aanmerken. De burgemeester mocht het verkregen dan wel te verkrijgen voordeel, gelet op de frequentie en duur van de betrokkenheid en de omvang van de hoeveelheid aangetroffen drugs en geldbedragen, als groot aanmerken. De rechtbank heeft voorts terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009 in zaak nr. 200809243/1/H3 overwogen dat drugsgerelateerde delicten er naar hun aard op zijn gericht om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen, zodat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit de gepleegde strafbare feiten voortkomende voordelen te benutten.

Voorts heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2012 in zaak nr. 201102807/1/A3 overwogen dat voldoende samenhang bestaat tussen de activiteiten waartoe de exploitatievergunning strekt en de strafbare feiten waarmee [appellant A] en [broer appellant A] in verband worden gebracht, omdat een dergelijke vergunning het plegen van deze strafbare feiten kan faciliteren. Daarbij heeft de burgemeester terecht het aantal gepleegde strafbare feiten in aanmerking genomen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Het betoog faalt.

9. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen aanknopingspunt bestaat voor de conclusie dat de burgemeester de op hem rustende vergewisplicht heeft geschonden. Zij voeren aan dat de burgemeester ten onrechte heeft aangenomen dat de adviezen van het Bureau op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en de daarin vermelde feiten de conclusies kunnen dragen. Nu zij de inhoud van de adviezen gemotiveerd hebben bestreden, had de burgemeester volgens [appellanten] aanleiding moeten zien om zelf onderzoek te verrichten dan wel te onderzoeken of de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand waren gekomen. In dat kader had het op de weg van de burgemeester gelegen om een nader advies te vragen aan het Bureau. Voorts heeft de rechtbank miskend dat zij, ondanks dat zij in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze op het voornemen tot weigering in te dienen en gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid tot inzage in de adviezen, geen reële kans hebben gehad om zich in deze procedure te verdedigen, aldus [appellanten].

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2007 in zaak nr. 200606025/1), mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester de adviezen van het Bureau niet aan de weigering van de exploitatievergunning ten grondslag mocht leggen. Anders dan [appellanten] betogen, kunnen de in de adviezen vermelde feiten en omstandigheden de conclusies dragen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bibob. De burgemeester was niet gehouden om zelf onderzoek te doen. De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [appellanten] door de beperkte mogelijkheid van inzage in de adviezen op ontoelaatbare wijze in hun verweermogelijkheden zijn geschaad. Zij hebben op 8 augustus 2011 een zienswijze ingediend tegen het voornemen tot weigering en hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de adviezen in te zien. [appellanten] hebben zich derhalve gedurende de gehele procedure kunnen verdedigen tegen de inhoud van de adviezen.

Het betoog faalt.

10. Ten slotte voeren [appellanten] aan dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering niet evenredig is met de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten. De burgemeester heeft verder ten onrechte geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om aan de vergunning voorschriften te verbinden die zijn gericht op het wegnemen of beperken van het gevaar, aldus [appellanten].

10.1. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de weigering niet evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten.

Nu de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat een ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob, heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat ingevolge het zevende lid van dit artikel geen ruimte bestaat voor de burgemeester om voorschriften aan de exploitatievergunning te verbinden.

Het betoog faalt.

11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

176-697.