Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201301263/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woonhuis met garage op het perceel [locatie A] te Luyksgestel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301263/1/A1.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Luyksgestel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 december 2012 in zaak nr. 12/2847 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woonhuis met garage op het perceel [locatie A] te Luyksgestel (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 31 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2013, waar het college, vertegenwoordigd door B. van Dorsten, werkzaam in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 18.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 18.2, aanhef en onder b, is nieuwbouw van woningen niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw.

2. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het in nieuwbouw voorziet. Om realisering ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college daarvoor krachtens artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning verleend.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" heeft ingesteld. Voorts heeft zij, door te overwegen dat tegenover het verdwijnen van de zichtlijn vanuit zijn woning richting het zuiden grote kwaliteitswinst staat op de locatie [locatie B] te Bergeijk, miskend dat deze gebieden kilometers van elkaar verwijderd liggen. Verder heeft zij miskend dat het college ten onrechte geen alternatieven heeft onderzocht, aldus [appellant].

3.1. In het in beroep aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Dat [appellant] tegen de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" beroep heeft ingesteld, leidt niet tot het met die stelling beoogde resultaat, reeds omdat de omgevingsvergunning is verleend voor het afwijken van dat bestemmingsplan, nog daargelaten dat het door hem ingestelde beroep bij de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2013 in zaak nr. 201110578/1/R3 ongegrond is verklaard. Het college heeft toegelicht dat de zichtlijn vanuit de woning van [appellant] richting het zuiden verdwijnt, maar dat daartegenover staat dat grote kwaliteitswinst wordt geboekt op de locatie [locatie B] te Bergeijk. Op het moment dat de verleende omgevingsvergunning in rechte onaantastbaar is, zullen de stallen op die locatie worden gesloopt. De rechtbank heeft met juistheid geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze locatie te ver verwijderd ligt van het perceel om de beoogde sloop van de daarop aanwezige stallen bij de beoordeling van het bouwplan te mogen betrekken. Voorts kan de stelling dat geen alternatieven voor het bouwplan zijn onderzocht [appellant] evenmin baten, nu het bestuursorgaan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 14 november 2012 in zaak nr. 201201720/1/A1), dient te beslissen op de aanvraag, zoals die is ingediend. Dat er alternatieven zijn, waarvan op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren, is niet gesteld.

Het betoog faalt.

4. Voor het eerst in hoger beroep betoogt [appellant] dat de besluitvorming, gelet op de voortvarendheid en de inspanningen die daarbij zijn betracht en het feit dat een [vergunninghouder] raadslid is, op oneigenlijke wijze is beïnvloed

4.1. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is aan te nemen dat [appellant] dit niet bij de rechtbank heeft kunnen aanvoeren, kan het aangevoerde niet tot vernietiging van haar uitspraak leiden.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

357-757.