Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201205826/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBASS:2012:731, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 49
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Wet ruimtelijke ordening 6.2
Wet ruimtelijke ordening 6.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2014/3160 met annotatie van M.G.O. De lange
JB 2013/262
JOM 2014/613
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205826/1/A2.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Peize, gemeente Noordenveld, (hierna samen en in enkelvoud: [appellant])

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 3 mei 2012 in zaak nr. 11/448 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2013, waar

[appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.W. Kuiper, werkzaam bij de gemeente Noordenveld, bijgestaan door mr. W.H.J. van Erk, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 29 mei 2013 in zaak nr. 201205826/1/T1/A2 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek te herstellen en een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Bij besluit van 30 juli 2013 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant], het besluit van 20 april 2010 herzien, in die zin dat de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade op andere gronden wordt afgewezen.

Bij brief van 14 augustus 2013 heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid, een bepaling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, betrekt het college met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.

2. [appellant] is sinds 25 november 1976 eigenaar van het perceel en de daarop gelegen woning aan de [locatie] in Peize (hierna: het perceel). Hij heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het door de raad op 27 oktober 2005 vastgestelde en door gedeputeerde staten van Groningen op 30 mei 2006 goedgekeurde bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Westerd II". Dit plan heeft op de gronden ten noorden van het perceel de realisering respectievelijk uitbreiding van het bedrijventerrein De Westerd mogelijk gemaakt. Voorheen hadden die gronden een agrarische bestemming. Bij het besluit van 19 mei 2011 heeft het college de afwijzing van het verzoek gehandhaafd en zich daarbij gebaseerd op het advies van de SAOZ van maart 2010 en haar nader advies van 7 december 2010. De SAOZ heeft geconcludeerd dat de door [appellant] geleden schade, die is getaxeerd op € 40.000,00, geheel anderszins is verzekerd, aangezien [appellant] agrarische gronden aan de gemeente heeft verkocht waarbij hij een meerwaarde heeft ontvangen die de hoogte van de planschade overschrijdt.

3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat niet in geschil is dat de planologische wijziging voor [appellant] heeft geleid tot planschade en dat die schade € 40.000,00 bedraagt. De Afdeling heeft geoordeeld dat nu het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de planschade anderszins is verzekerd, het besluit van 19 mei 2011 in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college is opgedragen het gebrek in dit besluit te herstellen en in het nieuwe besluit alsnog te bepalen of, en zo ja, in hoeverre de door [appellant] geleden schade binnen het normale maatschappelijke risico valt en krachtens artikel 6.2, eerste lid, van de Wro geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening behoort te blijven.

4. Gelet op dit oordeel van de Afdeling in de tussenuitspraak, is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 mei 2011 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 6.1 van de Wro vernietigen.

5. Bij besluit van 30 juli 2013 heeft het college, ter uitvoering van de tussenuitspraak en in navolging van een advies van de SAOZ van 25 juli 2013, opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant], het besluit van 20 april 2010 herzien, in die zin dat de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade op andere gronden wordt afgewezen. Volgens de SAOZ heeft [appellant] door het vrijwillig verkopen van gronden aan de gemeente ten behoeve van het nieuwe bedrijventerrein, bewust het risico genomen dat het bedrijventerrein dichter bij zijn perceel en woning zou kunnen worden gerealiseerd. Indien hij die medewerking niet had verleend, had het mogelijke bedrijventerrein op een afstand van minimaal 93 m van het woonperceel en ongeveer 124 m van de woning kunnen worden gerealiseerd in plaats van thans op een afstand van ongeveer 40 m en 70 m. Rekening houdend met deze grotere afstand, zou het planologisch nadeel en daarmee de schade ten gevolge van het bedrijventerrein voor [appellant] beduidend lager uitgevallen zijn, te weten niet € 40.000,00, maar € 7.500,00. De SAOZ heeft geconcludeerd dat [appellant] door het actief verlenen van medewerking aan de gemeente ten behoeve van het nieuwe bedrijventerrein, de daardoor ontstane schade in overwegende mate heeft aanvaard. De SAOZ heeft voorts geconcludeerd dat de planologische wijziging als een in de algemene lijn der verwachting liggende normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden gezien en dat dit voor [appellant], gezien zijn uitdrukkelijke medewerking aan de verkoop, in verhoogde mate geldt. Verder past de nieuwbouw binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur en het al langer bekende gemeentelijk ruimtelijk beleid. De afstanden van het nieuwe terrein tot het perceel en de woning van [appellant] zijn betrekkelijk ruim, maar de invloed ervan is volgens de SAOZ duidelijk merkbaar. De SAOZ is, het aspect risicoaanvaarding in aanmerking nemende, tot de slotsom gekomen dat de niet voorzienbare schade van € 7.500,00 als zeer licht moet worden gekwalificeerd en voor [appellant] zodanig gering is, dat die geheel als behorende tot het normaal maatschappelijk risico kan worden gerekend.

6. Uit het bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht behorende overgangsrecht volgt dat, nu het nieuwe besluit is bekendgemaakt na 31 december 2012, dit moet worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dit geldt sinds de inwerkingtreding van deze wet.

Het besluit van 30 juli 2013 is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van dit geding.

7. [appellant] betoogt in zijn zienswijze dat het college in het besluit van 30 juli 2013 ten onrechte het advies van de SAOZ van 25 juli 2013 heeft gevolgd. Hij voert aan dat de SAOZ ten onrechte is uitgegaan van een schade van € 7.500,00. Voorts heeft zij ten onrechte geconcludeerd dat de schade zodanig gering is dat die tot het normaal maatschappelijk risico behoort, aldus [appellant].

7.1. In de tussenuitspraak is vastgesteld dat de door [appellant] geleden planschade € 40.000,00 bedraagt en is het college opgedragen te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de planschade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Hieraan heeft college, in navolging van de SAOZ in haar advies van 25 juli 2013, een onjuiste uitvoering gegeven. De SAOZ is bij de beoordeling of, en zo ja, in hoeverre de door [appellant] geleden schade binnen het normale maatschappelijke risico valt ten onrechte uitgegaan van een lagere planschade van € 7.500,00. Zij is tot dat schadebedrag gekomen door in het kader van risicoaanvaarding te beoordelen of de planschade voorzienbaar was en heeft vervolgens bezien of de niet voorzienbare schade groot € 7.500,00 tot het normaal maatschappelijk risico behoort. De SAOZ gaat hiermee eraan voorbij dat de voorzienbaarheid, zoals volgt uit artikel 6.3 van de Wro, betrekking heeft op de planologische wijziging en niet op de omvang van de schade. Zij had bij de beoordeling of de planschade binnen het normaal maatschappelijk risico valt en krachtens artikel 6.2, eerste lid, van de Wro voor rekening van [appellant] behoort te blijven, dienen uit te gaan van een niet in geschil zijnde planschade van € 40.000,00. Van deze toetsing staat los de vraag of de door [appellant] geleden planschade voor zijn rekening dient te blijven wegens voorzienbaarheid van de schadeoorzaak. Die vraag wordt beantwoord aan de hand van bekend gemaakte concrete beleidsvoornemens ten tijde van de koop van het perceel door [appellant]. Gelet op het voorgaande heeft het college het advies van de SAOZ van 25 juli 2013 niet aan zijn besluit van 30 juli 2013 ten grondslag kunnen leggen.

Het betoog slaagt.

8. Het beroep tegen het besluit van 30 juli 2013 is gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 6.1 van de Wro te worden vernietigd. Hetgeen [appellant] overigens tegen het besluit van 30 juli 2013 heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De SAOZ heeft in het advies van 25 juli 2013 geconcludeerd dat als bij de omvang van de planschade wordt voorbijgegaan aan het aspect risicoaanvaarding, de schade zeker niet zodanig gering van omvang is dat dat aanleiding zou kunnen en moeten vormen om de schade tot het normaal maatschappelijk risico te rekenen. Volgens de SAOZ zou een schade van € 40.000,00 neerkomen op een schadepercentage van 5%, hetgeen een betrekkelijk zware schade is, en die zou niet als behorend tot het normaal maatschappelijk risico worden aangemerkt. Voorts heeft de SAOZ in het advies van maart 2010 geconcludeerd dat de planologische wijziging voor [appellant] ten tijde van de koop van zijn woning niet voorzienbaar was. Gelet hierop zal de Afdeling bepalen dat het college aan [appellant] als tegemoetkoming in planschade een bedrag van € 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2009, de datum waarop het college de aanvraag van [appellant] heeft ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening, betaalt. Het besluit van 20 april 2010 zal worden herroepen. De Afdeling zal tevens bepalen dat dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 3 mei 2012 in zaak nr. 11/448;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 19 mei 2011, kenmerk U11.05478;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 30 juli 2013, kenmerk U13.09508, gegrond;

VI. vernietigt dat besluit;

VII. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld aan [appellanten] als een tegemoetkoming in planschade een bedrag van € 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2009 tot aan de dag van algehele vergoeding, betaalt;

VIII. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 20 april 2010, kenmerk U10.05045;

IX. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 juli 2013;

X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

609.