Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1902

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201301300/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:1396, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2011 heeft het college het adres van [appellante] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) met ingang van 21 november 2011 ambtshalve gewijzigd wegens vertrek met onbekende bestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301300/1/A3.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Almere,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 december 2012 in zaak nr. 12/1032 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2011 heeft het college het adres van [appellante] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) met ingang van 21 november 2011 ambtshalve gewijzigd wegens vertrek met onbekende bestemming.

Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2013, waar het college, vertegenwoordigd door P.H. Oostendorp, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het college betoogt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat [appellante] hierbij geen belang meer heeft. Daartoe voert het college aan dat [appellante] thans in de gba staat ingeschreven op het adres [locatie A] te Almere en zij in het hogerberoepschrift haar stelling dat zij schade heeft geleden niet heeft gehandhaafd.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr. 200106139/1), kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep onder meer bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het bij de rechtbank bestreden besluit.

[appellante] heeft in beroep gesteld dat zij als gevolg van het besluit van 16 april 2012 geen uitkering kon aanvragen en vijf maanden geen inkomsten en geen zorgverzekering heeft gehad. Aldus heeft [appellante] tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het besluit van 16 april 2012 schade heeft geleden.

Het betoog faalt.

2. Aan het besluit van 16 april 2012 heeft het college ten grondslag gelegd dat het informatie heeft ontvangen dat [appellante] het in de gba opgenomen adres [locatie B] niet langer als briefadres in gebruikt heeft. Bij gebreke van een aangifte door [appellante] van een adreswijziging en bij gebrek aan gegevens over haar feitelijke woonadres, moet het in de gba geregistreerde adres worden gewijzigd in vertrokken met onbekende bestemming, aldus het college.

3. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2011 in zaak nr. 201102545/1/H3, overwogen dat het college het woonadres van [appellante] terecht heeft gewijzigd in vertrokken met onbekende bestemming, omdat [appellante] onbereikbaar is gebleven nu zij haar adres niet heeft gewijzigd.

4. Het college heeft in het verweerschrift in hoger beroep erkend dat, anders dan in het besluit van 16 april 2012 is gesteld, [appellante] niet onbereikbaar was en het college ten tijde van dit besluit kennis had van haar feitelijke woonadres. Volgens het college is de conclusie gerechtvaardigd dat [appellante] in de periode van 13 juli 2010 tot en met 16 augustus 2012 verbleef op het adres [locatie C] te Almere. Omdat [appellante] heeft nagelaten aangifte te doen had het op de weg van het college gelegen om het adres van [appellante] ambtshalve te wijzigen in dat adres, aldus het college.

5. Gelet op hetgeen in 4 is overwogen is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen [appellante] in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep tegen het besluit van 16 april 2012 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Nu het college zich op het standpunt stelt dat het adres van [appellante] ten onrechte ambtshalve is gewijzigd in vertrokken met onbekende bestemming en had moeten worden gewijzigd in het adres [locatie C] te Almere, bestaat aanleiding het besluit van 21 november 2011 te herroepen, te bepalen dat [appellante] voor de periode 21 november 2011 tot 16 augustus 2012 haar adres had op de [locatie C] te Almere en deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. Het college moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 december 2012 in zaak nr. 12/1032;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere van 16 april 2012, kenmerk PZ/buza/PO;

V. herroept het besluit van 21 november 2011, kenmerk PZ/BUZA;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 april 2012;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almere tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het in beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

382-782.