Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201205323/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2012:BW4275, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2010 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van informatie over een strafrechtelijk onderzoek naar het frauderen bij het aan land brengen van vis afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205323/2/A3.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Apeldoorn,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 april 2012 in zaak nr. 11/403 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2010 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van informatie over een strafrechtelijk onderzoek naar het frauderen bij het aan land brengen van vis afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen ten aanzien van bepaalde nader vermelde documenten en voor het overige gehandhaafd, zij het met verbetering van de gronden waarop het rust.

Bij uitspraak van 25 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 juli 2012 heeft [appellante] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mrs. C.G. Zandee en W.G. van Duijn, beiden werkzaam in dienst van het Ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 12 juni 2013 heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen vier weken, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, een gebrek in het besluit van 14 maart 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De staatssecretaris heeft ter uitvoering van die tussenuitspraak op 4 juli 2013 een nieuw besluit genomen.

Bij brief van 25 juli 2013 heeft [appellante] daarover een zienswijze ingediend.

Bij tussenuitspraak van 4 september 2013 heeft de Afdeling de staatssecretaris opnieuw opgedragen om binnen vier weken, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, het gebrek in het besluit van 14 maart 2011 te herstellen. Ook deze tussenuitspraak is aangehecht.

De staatssecretaris heeft het besluit van 4 juli 2013 ter uitvoering van die tussenuitspraak bij brief van 25 september 2013 ingetrokken en de motivering van dat van 14 maart 2011 nader aangevuld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nader onderzoek van de zaak ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Gelet op hetgeen onder 8.1 van de tussenuitspraak van 12 juni 2013 is overwogen, is het hoger beroep van [appellante] gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] tegen het besluit van 14 maart 2011 ingestelde beroep gegrond verklaren. Dat besluit wordt wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vernietigd.

2. Er is evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe wordt overwogen dat het college bij de brief van 25 september 2013 de motivering van het besluit van 14 maart 2011 nader heeft aangevuld door per onleesbaar gemaakte passage van de desbetreffende documenten te vermelden, welke gronden in dat besluit aan de weigering ten grondslag zijn gelegd. Daarmee is het gebrek in de motivering van het besluit van 14 maart 2011 opgeheven. Voorts valt uit hetgeen onder 4 tot en met 7 in de tussenuitspraak van 12 juni 2013 is overwogen af te leiden dat de overige beroepsgronden die [appellante] tegen de uitspraak van 25 april 2012 heeft aangevoerd niet slagen.

3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 april 2012 in zaak nr. 11/403;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 14 maart 2011, kenmerk DGB/2010/8412;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Financiën tot vergoeding aan [appellante] van bij deze in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2124,00 (zegge: tweeduizend honderdvierentwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de staatssecretaris van Financiën aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

589.