Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201112348/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge 2011" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/171 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2013/175 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2013/176 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2014/9 met annotatie van S.M. van Velsen
OGR-Updates.nl 2013-0315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112348/1/R3.

Datum uitspraak: 13 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Oudenbosch, gemeente Halderberge,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Oud-Gastel, gemeente Halderberge,

4. [appellanten sub 4] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

5. [appellant sub 5], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

6. [appellant sub 6], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

7. [appellanten sub 7] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]), beiden wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,

8. [appellant sub 8], wonend te Bosschenhoofd, gemeente Halderberge,

9. [appellant sub 9], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

10. [appellant sub 10], wonend te Roosendaal,

11. [appellanten sub 11] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 11]), gevestigd respectievelijk wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,

12. de stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging IVN Vogel- en Natuurbescherming Etten-Leur en omstreken (hierna: de BMF en de IVN), gevestigd te Tilburg respectievelijk Etten-Leur,

13. [appellanten sub 13] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]), wonend te Oudenbosch, gemeente Halderberge,

14. [appellant sub 14], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

15. [appellant sub 15], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

16. [appellanten sub 16] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]), beiden wonend te Halderberge,

17. [appellanten sub 17], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,

18. [appellanten sub 18] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 18]), beiden wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autobedrijf Succes B.V., gevestigd te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

20. [appellant sub 20], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,

21. [appellant sub 21], wonend te Hoeven,

22. [appellanten sub 22] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 22]), wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

23. [appellante sub 23], gevestigd te Hoeven, gemeente Halderberge,

24. [appellant sub 24], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

25. [appellant sub 25], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,

26. [appellant sub 26], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

27. [appellante sub 27], gevestigd te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

28. [appellante sub 28], gevestigd te Hoeven, gemeente Halderberge,

29. [appellante sub 29], gevestigd te Stampersgat, gemeente Halderberge,

30. de minister van Defensie (hierna: de minister),

31. [appellant sub 31], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,

32. de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Halderberge, (hierna: de ZLTO), gevestigd te Hoeven, gemeente Halderberge,

33. [appellant sub 33], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

34. [appellant sub 34], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

35. [appellanten sub 35] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 35]), wonend te Oud-Gastel, gemeente Halderberge,

en

de raad van de gemeente Halderberge,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 11], BMF en IVN, [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellanten sub 17], [appellant sub 18], Autobedrijf Succes B.V., [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellante sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 26], [appellante sub 27], [appellante sub 28], [appellante sub 29], de minister, [appellant sub 31], de ZLTO, [appellant sub 33], [appellant sub 34] en [appellant sub 35] beroep ingesteld.

Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Een aantal partijen heeft daarop een zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10, 11 en 12 juni 2013, waar een aantal appellanten zich heeft doen vertegenwoordigen of in persoon, al dan niet bijgestaan door een raadsman, is verschenen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn toegelaten tot het geding.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Beroepen tegen plandelen waarvoor een reactieve aanwijzing is gegeven

2. Bij besluit van 1 november 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant de raad enige reactieve aanwijzingen gegeven die er toe strekken dat de plandelen waarop de aanwijzingen betrekking hebben geen onderdeel blijven uitmaken van het plan zoals dat is vastgesteld.

3. Het beroep van [appellante sub 23] heeft betrekking op de bestemmingsregeling voor haar perceel aan de [locatie 1] te Hoeven. Die regeling is niet in werking getreden ten gevolge van een reactieve aanwijzing.

Het beroep van [appellanten sub 17] heeft betrekking op de bestemmingsregeling voor het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van hun perceel aan de [locatie 2] te Hoeven. Nu dit plandeel een omvang heeft van meer dan 1500 m2 is het plandeel, zoals volgt uit hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 24 van de uitspraak van heden in zaak nr. 201112843/1/R3, ten gevolge van een reactieve aanwijzing niet in werking getreden.

4. In artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de behandeling van het bezwaar of beroep in dat geval worden aangehouden tot het begin van die termijn.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 december 2011, zaak nr. 201002914/1/R3) moet het er gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling voor worden gehouden dat deze uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat de bekendmaking van het besluit nog niet heeft plaatsgevonden, maar zeker is dat de bekendmaking op afzienbare termijn zal plaatsvinden, waarmee de termijn voor het instellen van het beroep een aanvang zal nemen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 129). Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Overigens heeft de Afdeling bij de uitspraak van heden in zaak nr. 201112843/1/R3, de beroepen tegen de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel [locatie 1] en tegen de reactieve aanwijzing met betrekking tot de percelen met de bestemming "Wonen" van groter dan 1500 m2 ongegrond verklaard.

5. De beroepen van [appellante sub 23] en [appellanten sub 17] zijn niet-ontvankelijk.

6. Ten overvloede overweegt de Afdeling naar aanleiding van het betoog van [appellanten sub 17] het volgende.

6.1. Ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, onder a, van de planregels mag per bestemmingsvlak het aantal woningen niet meer bedragen dan één (…).

Ingevolge het bepaalde onder 24.2.2 gelden voor het bouwen van woningen de volgende regels:

a. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.

b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m.

c. De inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m³ (…).

Ingevolge artikel 34, lid 34.1, gelden met betrekking tot bestaande maten de volgende regels:

a. De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden.

(…).

6.2. De raad heeft ter zitting heeft verklaard dat de woonboerderij van [appellanten sub 17], die een inhoud heeft van meer dan 750 m3, in zijn geheel moet worden aangemerkt als woning als bedoeld in artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, onder a, van de planregels waarvoor ingevolge artikel 34, lid 34.1, onder a, niet de onder 24.2.2 opgenomen maten gelden, maar de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande maten. Voorts heeft de raad verklaard dat het plan geen verschillende regels kent voor het gebruik van woningen en bijgebouwen.

Het beroep van [appellant sub 1]

7. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan voor zover de bestemming "Agrarisch" is toegekend aan zijn perceel ten westen van [locatie 3] te Hoeven. Hij voert aan dat een woonbestemming had moeten worden toegekend aan dit perceel. Hij wijst er op dat hoewel het perceel niet is aangewezen als zoekgebied in de "Gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties gemeente Halderberge" (hierna: de Gebiedsvisie), er voor dit perceel volgens de Gebiedsvisie mogelijkheden zijn voor herstructurering en voor het toevoegen van een nieuwe zogeheten ruimte-voor-ruimte-woning. Verder voert [appellant sub 1] aan dat zijn perceel niet in de Gebiedsvisie als zoeklocatie is aangemerkt, omdat op het perceel tot 14 februari 2010 een voorkeursrecht lag. Voorts wijst hij er op dat er geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen een woonbestemming en dat een woning past in de omgeving. Hij wijst er op dat de percelen direct aan weerskanten van zijn perceel een woonbestemming hebben en bebouwd zijn met een woning. Verder hebben de vijf nabijgelegen percelen Achter 't Hof 15 tot en met 17c een woonbestemming en ligt tegenover zijn perceel de kern van Hoeven. Tot slot wijst hij er op dat zijn perceel binnen de bebouwde kom ligt en dat met een woning de rafelige bebouwingsstructuur aan de Achter 't Hof kan worden weggenomen. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat onder het hiervoor geldende plan een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen voor toepassing van de ruimte-voor-ruimte-regeling.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat volgens het gemeentelijk en provinciaal beleid verstening van het buitengebied moet worden tegengegaan. Volgens het gemeentelijk beleid kunnen enkel nieuwe burgerwoningen aan het buitengebied worden toegevoegd indien gebruik wordt gemaakt van de ruimte-voor-ruimte-regeling. Om te kunnen voldoen aan deze regeling is het noodzakelijk dat het betreffende perceel is opgenomen in de Gebiedsvisie. De raad stelt dat bij het al dan niet opnemen van locaties in de Gebiedsvisie niet van belang is geweest wat de eigendomssituatie is. Dat een voorkeursrecht op het perceel lag, heeft volgens de raad derhalve niet meegespeeld in de vraag of het perceel moest worden opgenomen in de Gebiedsvisie. Enkel planologische en stedenbouwkundige aspecten zijn hierbij meegewogen. De raad stelt verder dat het perceel volgens de Gebiedsvisie valt binnen een bebouwingsconcentratie. Binnen dergelijke gebieden is volgens de Gebiedsvisie wel herstructurering mogelijk. Bij herstructurering is toevoeging van een woning toegestaan indien op het perceel zelf bebouwing eerst wordt gesloopt. Aangezien op het perceel geen bebouwing aanwezig is, is herstructurering en toevoeging van een nieuwe woning niet mogelijk. Volgens de raad doen zich verder geen omstandigheden voor op grond waarvan van het beleid in de Gebiedsvisie zou moeten worden afgeweken en is om die reden geen woonbestemming aan het perceel toegekend.

7.2. Aan het perceel van [appellant sub 1] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn deze gronden bestemd voor agrarisch gebruik en grondgebonden agrarische bedrijven.

Verder kent artikel 38.8 een algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een ruimte-voor-ruimte woning. Daarbij mag onder andere de bestemming "Agrarisch" in "Wonen" worden gewijzigd, maar alleen binnen een zoeklocatie ruimte-voor-ruimte.

In het hiervoor geldende plan "Buitengebied Deelgebieden Hoeven - Oudenbosch" was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Ingevolge artikel 8 van de planvoorschriften van dit plan was op dit perceel geen woningbouw mogelijk.

7.3. Blijkens de Gebiedsvisie ligt het perceel van [appellant sub 1] in een bebouwingsconcentratie als bedoeld in die visie. Het perceel is niet aangewezen als zoeklocatie, maar wel als gebied met mogelijkheden voor herstructurering.

In paragraaf 3.3.3 van de Gebiedsvisie zijn de mogelijkheden voor herstructurering als volgt omschreven: "Herstructurering is het herschikken van bestaande bebouwing op een bestaand erfperceel bijvoorbeeld door het toepassen van een sloop-bonus regeling. Het toevoegen van extra bebouwing, bijvoorbeeld via een ruimte-voor-ruimte-bouwrecht, is ook mogelijk binnen deze aanduiding. Er is hiervoor op de bestaande bebouwing geen specifieke aanduiding opgenomen."

Vast staat dat het perceel van [appellant sub 1] in een bebouwingsconcentratie ligt. Uit de Gebiedsvisie volgt dat nieuwe burgerwoningen hier in beginsel niet zijn toegestaan omdat verstening van het buitengebied moet worden tegengegaan. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de Gebiedsvisie in dit opzicht kennelijk onredelijk is. [appellant sub 1] heeft geen omstandigheden aangedragen op grond waarvan de raad in afwijking van zijn beleid het betreffende perceel een woonbestemming had moeten toekennen dan wel als zoeklocatie voor een ruimte-voor-ruimte woning had moeten aanwijzen. Het betoog faalt.

7.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

8. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover dat ziet op de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" die zijn toegekend aan het deel van zijn perceel waarop thans een mestsilo staat, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

9. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - statische opslag", die is toegekend aan het perceel [locatie 4] te Oudenbosch. Volgens hem had een agrarische bestemming moeten worden toegekend in samenhang met een aanduiding voor de statische opslag. Hij vreest dat gezien de bestemming "Wonen" in de toekomst het gebruik voor statische opslag in de toekomst niet meer is toegestaan.

9.1. Aan het perceel is de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - statische opslag" toegekend.

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor onder andere statische (binnen)opslag ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - statische opslag".

In artikel 1 is statische (binnen)opslag omschreven als binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf. Het betreft bijvoorbeeld (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke.

9.2. Niet in geschil is dat [appellant sub 2] zich kan verenigen met de mogelijkheden die het ter beoordeling staande plan biedt voor statische opslag op zijn perceel. De Afdeling ziet in de enkele stelling dat in een toekomstig bestemmingsplan wellicht de statische opslag niet langer mogelijk wordt gemaakt geen grond voor het oordeel dat de raad niet de bestemming "Wonen" had mogen toekennen aan het perceel, maar een agrarische bestemming had moeten toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het toekennen van een agrarische bestemming evenmin de door [appellant sub 2] gewenste zekerheid biedt dat statische opslag mogelijk blijft, aangezien de raad zich, indien hij in de toekomst een nieuw bestemmingsplan vaststelt, opnieuw een oordeel dient te vormen over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bestemming en de daarbij behorende mogelijkheden.

9.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2], voor het overige, ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

10. De raad stelt dat [appellante sub 3] geen belanghebbende is, omdat zij ten tijde van het indienen van het beroepschrift geen eigenaar was van het perceel [locatie 5].

Verder stelt hij dat het beroep van [appellante sub 3] niet-ontvankelijk is, nu zij geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerp van het plan. Verder heeft voor het perceel [locatie 5], waarop het beroep betrekking heeft, geen wijziging ten opzichte van het ontwerp van het plan plaatsgevonden.

10.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

10.2. Over de belanghebbendheid van [appellante sub 3] overweegt de Afdeling dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 december 2011 in zaak nr. 200909566/1) dat de hoedanigheid van belanghebbendheid in beginsel uiterlijk kan worden verkregen op de dag waarop de beroepstermijn eindigt. Uit de stukken kan worden afgeleid dat [appellante sub 3] vóór het eind van de beroepstermijn eigenaar is geworden van het bovengenoemde perceel. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat [appellante sub 3] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

10.3. Het beroep van [appellante sub 3], voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding " specifieke vorm van bedrijf - machinefabriek", voor het perceel [locatie 5], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Uit de stukken is gebleken dat [appellante sub 3] eerst na ommekomst van de termijn voor het indienen van zienswijzen eigenaar is geworden van het perceel [locatie 5]. Om die reden kan haar redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerp van het besluit.

10.4. Het beroep is derhalve in zoverre ontvankelijk.

11. [appellante sub 3], die op het perceel [locatie 6] een kantoor en bedrijfshal heeft ten behoeve van haar bedrijf voor asbestverwijdering en sloopwerk, kan zich niet verenigen met het plan voor zover de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - machinefabriek" is toegekend aan het perceel [locatie 5]. Zij betoogt dat dit perceel bij haar perceel zal worden betrokken en dat het plan nu ten onrechte niet toelaat dat de kantoorruimte op het perceel [locatie 5] voor haar bedrijfsvoering wordt gebruikt.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat tijdens de bouwvlakinventarisatie voor het bestemmingsplan geen verzoek tot wijziging van de bestemming of aanduiding voor het perceel [locatie 5] is gedaan. Om die reden is niet de door [appellante sub 3] gewenste aanduiding opgenomen. De bestemming kan evenwel onder voorwaarden worden gewijzigd, maar hiervoor is nog geen onderbouwd plan ingediend.

11.2. Aan het perceel [locatie 5] is de bestemming "Bedrijf" toegekend en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - machinefabriek". Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - machine reparatiefabriek" bestemd voor een machinereparatiefabriek.

Ingevolge lid 6.6, onder 6.6.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve van een ander soort bedrijf dan in lid 6.1, onder a, is genoemd (...).

11.3. In het deskundigenbericht staat dat ten tijde van het vaststellen van het plan het pand op het perceel [locatie 5] in gebruik was als kantoor ten behoeve van de machinefabriek. Er is geen concrete aanwijzing voor de raad geweest dat het kantoor voor een andere bedrijfsvoering zou worden gebruikt. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bovengenoemde bestemming en aanduiding heeft kunnen toekennen aan het perceel. Daarbij wijst de Afdeling er nog op dat [appellante sub 3] de raad kan verzoeken om met toepassing van artikel 6, lid 6.6., onder 6.6.1, van de planregels de bestemming te wijzingen.

11.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

12. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij niet is voorzien in de aanduiding "paardenhouderij" op het perceel [locatie 7] te Oud Gastel. Hij voert aan dat in het ontwerp van het plan de aanduiding "paardenhouderij" was toegekend aan de gronden binnen het bouwvlak en dat die aanduiding bij de vaststelling van het plan ten onrechte is verwijderd. Aangezien een concreet bouwplan bestond voor een nieuwe ponystal diende voor een deel van het bouwvlak de aanduiding in stand te blijven. Door het ontbreken van de aanduiding is het hobbymatig houden van paarden niet mogelijk, aldus [appellant sub 4].

12.1. Aan het perceel [locatie 7] is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij" tevens gebruiksgerichte en/of productiegerichte paardenhouderijen zijn toegestaan".

Ingevolge het bepaalde onder bb, zijn deze gronden bestemd voor recreatief medegebruik.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

In artikel 1 van de planregels is een paardenhouderij omschreven als een agrarisch bedrijf gericht op het fokken van (sport)paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees- en/of melkproductie, handel en/of de gebruiksgerichte paardenhouderij.

12.2. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 4] hobbymatig drie paarden en zeven pony's houdt. De raad heeft verklaard dat deze vorm van het houden van paarden niet als een paardenhouderij als bedoeld in artikel 1 van de planregels kan worden aangemerkt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog dat de aanduiding "paardenhouderij" had moeten worden toegekend toegekend, faalt daarom. Het betoog dat het plan het hobbymatig houden van paarden niet mogelijk maakt, mist feitelijke grondslag, omdat de bovengenoemde planregeling hieraan niet in de weg staat.

13. [appellant sub 4] stelt dat in zowel artikel 3, lid 3.5.3 als in lid 3.5.7 een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor het toestaan van een gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenfunctie bij het agrarisch bedrijf, mits de totale oppervlakte niet meer bedraagt dan 400 m2. Aangezien de voorwaarden van beide afwijkingsbevoegdheden verschillen, leiden deze planregels tot rechtsonzekerheid. Verder betoogt [appellant sub 4] dat uit zowel lid 3.5.3 als lid 3.5.7 voortvloeit dat de totale oppervlakte die voor een paardenhouderij wordt gebruikt, niet meer mag bedragen dan 400 m2. Ervan uitgaande dat een paardenhouderij ook een paardenbak omvat, is volgens [appellant sub 4] onvoldoende ruimte aanwezig om een gebouw voor het stallen van pony's en het opslaan van paardenbenodigdheden zoals zadels, tuig en voer op te richten. Volgens hem is de bedoeling van de raad niet goed in het plan vertaald. Hij wijst in dit verband op een e-mail van een ambtenaar van de gemeente Halderberge van 5 december 2011, waarin is bevestigd dat de 400 m2 enkel betrekking heeft op bouwwerken ten behoeve van een paardenhouderij en niet op de paardenbak zelf.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet onduidelijk is voor zover het betreft de verhouding tussen artikel 3, lid 3.5.3 en lid 3.5.7. De 400 m2 ten behoeve van een paardenhouderij ziet volgens hem duidelijk alleen op bouwwerken en niet tevens op de paardenbak.

13.2. In lid 3.5.3 is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor nevenfuncties binnen het bouwvlak bij agrarische bedrijven, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven.

b. Het agrarisch bouwvlak mag ten behoeve van de nevenactiviteit niet worden uitgebreid.

c. De volgende nevenfuncties bij het agrarische bedrijf zijn toegestaan:

1. agrarisch technisch hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven, waarbij de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 400 m2. Ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’ geldt een maximale totale oppervlakte van 600 m².

d. Bij cumulatie van meerdere vormen van nevenfuncties en/of verbrede landbouw mag de totale omvang niet meer bedragen dan 1.000 m². Ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’ geldt een maximale totale omvang van 2.000 m².

e. Buitenopslag ten behoeve van de nevenfunctie is niet toegestaan.

f. De nevenfunctie mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.

g. De nevenfunctie mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.

h. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

i. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

In artikel 1 is een agrarisch verwant bedrijf omschreven als een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.

In lid 3.5.7 is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van een gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenfunctie bij het agrarisch bedrijf, met inachtneming van de volgende regels:

a. Afwijking is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak.

b. De totale oppervlakte mag niet meer bedragen dan 400 m2. Ter plaatse van de aanduiding "bebouwingsconcentratie" geldt een maximale totale oppervlakte van 600 m2.

c. De vestiging van de paardenhouderij mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.

d. De vestiging van de paardenhouderij mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.

e. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bebouwing.

In artikel 1 is een paardenhouderij omschreven als een agrarisch bedrijf gericht op het fokken van (sport)paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees- en/of melkproductie, handel en/of de gebruiksgerichte paardenhouderij.

Een gebruiksgerichte paardenhouderij is omschreven als een paardenhouderij waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/amazone.

Een productiegerichte paardenhouderij is omschreven als een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan/met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden.

13.3. De Afdeling overweegt dat artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.7 ziet op de nevenactiviteit gebruiksgerichte paardenhouderij. Voor andere soorten paardenhouderijen geldt derhalve het bepaalde in lid 3.5.3. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre rechtsonzeker is. De Afdeling acht verder de uitleg van de raad dat het maximum van 400 m2 ten behoeve van een paardenhouderij geen betrekking heeft op de mogleijkheid van een paardenbak, juist.

14. [appellant sub 4] betoogt voorts dat ten onrechte ingevolge artikel 29, lid 29.2 van de planregels geen bouwwerken met een oppervlak groter dan 500 m2 op zijn perceel zijn toegestaan en dat zijn bedrijfsgebouw aanzienlijk groter is dan 500 m2. Aangezien er geen concreet zicht is op de verwijdering van het bedrijfsgebouw binnen de planperiode, is het gebouw ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. Volgens hem had de raad een uitzondering moeten maken voor bestaande gebouwen of gebouwen die reeds vergund zijn.

[appellant sub 4] betoogt verder dat het plan ten onrechte niet voorziet in een uitzondering op het verbod om bouwwerken binnen het bouwvlak te realiseren op gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 2". Hij wijst er op dat deze uitzondering wel is gemaakt voor werken en werkzaamheden, zodat niet valt in te zien waarom dit niet zou gelden voor bouwwerken. Hij wijst in dit verband op een e-mail van een ambtenaar van de gemeente van 6 december 2011, waaruit volgens hem blijkt dat dit ook de bedoeling is geweest.

14.1. Ingevolge artikel 29, lid 29.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarden.

Ingevolge lid 29.2, aanhef en onder d, is het, voor zover hier van belang, verboden op de gronden met deze bestemming te bouwen, met uitzondering van een bouwwerk van maximaal 500 m2.

Ingevolge lid 29.3 kan een omgevingsvergunning worden verleend voor afwijking van het bepaalde in lid 29.2.

Ingevolge lid 29.4, onder 29.4.1 is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning enkele in dat lid genoemde werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren.

Ingevolge lid 29.4, onder 29.4.2, aanhef en onder j, geldt dit verbod niet voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak.

14.2. De raad heeft toegelicht dat het de bedoeling was dat bestaande gebouwen binnen het bouwvlak die meer dan 500 m2 groot zijn als zodanig zouden worden bestemd en dat de uitzondering genoemd in lid 29.4, onder 29.4.2, aanhef en onder j, ook voor bouwwerken binnen het bouwvlak zou gelden.

14.3. Omdat lid 29.2 geen bouwwerken groter dan 500 m2 toestaat, is het bedrijfsgebouw van [appellant sub 4] niet als zodanig bestemd. Verder is in lid 29.2 niet de uitzondering gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk binnen het bouwvlak. Op beide punten is het plan niet in overeenstemming met de bedoeling van de raad, zodat het plan in zoverre in strijd is met de vereiste zorgvuldigheid.

14.4. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 7] te Oud-Gastel niet als zodanig is bestemd en daarbij in lid 29.2, geen uitzondering is opgenomen voor dat bouwwerk, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5]

15. [appellant sub 5], die een manege exploiteert op een perceel dat is gelegen tussen [locatie 8] en [locatie 9] te Oud Gastel, voert aan dat de raad aan de uitrit van zijn perceel die uitkomt op [locatie 9] ten onrechte de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" heeft toegekend. Hij voert aan dat het amendement dat bij de vaststelling van het besluit is aangenomen en dat behelst dat zijn perceel wordt aangemerkt als zoeklocatie voor een Ruimte-voor-ruimtewoning, op de verbeelding niet juist is verwerkt. Hierdoor is de bestemmingsregeling voor de bij de manege horende uitrit bij de vaststelling van het plan veranderd, hetgeen mogelijk belemmeringen voor het gebruik van die grond ten behoeve van de manege meebrengt.

15.1. In het ontwerpplan is aan het gehele perceel van [appellant sub 5] de bestemming "Sport" met de gebiedsaanduiding "bebouwingsconcentraties" en de functieaanduiding "manege" toegekend.

15.2. Bij amendement 33 heeft de raad, voor zover hier van belang, besloten op de verbeelding een zoeklocatie voor een nieuwe Ruimte-voor-ruimtewoning toe te voegen voor de [locatie] tussen de uitrit van de manege op [locatie 9] en de rijtjeswoningen aan [locatie 9].

15.3. Blijkens de verbeelding is het plan op dit punt gewijzigd vastgesteld in die zin dat aan het deel van het perceel van [appellant sub 5], waar dat grenst aan [locatie 9], over de gehele breedte de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" is toegekend.

15.4. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" bestemde gronden bestemd voor:

a. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

(…)

z. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;

(…).

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor:

a. sportdoeleinden met bijbehorende voorzieningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van sport - sportpark";

b. een manege uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "manege";

c. aan de in sub a en b genoemde functies ondergeschikte horeca;

d. parkeer- en groenvoorzieningen;

e. speelvoorzieningen;

f. terras, erven en terreinen;

g. nutsvoorzieningen;

h. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;

i. water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 38, lid 38.8, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte woning" met in achtneming van de in de bepaling opgenomen regels.

15.5. De Afdeling stelt vast dat de wijziging zoals die in het amendement is weergegeven niet correct is verwerkt op de verbeelding nu in het amendement staat dat een zoeklocatie voor een nieuwe ruimte-voor-ruimtewoning moet worden toegevoegd op de [locatie] tussen de uitrit van de manege op [locatie 9] en de [rijtjeswoningen], en op de verbeelding ook de uitrit deel uitmaakt van de zoeklocatie. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingsbesluit. Het betoog van [appellant sub 5] slaagt.

16. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het deel van het bestemmingsvlak aan [locatie 9] met de bestemming "Agrarisch" dat is aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 6]

17. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met de aanduiding "groenblauwe mantel" die is toegekend aan zijn gronden aan de [locatie 10] te Oud Gastel. Hij betoogt dat de aanduiding "groenblauwe mantel" onevenredig bezwarend is en beperkingen voor zijn bedrijfsvoering op het perceel met zich zal brengen. Verder is volgens hem de aanduiding niet nodig, omdat de gronden worden gebruikt voor akkerbouw en er geen waterberging aanwezig is. Voorts vreest hij dat de aanduiding tot gevolg zal hebben dat in de toekomst een natuurbestemming aan de gronden wordt toegekend.

17.1. De raad betoogt dat de aanduiding "groenblauwe mantel" een vertaling in het bestemmingsplan is van artikel 6.3 van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening). Hij wijst er op dat in de groenblauwe mantel nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn als ecologische en landschappelijke waarden behouden worden en kwaliteitsverbetering plaatsvindt.

17.2. Aan de door [appellant sub 6] bedoelde gronden zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "groenblauwe mantel" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a en b, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, en voor grondgebonden agrarische bedrijven.

Ingevolge het bepaalde onder s, onder 1, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen, en ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel" in het bijzonder voor het watersysteem en de ecologische en landschappelijk waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

In artikel 1 van de planregels is de groenblauwe mantel omschreven als: "gebieden die grenzen aan de ecologische hoofdstructuur, de ecologische verbindingszone of het zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen, en deze verbinden, zijnde gebieden met overwegend grondgebonden agrarisch gebruik en belangrijke nevenfuncties voor natuur en water.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, onder a, van de Verordening strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden. Ingevolge het bepaalde onder b, stelt een dergelijk bestemmingsplan regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

17.3. Vast staat dat de door [appellant sub 6] bedoelde gronden in de groenblauwe mantel liggen zoals aangewezen in de Verordening. De raad heeft ter uitvoering van artikel 6.3 van de Verordening de gronden van [appellant sub 6] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel" toegekend. [appellant sub 6] heeft niet nader onderbouwd op welke wijze de bovengenoemde planregels ter bescherming van de groenblauwe mantel beperkingen opleveren voor zijn bedrijfsvoering. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in afwijking van artikel 6.3 van de Verordening Ruimte 2011 niet de aanduiding "groenblauwe mantel" had mogen toekennen aan zijn gronden.

17.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 15], [appellant sub 14] en [appellant sub 9]

18. [appellant sub 15], [appellant sub 14] en [appellant sub 9] (hierna: [appellant sub 15] en anderen) kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarin aan het perceel tegenover [locatie 11] (hierna: het perceel) de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" is toegekend. Het perceel is eigendom van [appellant sub 18], die er een ruimte-voor-ruimtewoning wil bouwen.

18.1. Aan het perceel is in het plan de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduidingen "bebouwingsconcentraties" en "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" toegekend.

18.2. Ingevolge artikel 38, lid 38.8, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte woning" met in achtneming van de volgende regels:

a. De wijziging is uitsluitend mogelijk ter plaatse van de aanduiding "bebouwingsconcentratie" en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoeklocatie ruimte-voor-ruimte".

b. Er mag een woning worden opgericht waarbij er geen sprake hoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning.

c. Er dient sprake te zijn van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse de bouw van een woning op passende locaties toe te staan. Hierbij geldt dat voldaan moet zijn aan de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in 2005 (hierna: de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte).

d. Er wordt voldaan aan de Gebiedsvisie.

e. Er dient aannemelijk te zijn dat de woning past in de omgeving en bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit gelet op de ligging en situering, de goot- en bouwhoogte, kapvorm en richting, vormgeving en materiaal gebruik, de onderlinge afstanden tot naastgelegen bebouwing in relatie tot doorzichten naar het achterliggende gebied en de grootte van het perceel.

f. De woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.

g. De aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

h. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bebouwing.

18.3. Volgens het deskundigenbericht heeft het perceel een omvang van 3 ha. Het deel waarop de nieuwe woning is geprojecteerd sluit aan op de bestaande woningbouw aan die zijde van de Vierschaarstraat en heeft langs de straat een beukenhaag, die te zijner tijd het woonperceel zal afschermen van de weg. De Vierschaarstraat is volgens het deskundigenbericht een weg met een breedte van 10 meter met aan weerszijde een smalle grasberm. Aan beide zijden van de straat bevindt zich bebouwing, hoofdzakelijk burgerwoningen en enkele voormalige agrarische bedrijfswoningen. Aangezien de percelen waarop de woningen staan aan elkaar grenzen, biedt het geheel de aanblik van een bebouwingslint.

Volgens het deskundigenbericht exploiteert [appellant sub 15] aan de [locatie 12], schuin tegenover het perceel, een gemengd agrarisch bedrijf. Hij heeft rundvee gehuisvest in drie stallen, en schapen in een stal, terwijl de schapen ook veel op het land staan. Daarnaast beschikt [appellant sub 15] over 30 ha agrarisch bouwland, grenzend aan zijn woonkavel. [appellant sub 15] heeft een milieuvergunning van 2 maart 2007, die is verleend op het moment dat [appellant sub 15] zijn bedrijf heeft uitgebreid met een nieuwe stal.

[appellant sub 14] woont op het adres [locatie 11], recht tegenover het perceel, en heeft daar vanuit zijn woning zicht op. [appellant sub 9] woont op [locatie 13], schuin tegenover het perceel en heeft daar, vanwege de aanwezige beplanting op zijn eigen perceel, alleen vanuit de noordwestelijke hoek van de woning zicht op, aldus het deskundigenbericht.

19. [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat op het perceel op grond van de Gebiedsvisie de bouw van een woning mogelijk is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzitter van 22 april 2011, zaak nr. 201103432/1/H1 en 201103432/2/H1, voeren zij aan dat aan de Vierschaarstraat geen sprake is van een bebouwingsconcentratie of bebouwingslint en dat de Gebiedsvisie niet is geaccordeerd door de provincie, zodat die geen basis kan bieden voor toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling. Daarbij is het plan in strijd met artikel 2.2 van de Verordening omdat het niet voorziet in een aantoonbare en uitvoerbare kwaliteitsverbetering van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of recreatiemogelijkheden, en is het ook in strijd met artikel 11.2 en 11.3 van de Verordening omdat geen sloop met te realiseren milieuwinst planologisch is verzekerd.

19.1. De raad betoogt dat de in de Gebiedsvisie als bebouwingsconcentratie aangewezen gebieden ook in het plan als zodanig zijn aangemerkt en dat het plan op dit punt in werking is getreden zonder dat daarvoor een reactieve aanwijzing is gegeven, zodat het betoog dat de Gebiedsvisie niet is geaccordeerd, geen doel treft. Voorts heeft het college de reactieve aanwijzing die voor het perceel was gegeven ingetrokken, zodat er vanuit moet worden gegaan dat het college instemt met de bestemmingsregeling voor het perceel.

19.2. Ingevolge artikel 11.2, eerste lid, van de Verordening kan in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge het tweede lid blijkt uit de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, dat:

a. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren waarbij de bepaling inzake de kwaliteitsverbetering van het landschap, bedoeld in artikel 2.2, niet van toepassing is;

b. is verzekerd dat is voldaan aan de op grond van artikel 11.3 gestelde nadere regels;

(…).

Ingevolge artikel 11.3, eerste lid, stelt het college van gedeputeerde staten nadere regels ten aanzien van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 11.2, in verband met het beleid om ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse de bouw van woningen op passende locaties toe te staan.

Ingevolge het tweede lid wordt, zolang nadere regels, als bedoeld in het eerste lid, nog niet zijn vastgesteld en in werking zijn getreden, de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte aangemerkt als nadere regels, als bedoeld in het eerste lid.

19.3. Op grond van het plan maakt het perceel, in overeenstemming met de Gebiedsvisie, deel uit van een langs de Vierschaarstraat gelegen bebouwingsconcentratie. Tevens is het perceel in de Gebiedsvisie aangemerkt als zoeklocatie voor de toevoeging van extra bebouwing. Dat de toekenning van de gebiedsaanduiding "bebouwingsconcentraties" ter plaatse van het perceel in strijd moet worden geacht met de Verordening hebben [appellant sub 15] en anderen niet aannemelijk gemaakt. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2011 is daartoe onvoldoende, reeds omdat die uitspraak betrekking heeft op een ander perceel aan de oostzijde van de Vierschaarstraat. De beoogde woning - die eerst gerealiseerd kan worden met gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid - gaat deel uitmaken van een bebouwingslint aan de westzijde van de straat. Voorts is niet relevant dat de Gebiedsvisie niet is geaccordeerd door de provincie omdat de beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling, waarin het vereiste van accordering was opgenomen, inmiddels is ingetrokken. Wat betreft het betoog dat de planregeling in strijd is met artikel 2.2 van de Verordening overweegt de Afdeling dat die bepaling ingevolge artikel 11.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening niet van toepassing is op de bestreden planregeling. Voor zover [appellant sub 15] en anderen betogen dat de planregeling in strijd is met artikel 11.3 van de Verordening omdat op het perceel geen agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig zijn die kunnen worden gesloopt overweegt de Afdeling dat, zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, op grond van de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte niet vereist is dat bedrijfsgebouwen worden gesloopt op dezelfde locatie als die waar de ruimte-voor-ruimtewoning mogelijk wordt gemaakt. Dit is tevens tot uitdrukking gebracht in artikel 11.3 van de Verordening, waarin staat dat de bouw van woningen kan worden toegestaan op een passende locatie en niet dat die dient plaats te vinden ter plaatse van de gesloopte bedrijfsgebouwen. Wat betreft de door [appellant sub 9] geuite twijfel of [appellant sub 18] al over de benodigde bouwtitel beschikt overweegt de Afdeling dat eerst bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid aan de gestelde voorwaarde dient te worden voldaan.

20. [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat op grond van de vergunde situatie de geurcontour van het bedrijf van [appellant sub 15] over het perceel loopt, zodat daar niet wordt voldaan aan de wettelijke norm van 8 ou/m3. Hierdoor moet er vanuit worden gegaan dat ter plaatse in beginsel geen goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd, tenzij is gemotiveerd dat dat wel het geval is. Een dergelijke motivering ontbreekt. Ook is het perceel gelegen op kortere afstand van de in zijn vergunning voorgeschreven 50 meter, zodat het plan de bedrijfsvoering van [appellant sub 15] zal schaden omdat de nieuwe bewoners zullen gaan klagen over stank.

20.1. De raad betoogt onder verwijzing naar het rapport "Geuraspect veehouderij i.v.m. woningbouwplannen Vierschaarstraat Oud Gastel" van 20 maart 2008 van de Regionale Milieudienst (hierna: het RMD-rapport) dat de bestaande woningen in de nabijheid van het bedrijf van [appellant sub 15] de mogelijkheden van de veehouderij al zodanig beperken dat nieuwbouw op het perceel geen verdere beperking meebrengt. Voorts stelt de raad dat voor het realiseren van de ruimte-voor-ruimtewoning nog een wijzigingsprocedure zal moeten worden gevolgd, waarbij zo nodig nadere eisen kunnen worden gesteld aan de locatie van de nieuw te bouwen woning.

20.2. In het RMD-rapport staat dat er, gerekend met de emissiepunten die zijn vergund, geen overbelaste situatie op het perceel zal ontstaan. Indien wordt gerekend vanaf de relevante hoekpunten van het bouwvlak van [appellant sub 15] ligt de bepalende geurcontour van 8 ou/m3 volgens het rapport over een deel van het perceel. Deze contour komt dan blijkens figuur 4 van het rapport echter ook over de bestaande woningen Lange Dreef 2 en [locatie 11] te liggen. Dit brengt mee dat de raad zich met juistheid op het standpunt stelt dat uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 15] op het deel van zijn bouwvlak dat het dichtst bij het perceel ligt al worden beperkt door de bestaande woningen. Uit figuur 5 van het rapport blijkt voorts dat bij een zogenoemde reële benadering, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande woningen, de 8 ou/m3 contour bij een eventuele uitbreiding van het bedrijf van [appellant sub 15] slechts over een klein deel van het perceel komt te liggen. Voorts ligt, gemeten vanaf het relevante hoekpunt, de 50 meter contour die geldt voor dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld over een klein deel van het perceel. Nu het grootste deel van het perceel buiten laatstgenoemde contouren ligt valt niet in te zien dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de nieuwe woning niet zo kan worden gesitueerd dat de uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 15] daardoor niet verder worden belemmerd dan in de bestaande situatie reeds het geval is. Dit blijkt ook uit de situatietekening bij de notitie van de RMD van 19 november 2008 waarop de nieuwe woning op grotere afstand van de Vierschaarstraat staat geprojecteerd. Dit brengt tevens mee dat niet aannemelijk is dat op het perceel geen woning kan worden gebouwd waarvoor wat het aspect geur betreft geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Het betoog slaagt niet.

21. [appellant sub 15] voert verder aan dat hij in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd omdat hij als gevolg van de woonbestemming niet meer de hem vergunde hoeveelheid geluid zal mogen produceren. Het plan tast de hem vergunde rechten ten onrechte aan.

21.1. De raad betoogt dat de afstand van het bedrijf van [appellant sub 15] tot de omliggende burgerwoningen vanwege het aspect geluid 30 meter dient te zijn, en dat het perceel op grotere afstand ligt, zodat zich op het punt geluid geen problemen zullen voordoen.

21.2. Blijkens de verbeelding is de kortste afstand van de rand van het bouwvlak van [appellant sub 15] en het perceel ongeveer 25 meter. Nu ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, onder b, de afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder dan 15 meter mag bedragen en de weg volgens het deskundigenbericht ter plaatse 10 meter breed is, zal de afstand van het bouwvlak van [appellant sub 15] en de woning minimaal 35 meter bedragen. Blijkens de verbeelding bevindt de woning aan de [locatie 11] zich op ongeveer 40 meter van het bouwvlak van [appellant sub 15]. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat, zoals volgt uit 20.2, niet aannemelijk is dat de woning op een afstand van 35 meter van het bouwvlak van [appellant sub 15] mogelijk gemaakt zal worden, is er geen grond voor het oordeel dat het plan met het oog op het aspect geluid een belemmering zal vormen voor (mogelijke uitbreiding van) de bedrijfsvoering van [appellant sub 15].

22. [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat het bestemmingsplan de open structuur tegenover hun woningen aantast door een nieuwe woning mogelijk te maken die 9 meter hoog mag worden. Dit tast tevens hun uitzicht en privacy en de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden aan.

[appellant sub 9] voert daarbij aan dat het gaat om een zeer omstreden planregeling, waarover veel zienswijzen zijn ingediend, door velen is ingesproken en een door 55 omwonenden ondertekende petitie is ingediend waarin wordt gevraagd de locatie onaangetast te laten. Juist daarom had de raad goed moeten motiveren waarom hij vindt dat deze locatie met cultuurhistorische en landschappelijke waarden mag worden aangetast door woningbouw.

22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de nieuwe woning voor het bestaande bos zal worden gesitueerd - een meer noordelijke situering is niet mogelijk in verband met milieucontouren - zodat de zichtlijn naar het open gebied niet zal worden aangetast. Gelet op de afstand van de nieuwe woning tot de woningen van [appellant sub 15] en anderen valt niet in te zien dat de nieuwe woning de privacy van [appellant sub 15] en anderen onevenredig zal schaden. Voorts heeft het gebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden en een lage archeologische verwachtingswaarde en wordt door het vrijhouden van de hoek Lange Dreef/Vierschaarstraat voldoende rekening gehouden met de kwaliteiten van het gebied. Daarbij zal de woning architectonisch worden afgestemd op het stedenbouwkundige beeld ter plaatse en zal te zijner tijd in het beeldkwaliteitsplan ingegaan worden op onder meer de situering van de woning en de landschappelijke inpassing, aldus de raad.

22.2. De woningen van [appellant sub 14] en [appellant sub 9] staan op ongeveer 20 meter en de woning van [appellant sub 15] staat op ongeveer 30 meter van de Vierschaarstraat. Nu het perceel aan de andere kant van de Vierschaarstraat ligt en de afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder dan 15 meter mag bedragen en de weg volgens het deskundigenbericht ter plaatse 10 meter breed is, zal de afstand van de nieuwe woning tot de woningen van [appellant sub 14] en [appellant sub 9] minimaal 40 meter en tot de woning van [appellant sub 15] minimaal 50 meter bedragen.

Gelet daarop en mede in aanmerking genomen dat de woningen van [appellant sub 15] en anderen op een onderlinge afstand van 20 tot 40 meter van elkaar liggen, kan niet worden staande gehouden dat het plan een zodanige aantasting van de privacy van [appellant sub 15] en anderen meebrengt dat de raad het niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Hetzelfde geldt voor de mogelijke aantasting van het uitzicht van [appellant sub 15] en anderen. Mede gelet op de omvang van het perceel is niet aannemelijk dat geen toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk is die niet tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellant sub 15] en anderen zal leiden.

Blijkens de als bijlage bij het deskundigenbericht gevoegde Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is de beplanting langs de Lange Dreef aangemerkt als historisch groen. Tevens zijn op de kaart twee aanduidingen met betrekking tot zichtrelaties opgenomen. Het perceel ligt echter ongeveer 50 meter ten zuiden van de Lange Dreef en niet ter plaatse van de aangeduide zichtrelaties. Nu voorts niet aannemelijk is gemaakt dat het perceel zelf, dat bestaat uit grasland, bijzondere kwaliteiten heeft, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het plan voldoende rekening wordt gehouden met de kwaliteiten van het gebied en is er geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Voorts wijst de Afdeling er in dit verband op dat in artikel 38, lid 38.8, aanhef en onder g, is bepaald dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de aanwezige of potentiële waarden van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast.

23. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het betoog van [appellant sub 15] en anderen dat de planregeling voor het perceel zal leiden tot een zodanige waardedaling van de omringende onroerende zaken dat het plan niet uitvoerbaar zal blijken, geen doel treft.

24. De beroepen van [appellant sub 15] en anderen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

25. [appellant sub 7] betoogt dat het plan onzorgvuldig is voorbereid, nu eerst bij brief van 25 november 2011, en dus na vaststelling van het plan, op zijn zienswijze is gereageerd.

25.1. De raad is in de Nota zienswijzen, die samen met het bestreden besluit is vastgesteld, ingegaan op de zienswijze van [appellant sub 7]. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

26. [appellant sub 7], die woont op het perceel [locatie 14] te Hoeven, kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarbij de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "maatschappelijk - orthopedagogiepraktijk" is toegekend aan het perceel [locatie 15]. [appellant sub 7] voert aan dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat de activiteiten op het perceel, die bestaan uit orthopedagogische paardrijlessen en paardrijlessen voor kinderen zonder beperking, als bedrijfsmatig moeten worden aangemerkt. Volgens hem zijn de paardrijlessen hobbymatig en is een bestemmingswijziging dus niet gerechtvaardigd. Volgens hem is het plan in strijd met het verbod op détournement de procedure, nu de bestemming enkel is toegekend om een overkapping van de paardenbak mogelijk te maken.

26.1. Aan het perceel [locatie 15] is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - orthopedagogiepraktijk".

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, onder c, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming en aanduiding bestemd voor een orthopedagogiepraktijk.

Ingevolge lid 14.2 in samenhang met de verbeelding is de maximum bouwhoogte 6 meter en de maximum oppervlakte 880 m2.

Ingevolge lid 14.2, onder 14.2.5, aanhef en onder c, geldt voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat paardenbakken niet zijn toegestaan.

In artikel 1 is "bedrijfsmatig" omschreven als "in uitoefening van een bedrijf". Een bedrijf is omschreven als een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

26.2. Anders dan waarvan partijen uitgaan, voorziet het plan gelet op artikel 14, lid 14.2, onder 14.2.5, aanhef en onder c, van de planregels niet in een paardenbak ter plaatse van het perceel [locatie 15] te Hoeven. Nu het plan niet voorziet in de door [appellant sub 7] betwiste ontwikkeling, mist het betoog feitelijke grondslag. Daarbij merkt de Afdeling op dat voor een overkapping van de reeds bestaande paardenbak een nieuw plan dient te worden opgesteld dan wel een vergunning voor het afwijken van het plan moet worden verleend en dat [appellant sub 7] hiertegen desgewenst rechtsmiddelen kan aanwenden.

26.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 13]

27. [appellant sub 13] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij de bestemming "Kantoor" is toegekend aan zijn perceel [locatie 16] te Oudenbosch. Aangezien op dit perceel zijn woning met garage staat, had volgens hem een woonbestemming moeten worden toegekend.

27.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de bestemming "kantoor" te wijzigen in de bestemming "Wonen". Een verzoek om van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik te maken is evenwel nog niet ontvangen.

27.2. Aan het perceel van [appellant sub 13] is de bestemming "Kantoor" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de voor "Kantoor" aangewezen gronden bestemd voor:

a. kantoren;

b. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven;

c. aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven;

(...).

Ingevolge lid 13.6, onder 13.6.2 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd onder voorwaarden deze bestemming te wijzigen in de bestemming "Wonen" voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft.

In artikel 1 is een bedrijfswoning omschreven als een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

27.3. In het hiervoor geldende plan "Buitengebied, deelgebieden Hoeven en Oudenbosch" was aan het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding B21 toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 1, aanhef en onder B21, waren deze gronden bestemd voor kantoren.

In lid 2 is bepaald dat op deze gronden in verband met de bestemming zijn toegelaten:

a. bedrijfsgebouwen

b. één bedrijfswoning (...).

In artikel 1, onder 19, van dat plan is een bedrijfswoning/dienstwoning omschreven als een woning in of bij een gebouw of op een terrein, te bewonen door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of het terrein in overeenstemming met de bestemming.

27.4. Niet gebleken is dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan voor de raad een indicatie bestond dat aan het perceel niet een kantoorbestemming maar een woonbestemming had moeten worden toegekend. Mede gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu het plan in overwegende mate conserverend van aard is, een kantoorbestemming aan het perceel kon worden toegekend. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat [appellant sub 13] kan verzoeken om de bestemming te wijzigen naar een woonbestemming.

27.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 13] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8] en [appellant sub 31]

28. [appellant sub 8] en [appellant sub 31] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover de dubbelbestemming "Leiding" en de aanduiding "hartlijn leiding - gas" zijn toegekend aan hun percelen aan de Roosendaalsebaan in Bosschenhoofd. Zij voeren aan dat het tracé van de leiding niet overeenkomt met de voorgenomen plaatsing van de gasleiding door de Gasunie.

28.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het tracé van de leiding is gewijzigd. Voor het gewijzigde tracé is inmiddels een omgevingsvergunning verleend en onherroepelijk geworden. Volgens hem is het plan in zoverre niet correct vastgesteld en kan het beroep gegrond worden verklaard.

28.2. Aan de door [appellant sub 8] en [appellant sub 31] bedoelde gronden is onder meer de dubbelbestemming "Leiding" en de aanduiding "hartlijn leiding - gas" toegekend.

Ingevolge artikel 25, lid 25.1, aanhef en onder b zijn de voor "Leiding" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een gasleiding, ter plaatse van de aanduiding "hartlijn leiding - gas".

28.3. Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

28.4. In hetgeen [appellant sub 8] en [appellant sub 31] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Leiding" en de aanduiding "hartlijn leiding - gas" ter plaatse van het perceel [locatie 17] te Bosschenhoofd is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van de BMF en de IVN

29. De BMF en de IVN betogen dat het plan voorziet in ruime uitbreidings- en omschakelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen. Zij wijzen er verder op dat het plan het mogelijk maakt dat bouwruimte, die tot dusver onbenut is gebleven, wordt opgevuld. Voorts betogen de BMF en de IVN dat het plan voorziet in de bouw van grote oppervlaktes aan teeltondersteunende voorzieningen (hierna: TOV), hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor het watersysteem en de waterkwaliteit in het plangebied, de leefgebieden van beschermde dier- en plantensoorten en landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Gelet hierop hadden een passende beoordeling en een milieueffectrapport (hierna: MER) moeten worden gemaakt.

29.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontwikkelingsmogelijkheden van het plan beperkt zijn en dat om die reden geen MER is opgesteld of voortoets op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998). Hij stelt zich op het standpunt dat op het gebied van water, bodem, landschap, cultuurhistorie, geur, geluid, luchtkwaliteit, archeologie en externe veiligheid niet zodanig negatieve effecten zijn te verwachten dat een MER noodzakelijk is. Ten aanzien van de emissie van ammoniak stelt de raad dat ten opzichte van de vigerende planologische mogelijkheden alleen de ontwikkelingsmogelijkheden voor grondgebonden bedrijven enigszins toenemen. Er worden geen nieuwe agrarische bedrijven direct bij recht mogelijk gemaakt en een groot aantal voormalige agrarische bedrijven is niet meer als zodanig bestemd wegens bedrijfsbeëindiging. Van de overgebleven agrarische bedrijven mogen alleen bestaande intensieve veehouderijen onder voorwaarden uitbreiden tot 1,5 hectare. Daarnaast zijn nieuwe intensieve veehouderijen alleen nog als neventak mogelijk op locaties van reeds bestaande agrarische bedrijven. Deze mogelijkheid bestaat enkel in het agrarisch gebied, is mogelijk tot een omvang van maximaal 1 hectare, en kan enkel op zogeheten duurzame locaties. Ook zal volgens de raad het aantal veehouderijen dat feitelijk nog kan uitbreiden gering zijn, omdat enerzijds de behoefte niet meer bestaat en anderzijds de financiële en milieukundige mogelijkheden ontbreken. Hoewel enkele relatief grootschalige agrarische bedrijven en bedrijven die intensieve veehouderij als hoofd- of neventak hebben naar verwachting zullen groeien, zal gezien de huidige landelijke trends, die ook in Halderberge gelden, op termijn een groot aantal bedrijven op termijn afbouwen. Over de ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden heeft de raad gesteld dat drie van dergelijke gebieden in de omgeving van het plan liggen, te weten Brabantse Wal, Krammer Volkerak en Hollands Diep. Wat betreft de toerekenbaarheid van de effecten van de deposities vanwege een agrarisch bedrijf, kan een afstand van 10 km tussen de bron en het gebied worden aangehouden. De afstand tussen Brabantse Wal en het plangebied is volgens de raad minimaal 10 km, zodat de effecten van het plan hierop niet zijn beoordeeld. Binnen een afstand van 10 km vanaf Krammer Volkerak liggen vijf agrarische bedrijven. Volgens de raad zijn deze echter relatief kleinschalig en worden zij in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt door de ligging ten opzichte van omliggende gevoelige objecten, zodat op voorhand een toename van de ammoniakdepositie kan worden uitgesloten. Met betrekking tot Hollands Diep heeft de raad gesteld dat binnen een afstand van 10 km zes agrarische bedrijven voorkomen, die een grote omvang hebben en niet worden beperkt door omliggende gevoelige objecten. Vanwege de lage achtergrondconcentratie voor dit gebied en de trend dat de ammoniakdepositie in Nederland afneemt, zal volgens de raad de uitbreiding van deze zes agrarische bedrijven evenwel geen bezwaar zijn.

29.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage.

Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998.

29.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge het bepaalde onder b zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

(...)

3. "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan;

4. "specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij" tevens een neventak intensieve veehouderij bij een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge het bepaalde onder b, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

(...)

3. "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge het bepaalde onder b zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

(...)

3. "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

In artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.3, aanhef en onder c, van de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die betrekking heeft op het vergroten van bouwvlakken van intensieve veehouderijen op gronden met de bestemming "Agrarisch" die kleiner zijn dan 1,5 hectare, onder diverse voorwaarden, waaronder dat de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar dient te zijn vanuit milieuoogpunt en ruimtelijk oogpunt, tot 1,5 hectare.

In artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.3, aanhef en onder b, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om eenmalig bouwvlakken van intensieve veehouderijen op gronden met de bestemming "Agrarisch - Natuur- en landschapswaarden" tot 1,5 hectare of meer en die geheel zijn benut te vergroten, uitsluitend ten einde te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen voortvloeiend uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en uit de op grond van de Gezondsheids- en welzijnswet voor dieren gestelde eisen. Deze eenmalige vergroting is tot 1 januari 2013 toegestaan en onder diverse voorwaarden, waaronder dat er geen sprake mag zijn van milieuhygiënische belemmeringen.

In artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.6, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.4. en artikel 5, lid 5.7, lid 5.7.4 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch", onderscheidenlijk "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden" om aan de bouwvlakken binnen die bestemmingen zonder de aanduiding "intensieve veehouderij" deze aanduiding toe te voegen. In deze artikelleden zijn diverse voorwaarden opgenomen voordat van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, waaronder dat de omschakeling naar intensieve veehouderij enkel is toegestaan als het bouwvlak op een duurzame locatie ligt.

29.4. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder n, mogen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" permanente TOV worden gerealiseerd. Artikel 4, lid 4.1, onder h, en artikel 5, lid 5.1 onder h, kennen een soortgelijke regeling.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.8, zijn permanente TOV uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" mag de oppervlakte niet meer bedragen dan 2,5 hectare en de hoogte niet meer dan 4,5 meter. Lid 4.2, onder 4.2.7 en lid 5.2, onder 5.2.7, kennen een soortgelijke regeling.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.9, lid 4.2, onder 4.2.8 en lid 5.2, onder 5.2.8, alle onder a, sub 7, geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat binnen het bouwvlak de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 4,5 meter.

Ingevolge het bepaalde onder b, sub 2 en 3 van deze artikelleden mag buiten het bouwvlak de bouwhoogte van tijdelijke TOV niet meer bedragen dan 4,5 meter, waarbij geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 2,5 hectare. De bouwhoogte van overige TOV mag niet meer dan 4,5 meter bedragen.

Ingevolge lid 4.3, onder 4.3.8, onder d en e, en lid 5.3, onder 5.3.8, onder d en e, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2, onder 4.2.8 en lid 5.2, onder 5.2.8, beide onder b, voor het bouwen van tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - aardkundig waardevol gebied" danwel de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten", mits wordt aangetoond dat deze waarden niet onevenredig worden aangetast.

Ingevolge lid 3.4, onder 3.4.2, lid 4.4, onder 4.4.2 en lid 5.4, onder 5.4.2, alle aanhef en onder a en b, is bepaald dat het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak voor tijdelijke en overige TOV voor zover deze geen bouwwerken zijn, is toegestaan onder de voorwaarden dat de bouwhoogte niet meer is dan 4,5 meter en de oppervlakte van tijdelijke TOV niet meer bedraagt dan 2,5 hectare.

Ingevolge lid 4.5, onder 4.5.2 en lid 5.5, onder 5.5.2, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder 4.4.2 en onder lid 5.4.2 voor het bouwen van tijdelijke en/of overige teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - aardkundig waardevol gebied" dan wel de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten", mits wordt aangetoond dat deze waarden niet onevenredig worden aangetast

Ingevolge lid 3.7, onder 3.7.7, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen door vergroting van het bouwvlak en het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening", uitsluitend voor de bouw van permanente TOV. Voorwaarde hiervoor is onder andere dat het bestaande bouwvlak geen ruimte meer biedt voor permanente TOV en dat de totale oppervlakte van het bouwvlak niet meer dan 4,5 hectare bedraagt, waarvan minstens 2,5 hectare wordt ingenomen door TOV en dat de wijziging gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische en/of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied. Lid 4.7, onder 4.7.5 en lid 5.7, onder 5.7.5 kennen een soortgelijke regeling.

29.5. Niet is in geschil dat binnen de agrarische bouwvlakken in het plan nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden bestaan, waardoor een feitelijke uitbreiding van de agrarische bedrijven ter plaatse niet is uitgesloten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200906702/1/R3) dient de raad de aanvaardbaarheid van een bestemmingsplan bij het vaststellen (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Dat deze bouwvlakken voor agrarische bedrijven overeenkomen met de bouwvlakken in het voorheen geldende plan, leidt derhalve niet tot het oordeel dat het plan op dit punt in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998 en dat inzichtelijk is of voor uitbreiding geen passende beoordeling nodig is. Niet is gebleken dat de raad de mogelijke gevolgen van de genoemde uitbreidingsmogelijkheden voor de Natura 2000-gebieden heeft onderzocht. Het betoog slaagt in zoverre.

29.6. Voorts zijn op de bestreden plandelen wijzigingsbevoegdheden van toepassing voor een vergroting van het bouwvlak van agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen en de omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. De toepassing van deze wijzigingsbevoegdheden is in het plan niet begrensd. Nu met de uitbreiding van een bouwvlak en de omschakeling naar een intensieve veehouderij de veestapel en de stikstof- en ammoniakdepositie kan toenemen, kunnen die wijzigingsbevoegdheden leiden tot significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden Brabantse Wal, Krammer Volkerak en Hollands Diep. Niet is gebleken dat de raad de mogelijke effecten van deze wijzigingsbevoegdheden heeft onderzocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201109053/1/R2) dient bij de beoordeling van de effecten van het plan op de natuurlijke kenmerken van omliggende Natura 2000-gebieden te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Die verplichting hangt mede samen met het uitgangspunt dat opname van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Dat volgens de raad in de toekomst agrarische bedrijven hun bedrijfsactiviteiten zullen staken of niet meer kunnen uitbreiden, leidt niet tot het oordeel dat de raad zonder meer van een afname van het veebestand heeft kunnen uitgaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de plantoelichting weliswaar is vermeld dat de hoeveelheid pluimvee en rundvee en ook de oppervlakte aan agrarische bedrijven afneemt, maar dat het aantal varkens sinds 2000 een stijgende trend kent. De omstandigheid dat voor de wijzigingsbevoegdheden diverse voorwaarden zijn opgenomen, zoals dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen mogen zijn, maakt voorts niet dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan de mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet hoeft te beoordelen. Voor zover de raad stelt dat bij specifieke ontwikkelingen te zijner tijd een meer gedetailleerde afweging nodig is, waarbij aandacht aan stikstofdepositie als gevolg van deze ontwikkelingen besteed moet worden, overweegt de Afdeling dat dit de raad niet ontslaat van de verplichting om reeds bij de vaststelling van het plan te beoordelen of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en artikel 19j van de Nbw, zoals de Afdeling eveneens heeft overwogen in de bovengenoemde uitspraak van 5 december 2012.

Het betoog slaagt in zoverre.

29.7. Met betrekking tot de permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht is vermeld dat door de ligging van de percelen met een agrarische bestemming de planregels het mogelijk maken dat grootschalige aaneengesloten teeltondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt of en zo ja in welke mate deze grootschalige teeltondersteunende voorzieningen invloed hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, waaronder de effecten op de waterhuishouding en de waterkwaliteit. Het betoog slaagt in zoverre.

29.8. Gelet op hetgeen is overwogen onder 29.5 tot en met 29.7 heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat het plan in zoverre is vastgesteld in overeenstemming met artikel 19j van de Nbw 1998. Gelet op artikel 7.2a van de Wet milieubeheer is evenmin inzichtelijk gemaakt of een MER achterwege kon blijven.

29.9. In hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "bouwvlak", "intensieve veehouderij" en "neventak intensieve veehouderij" en artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.3, onder c, lid 3.7, onder 3.7.6, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.4, lid 5.7, onder 5.7.3, onder b, en lid 5.7, onder 5.7.4 en voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch, "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" en lid 3.2, onder 3.2.8 en onder 3.2.9, onder b, sub 2 en 3, lid 3.4, onder 3.4.2, lid 3.7, onder 3.7.7, lid 4.2, onder 4.2.7 en onder 4.2.8, onder b, sub 2 en 3, lid 4.3, onder 4.3.8, onder d en e, lid 4.4, onder 4.4.2, lid 4.5, onder 4.5.2, lid 4.7, onder 4.7.5, lid 5.2, onder 5.2.7 en onder 5.2.8, onder b, sub 2 en 3, lid 5.3, onder 5.3.8, onder d en e, lid 5.4, onder 5.4.2, lid 5.5 onder 5.5.2 en lid 5.7, onder 5.7.5.

30. De BMF en de IVN kunnen zich niet verenigen met de mogelijkheden voor vergroting van en omschakeling naar intensieve veehouderij die in het plan zijn opgenomen. Zij betogen dat in artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.6, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.4 en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.4 onder meer als voorwaarde voor omschakeling is opgenomen dat de intensieve veehouderij op een duurzame locatie moet zijn gevestigd. Verder is het begrip duurzame locatie in het plan ruimer omschreven dan in de Verordening Ruimte 2011, zodat binnen vrijwel iedere agrarische bestemming binnen het plangebied een omschakeling naar een intensieve veehouderij mogelijk is.

30.1. In artikel 1 van de planregels is een duurzame locatie gedefinieerd als een "bestaand agrarisch bouwvlak met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, stank en dergelijke) als vanuit ruimtelijk oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om ter plaatse uit te breiden.

In artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.3, onder c, aanhef en onder 1 tot en met 4, zijn de voorwaarden vermeld waaronder bouwvlakken voor intensieve veehouderij kunnen worden vergroot. Deze voorwaarden luiden:

(...)

2. aanwezig zijn aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn die noodzaken tot uitbreiding ter plaatse;

3. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;

4. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

Deze voorwaarden zijn eveneens opgenomen in de hierboven onder 29.3 weergegeven andere wijzigingsbevoegdheden.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening Ruimte 2011 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied bepalen dat hervestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij is toegestaan op een duurzame locatie tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor goede landschappelijke inpassing. Ingevolge het bepaalde onder d kan een bestemmingsplan voorts op een duurzame locatie voorzien in de uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare.

Ingevolge het tweede lid dient ten aanzien van een duurzame locatie uit de toelichting bij een bestemmingsplan te blijken dat:

a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse;

b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;

c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie aanvaardbaar is.

30.2. De Afdeling constateert dat de in de planregels opgenomen voorwaarden waaronder van de wijzigingsbevoegdheden gebruik kan worden gemaakt overeenstemmen met de in artikel 9.3, tweede lid, van de Verordening Ruimte 2011 weergegeven omschrijving van een duurzame locatie. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan het begrip "duurzame locatie" onvoldoende concreet is omschreven en dat dit begrip onvoldoende duidelijk is. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat het plan een ruimere omschrijving geeft van het begrip "duurzame locatie" dan de Verordening Ruimte 2011. Het betoog faalt.

31. De BMF en de IVN betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden. Volgens hen berusten de onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het plan op verouderde onderzoeken van de provincie Noord-Brabant en onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het hiervoor geldende plan. Zij voeren aan dat de onderzoeken op grond waarvan bepaalde gebieden niet zijn bestemd als gebieden met natuur-, landschaps en cultuurhistorische waarden, niet bij de toelichting bij het plan zijn gevoegd, zodat niet is na te gaan of geen te beschermen waarden meer aanwezig zijn. Verder hadden waardevolle gebieden als historische groenstructuren, zichtlijnen en molenbiotopen in het plan als cultuurhistorische en landschappelijke waarden moeten worden bestemd.

De BMF en de IVN betogen voorts dat de openheid in het plangebied niet is gewaarborgd. Deze waarde is volgens hen kenmerkend voor het poldergebied rond Oud-Gastel in het westen van het plangebied en het noordelijke en oostelijke deel van het plangebied. De waarde kan door met name teeltondersteunende voorzieningen worden aangetast en had door middel van een aanlegvergunningenstelsel moeten worden beschermd. Verder hadden de ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden elk als zodanig moeten worden bestemd in het plan. Ook specifieke waarden als struweelvogels en weidevogels, onverharde wegen, laanbeplantingen en houtwallen hadden beschermd moeten worden, aldus de BMF.

31.1. Aan de door de BMF en de IVN bedoelde gebieden was in de hiervoor geldende plannen de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijk-cultuurhistorische en/of abiotische waarde" (hierna: ALCA) toegekend.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor de volgende doeleinden:

a. instandhouding van de aanwezige landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden.

Aan de gronden waar deze waarden voorkomen is in het ter beoordeling staande plan de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" of "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend.

31.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat vanwege een wijziging in de systematiek waarin bestemmingen worden toegekend, de bestemming ALCA niet meer voorkomt. Thans is aan de genoemde gebieden een van de drie hierboven genoemde agrarische bestemmingen toegekend en indien noodzakelijk een dubbelbestemming die de ter plaatse aanwezige waarden beschermt. Ter zitting heeft de raad erkend dat gezien de bestemmingsomschrijving in de planregels gronden met deze bestemmingen niet alleen voorzien in behoud van natuur- en landschapswaarden, maar ook in agrarische activiteiten die deze waarden kunnen aantasten. De raad heeft niet gemotiveerd op welke wijze met deze bestemmingen de waarden in de gebieden die in de hiervoor geldende plannen de bestemming "ALCA" hadden, worden beschermd dan wel waarom aan de aanwezige natuur- en landschapswaarden geen bescherming behoeft toe te komen. Het betoog slaagt.

31.3. In hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient voor zover het de plandelen waaraan in het hiervoor geldende plan de bestemming "ALCA" was toegekend wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

32. De BMF en de IVN betogen dat twee archeologische monumenten, respectievelijk liggend bij de hoek Bornhemweg/Oudlandsedijk en bij de hoek Barlauqeseweg/Sint Antoinedijk, ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Zij wijzen er op dat deze monumenten op de archeologische verwachtings- en beleidskaart staan.

Verder betogen de BMF en de IVN dat ten onrechte de diepte voor bodemingrepen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, is verlaagd van 40 cm naar 60 cm en dat een omgevingsvergunningplicht en een onderzoeksplicht voor drainage en het ophogen van gronden ten onrechte niet in het plan is opgenomen. Zij voeren aan dat door middel van archeologisch onderzoek en niet op grond van verklaringen van de grondgebruiker moet zijn aangetoond dat gronden in het recente verleden zodanig zijn geroerd.

32.1. Ingevolge artikel 28, lid 28.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 1" bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarden.

Ingevolge artikel 30, lid 30.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 3" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige middelhoge archeologische verwachtingswaarden.

Ingevolge lid 29.4, onder 29.4.1, aanhef en onder a, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden dieper dan 0,60 meter, waartoe onder meer diepploegen wordt gerekend, uit te voeren of uit te laten voeren.

Ingevolge het bepaalde onder 29.4.2, aanhef en onder d, geldt dit verbod niet indien aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,60 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden.

De bepalingen in lid 30.4, onder 30.4.1 en onder 30.4.2, onder d, zijn identiek aan de bepaling in lid 29.4, onder 29.4.1. en onder 29.4.2, onder d.

32.2. Aan de gronden waar zich de door de BMF en de IVN genoemde archeologische monumenten bevinden is de dubbelbestemming "Waarde Archeologie - 1" toegekend. De BMF en de IVN hebben niet aannemelijk gemaakt dat met deze bestemming de genoemde archeologische monumenten onvoldoende zijn beschermd. Verder hebben de BMF en de IVN niet gemotiveerd waarom het zonder vergunning draineren en ophogen van gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 1" onaanvaardbare gevolgen voor de archeologische waarden heeft. Het betoog faalt.

Over de diepte van bodemingrepen overweegt de Afdeling dat in het amendement waarin deze wijziging is opgenomen is aangegeven dat de gronden in het plangebied vanwege ruilverkaveling al geroerd zijn. Noch in het amendement noch in de plantoelichting is inzichtelijk gemaakt dat op alle gronden, waaraan de bestemming "Waarde - Archeologie 2" of "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, de bodem tot in ieder geval 60 cm diepte is geroerd en dat aantasting van de bodem tot die diepte niet leidt tot een verstoring van de archeologische verwachtingswaarden. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt.

32.3. In hetgeen de de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.1, onder a, en onder 29.4.2, onder d, en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.1, onder a, en onder 30.4.2, onder d, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Omdat niet duidelijk is tot welke diepte de aantasting van de bodem niet leidt tot een verstoring van de archeologische verwachtingswaarden, ziet de Afdeling geen aanleiding op dit punt zelf in de zaak te voorzien. Wel ziet zij aanleiding om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, te treffen, inhoudende dat artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.1, onder a, en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.1, onder a, als volgt komen te luiden: "grondwerkzaamheden dieper dan 0,40 m, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren"; en dat artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.2, onder d en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.2, onder d, als volgt komen te luiden: "aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,40 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden, of;".

33. De BMF en de IVN betogen dat de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in het plan te ruime mogelijkheden bieden voor het aanleggen van permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en dat deze onevenredige effecten op de natuur- en landschapswaarden zullen hebben. Zo is de toegestane oppervlakte voor teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak te ruim en is de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende begrensd. Verder ontbreekt een toetsingskader ten behoeve van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan.

33.1. Over de bouwmogelijkheden van zowel permanente als tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze in de regel minder invloed hebben op de openheid van het landschap dan andere bouwwerken die in de regel binnen een bouwvlak worden gerealiseerd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat teeltondersteunende voorzieningen binnen een bouwvlak niet tot een onaanvaardbare aantasting van de natuur- en landschapswaarden leiden.

Over de teeltondersteunende voorzieningen die binnen een bouwvlak dat met toepassing van artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.7, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.5 en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.5 is uitgebreid en de teeltondersteunende voorzieningen buiten de bouwvlakken, overweegt de Afdeling dat deze bij naast elkaar gelegen agrarische bedrijven kunnen leiden tot grote vrijwel aaneengesloten gronden met teeltondersteunende voorzieningen. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre hiermee rekening is gehouden bij het vaststellen van het plan. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende zorgvuldig en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb voorbereid. Het betoog slaagt.

34. De BMF en de IVN kunnen zich niet verenigen met de afwijkingsmogelijkheden die het plan biedt om buiten het bouwvlak paardenbakken aan te leggen in gebieden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden". Zij betogen dat paardenbakken enkel binnen het bouwvlak mogelijk zouden moeten worden gemaakt voor zover het deze bestemming betreft en dat een relatie dient te bestaan met de bestemming.

Verder betogen zij dat het plan ten onrechte eveneens voorziet in afwijkingsmogelijkheden voor paardenbakken voor bestemmingen die geen duidelijke relatie hebben met paarden, paardenbedrijven of paardenbakken, zoals bij de bestemmingen "Bedrijf", "Cultuur en Ontspanning", "Detailhandel", "Horeca", "Kantoor", "Maatschappelijk", "Recreatie", "Sport" en "Wonen".

34.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.8, onder b.6 zijn paardenbakken binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" niet toegestaan.

Ingevolge lid 5.3, onder 5.3.6, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in onderdeel 5.2.8, onder b.6 voor het realiseren van paardenbakken buiten het bouwvlak, met inachtneming van de volgende regels:

a. De paardenbak grenst direct aan een bouwvlak of een bestemmingsvlak waarbinnen een (bedrijfs)woning is toegestaan.

b. De afstand tot de meest nabijgelegen (bedrijfs)woning mag niet minder bedragen dan 25 m.

c. De totale oppervlakte van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 1.200 m2.

d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 m.

e. Lichtmasten zijn niet toegestaan.

f. De afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen.

g. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.5, onder d, artikel 10, lid 10.2, onder 10.2.5, onder c, artikel 11, lid 11.2, onder 11.2.5, onder c, artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.6, onder c, artikel 13, lid 13.2, onder 13.2.5, onder c, artikel 14, lid 14.2, onder 14.2.5, onder c, artikel 16, lid 16.2, onder 16.2.6, onder d, artikel 24, lid 24.2.4, onder c, gelden voor respectievelijk de voor "Bedrijf", "Cultuur en Ontspanning", "Detailhandel", "Horeca", "Kantoor", "Maatschappelijk", "Recreatie" en "Wonen" aangewezen gronden dat paardenbakken niet zijn toegestaan.

Ingevolge de onderdelen 6.3.4, 10.3.3, 11.3.3, 12.3.3, 13.3.3, 14.3.3, 16.3.3 en 24.4.4 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen om van de hierboven genoemde bepalingen af te wijken. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden zoals die hierboven met betrekking tot onderdeel 5.3.6 zijn weergegeven.

34.2. De Afdeling acht het niet ongebruikelijk dat in het buitengebied op de gronden met de bestemmingen "Wonen" en "Recreatie" paardenbakken voorkomen. De BMF en de IVN hebben niet aannemelijk gemaakt dat op de gronden met deze bestemmingen natuurwaarden voorkomen die er aan in de weg staan dat op deze gronden paardenbakken mogen worden aangelegd.

Met betrekking tot de gronden met bestemming "Sport" overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder 19.2.3, van de planregels, op gronden met deze bestemming uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "manege" paardenbakken zijn toegestaan en dat geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen om bij andere vormen van sport paardenbakken mogelijk te maken. Het betoog dat het plan ten onrechte een afwijkingsbevoegdheid voor paardenbakken biedt voor de gronden met deze bestemming mist derhalve feitelijke grondslag.

Over de gronden met de bestemmingen "Bedrijf", "Detailhandel", "Horeca", "Kantoor" en "Maatschappelijk" overweegt de Afdeling dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom paardenbakken passend zijn bij of een relatie hebben met deze bestemmingen. Voorts heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen paardenbakken kunnen hebben voor de natuurwaarden op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden". Het bestreden besluit is derhalve in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Het betoog slaagt.

34.3. In hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 6, lid 6.3, onder 6.3.4, artikel 10, lid 10.3, onder 10.3.3, artikel 11, lid 11.3, onder 11.3.3, artikel 12, lid 12.3, onder 12.3.3, artikel 13, lid 13.3, onder 13.3.3, artikel 14, lid 14.3, onder 14.3.3, artikel 16, lid 16.3, onder 16.3.3 en artikel 24, lid 24.4, onder 24.4.4 is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

35. De BMF en de IVN betogen dat het waterwingebied en de beschermingszones daaromheen niet zijn gevrijwaard van ruimtelijke ontwikkelingen die een risico voor de drinkwatervoorziening en de kwaliteit van het grondwater kunnen hebben. Volgens hen had in het plan een verbod op proefboringen moeten worden opgenomen en hadden bedrijven niet mogelijk moeten worden gemaakt in dit deel van het plan.

35.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het waterwingebied specifieke bescherming wordt geboden doordat hieraan de bestemming "Bos" is toegekend en ingevolge de daarvoor geldende planregels geen bouwwerken zijn toegestaan. Verder wordt voldoende bescherming aan het waterwingebied geboden door artikel 36, lid 36.4 en lid 36.5.

35.2. Aan het door de BMF en IVN bedoelde waterwingebied, dat in het zuidoosten van het plangebied ligt, en de beschermingszone daar omheen zijn de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", "Bedrijf", "Bos", "Recreatie", "Verkeer - Luchthaven", "Wonen", en de aanduidingen "milieuzone - grondwaterschermingsgebied" en "milieuzone - waterwingebied" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder j, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" bestemde gronden ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" tevens bestemd voor openbare drinkwatervoorziening en de instandhouding van het puttenveld ten behoeve van de waterwinning.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, onder h, zijn de gronden met de bestemming "Bos" ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" tevens bestemd voor openbare drinkwatervoorziening en de instandhouding van het puttenveld ten behoeve van de waterwinning.

Ingevolge artikel 36, lid 36.4, zijn de voor "milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit ten behoeve van de openbare drinkvoorziening.

Ingevolge artikel 36.5, lid 36.5, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" mede bestemd voor:

a. de openbare drinkwatervoorziening;

b. instandhouding van het puttenveld ten behoeve van de waterwinning.

35.3. De Afdeling overweegt dat de hierboven weergegeven planregels niet uitsluiten dat boringen worden uitgevoerd en dat het aannemelijk is dat boringen een aantasting van het grondwater met zich kunnen brengen. De raad heeft niet gemotiveerd of en zo ja in hoeverre boringen schadelijke gevolgen voor het grondwaterbeschermingsgebied met zich kunnen brengen. In hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", "Bedrijf", "Bos", "Horeca","Natuur", "Recreatie", "Recreatie - Recreatiepark 1", "Recreatie - Recreatiepark 2", "Verkeer", "Verkeer - Luchthaven", "Water" en "Wonen", en de aanduidingen "milieuzone - grondwaterschermingsgebied" en "milieuzone - waterwingebied", voor zover daarbij niet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning boringen uit te voeren, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 11]

36. [appellante sub 11] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" is toegekend aan haar percelen op en nabij de [locatie 18]. Op deze percelen exploiteert [appellante sub 11] een boomkwekerij. Volgens [appellante sub 11] brengt deze bestemming een beperking met zich voor de bedrijfsvoering, terwijl hiervoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. In dit verband wijst [appellante sub 11] er op dat voor de boomteelt de gronden regelmatig gediepwoeld zijn tot 80 cm diepte en/of afgegraven tot 100 cm diepte en dat derhalve tot die diepte geen archeologische waarden meer te verwachten zijn. Dat het plan in overeenstemming is gebracht met de gemeentelijke archeologische waardenkaart, doet daarom geen recht aan de feitelijke situatie. Verder wijst zij er op dat de gemeentelijke kaart niet op perceelsniveau is bepaald. De raad had daarom een specifiek onderzoek moeten uitvoeren naar de archeologische waarden op het perceel.

36.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aannemelijk is dat in ieder geval een deel van de gronden al lange tijd diep geroerd is. Hij stelt dat desondanks van [appellante sub 11] een onderzoek kan worden gevergd waaruit blijkt dat daadwerkelijk geen archeologische waarden aanwezig zijn. Volgens hem weegt de te verkrijgen zekerheid over de aan- of afwezigheid van archeologische waarden zwaarder dan het belang van [appellante sub 11]. Hij wijst er op dat het plan een wijzigingsbevoegdheid kent om deze dubbelbestemming te laten vervallen. Met betrekking tot de archeologische waardenkaart stelt de raad dat deze is opgesteld aan de hand van een bureaustudie en gecontroleerd is met een kleine veldtoets waarbij in het buitengebied een oppervlaktekartering en een booronderzoek heeft plaatsgevonden.

36.2. Aan de percelen van [appellante sub 11] zijn onder meer de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, en artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen.

Aan deze percelen is deels tevens de bestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, zijn de gronden met deze bestemming mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarden.

In lid 29.4, onder 29.4.1, is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

a. grondwerkzaamheden dieper dan 0,60 m, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

(...).

Ingevolge het bepaalde onder 29.4.2, is het in 29.4.1 vervatte verbod niet van toepassing indien:

a. mede op basis van onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;

b. mede op basis van onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn;

d. aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,60 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden;

(...)

h. voor onder andere de werken die behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden.

Ingevolge lid 29.5 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen door de bestemming "Waarde - Archeologie 2" te laten vervallen indien uit onderzoek blijkt dat er op een locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de waarden die wel aanwezig waren in voldoende mate zijn veilig gesteld.

36.3. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht om zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. In hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu op de kaart het perceel van [appellante sub 11] als verwachtingsvol gebied is aangemerkt, heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Waarde - Archeologie 2" hieraan kunnen toekennen. Verder ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de onderzoeksplicht dan aan het belang van [appellante sub 11]. Het betoog faalt.

37. [appellante sub 11] kan zich niet verenigen met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" die is toegekend aan een 37 meter brede strook aan de oostzijde van haar perceel ten noordoosten van het perceel [locatie 18]. Zij betoogt dat deze bestemming een beperking in haar bedrijfsactiviteiten met zich brengt. Zij voert aan dat in het hiervoor geldende plan deze bestemming niet op deze gronden rustte en dat de begrenzing van dit plandeel niet overeenstemt met de feitelijke situatie, omdat de aanwezige dijk een meter smaller is dan de bestemming zoals die op de planverbeelding is ingetekend.

37.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het hiervoor geldende plan "Buitengebied Halderberge Oost" aan dit deel van het perceel de bestemming "Waterstaatkundige doeleinden - Waterkering" was toegekend. Verder heeft het waterschap volgens de raad te kennen gegeven dat de strook 37 meter breed diende te zijn. Verder stelt hij dat voor het oprichten van bouwwerken binnen het bouwvlak op gronden met deze bestemming geen nadere beperkende voorwaarden zijn gesteld en dat weliswaar voor het uitvoeren van werkzaamheden een verbod geldt, maar dat dit niet geldt voor het normale onderhoud of gebruik van de gronden. Volgens hem ondervindt [appellante sub 11] derhalve geen nadelen van de bestemming.

37.2. Aan het door Brugel genoemde deel van het perceel ten noordoosten van het perceel [locatie 18] is de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" toegekend.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1, zijn deze gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire waterkering.

Ingevolge lid 32.4, onder 32.4.1, onder a en b, is het verboden zonder omgevingsvergunning een aantal werken uit te voeren, waaronder het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem en het diepploegen en diepwoelen beide dieper dan 0,60 m onder maaiveld.

Ingevolge het bepaalde onder 32.4.2, onder a, geldt dit verbod niet voor normaal onderhoud en/of gebruik.

Ingevolge het bepaalde in onder 32.4.3, onder a, kan alleen de omgevingsvergunning worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de functie van de waterkering.

37.3. In het hiervoor geldende plan waren aan het betreffende perceelsdeel onder meer de medebestemming "Waterstaatkundige doeleinden" en de aanduiding "waterkering" toegekend.

Ingevolge artikel 11, lid 1, van dat plan zijn gronden met deze bestemming bestemd voor waterstaatkundige doeleinden in het algemeen en een waterkering in het bijzonder. Ingevolge lid 3 mochten op deze gronden alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk waren voor het beheer en onderhoud van de watergang worden gebouwd.

37.4. Vast staat dat de strook grond met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" op het perceel van [appellante sub 11] breder is dan de thans aanwezige dijk. De raad heeft in de stukken noch ter zitting verklaard waarom een bredere strook met deze bestemming nodig is. Het bestreden besluit berust, gelet hierop, in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

38. [appellante sub 11] kan zich niet verenigen met de de aanduiding "groenblauwe mantel" en de aanduiding "ecologische verbindingszone" die zijn toegekend aan delen van haar perceel ten noordoosten van het perceel [locatie 18]. Volgens haar wordt met de aanduiding "ecologische verbindingszone" vooruitgelopen op het ontwikkelen van een ecologische verbindingszone, die haar zal beperken in haar bedrijfsvoering. Verder voert zij aan dat er geen noodzaak bestaat om de aanduiding "groenblauwe mantel" op te nemen, nu deze slechts aan een deel van het perceel is toegekend.

38.1. Niet in geschil is dat de gronden van [appellante sub 11] met de aanduiding "groenblauwe mantel" in overeenstemming zijn met de Verordening en dat de gronden met de aanduiding "ecologische verbindingszone" zijn aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszone. Verder is de aanduiding "ecologische verbindingszone" toegekend aan de gronden waarop thans de waterkering staat danwel de Laaksche Vaart loopt. [appellante sub 11] heeft niet gemotiveerd waarom deze aanduidingen haar belemmeren in haar bedrijfsvoering. Het betoog faalt.

39. In hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ter plaatse van het perceel ten noordoosten van het perceel [locatie 18] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 16]

40. [appellant sub 16] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" die is toegekend aan het perceel [locatie 19], te Oud Gastel. Aan dit perceel, dat ten zuiden van zijn woning aan [locatie 20] ligt, had volgens hem een woonbestemming moeten worden toegekend. Hij voert aan dat de agrarische bedrijfsvoering volledig is beëindigd, dat niet duidelijk is of op het perceel een agrarisch hoofd- of nevenbedrijf mag worden uitgeoefend en dat het perceel in een omgeving met burgerwoningen ligt. Verder voert hij aan dat de raad niet enkel vanwege het ontbreken van een verzoek van de eigenaar van het perceel [locatie 19], niet een woonbestemming had kunnen toekennen.

[appellant sub 16] betoogt voorts dat artikel 3, lid 3.1, van de planregels het ten onrechte mogelijk maakt dat diverse agrarische nevenfuncties als agrarische hoofdfunctie kunnen worden uitgevoerd. [appellant sub 16] voert aan dat deze nevenactiviteiten tot onaanvaardbare geur-, verkeers- geluid- en stofhinder zullen leiden. Hij wijst er op dat de Zegse Steenweg en de omliggende infrastructuur zich niet lenen voor grootschalig en frequent landbouwverkeer.

[appellant sub 16] betoogt verder dat het bouwvlak, dat thans 1 hectare groot is, niet in verhouding staat tot de rest van het perceel, dat 2,5 hectare groot is. Volgens hem had het bouwvlak niet één op één mogen worden overgenomen uit het hiervoor geldende plan zonder de maximale mogelijkheden hiervan te beoordelen en moet het bouwvlak verkleind worden. Hij wijst er verder op dat de bedrijfsactiviteiten vrijwel volledig beëindigd zijn en alleen hobbymatig nog enkele schapen worden gehouden. Het standpunt van de raad dat een bouwvlak van deze grootte nodig is voor fourageactiviteiten kan volgens hem niet opgaan, nu deze activiteiten nooit toegestaan zijn geweest en ook in het voorliggende plan niet zijn toegestaan. Verder voert hij aan dat ook feitelijk nooit een fouragehandel op het perceel gevestigd is geweest.

[appellant sub 16] betoogt voorts dat de op het perceel aanwezige landbouwschuur, die op 30 meter van zijn woning staat, niet in overeenstemming met de daarvoor verleende bouwvergunning is gebouwd en daarom niet in het bouwvlak kan worden opgenomen.

[appellant sub 16] vreest tot slot een aantasting van zijn uitzicht en een verstoring van het landschap, aangezien de bouwregels aanzienlijk grotere en meer bebouwing toestaan dan thans feitelijk op het perceel aanwezig is. Hij voert aan dat ten onrechte geen maximum is opgenomen ten aanzien van het bebouwingspercentage. Ook de maximale hoogte van de gebouwen is volgens hem te ruim. Hij betoogt dat de bouwregels hadden moeten worden aangepast aan de feitelijke bebouwing. Verder betoogt hij dat een planregeling had moeten worden opgenomen waarin is bepaald dat alleen bebouwing mag worden opgericht die noodzakelijk is voor het bedrijf.

40.1. De raad stelt zich op het standpunt dat afgezien van het feit dat de eigenaar van het perceel niet heeft verzocht om een woonbestemming, deze bestemming eerst aan de orde kan zijn als voldaan is aan bepaalde voorwaarden zoals het slopen van bedrijfsbebouwing. Verder betoogt de raad dat er geen reden is om het bouwvlak te verkleinen omdat het plan conserverend van aard is en dat agrarische bedrijfsvoering op het perceel nog mogelijk is. Tot slot betoogt hij dat de bestemmingsomschrijving en de bouwregels waarborgen dat bebouwing alleen is toegestaan wanneer dat past binnen de agrarische bestemming. Verder betoogt de raad dat gezien de gebruiksregels in artikel 3, lid 3.4 en de afwijkingsbevoegdheden daarvan in lid 3.5 verzekerd is dat de agrarische functie de hoofdfunctie blijft.

40.2. Aan het perceel [locatie 20] is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

b. grondgebonden agrarische bedrijven (...);

(...)

t. productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekgebonden producten;

u. statische (binnen)opslag;

v. opslag en be- en verwerking van agrarische producten, alsmede het verzendklaar maken van de producten;

w. een voorziening ten behoeve van het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting ten behoeve van een agrarisch bedrijf;

x. aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven;

y. groenvoorzieningen;

z. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;

aa. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;

bb. recreatief medegebruik;

cc. behoud van cultuurhistorisch waardevolle, beeldbepalende en/of monumentale bebouwing ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarden";

dd. behoud, herstel en ontwikkeling van de openheid van het gebied.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen in het algemeen de volgende regels:

a. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd (...).

b. Per bouwvlak is bebouwing van niet meer dan één agrarisch bedrijf toegestaan (...).

c. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, met dien verstande dat:

1. de afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 15 m;

2. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en/of achterste perceelsgrenzen niet minder mag bedragen dan 5 m.

Ingevolge onderdeel 3.2.2 gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen de volgende regels gelden:

a. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)".

b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m).

(...).

Ingevolge artikel lid 3.4, onder 3.4.1 is binnen deze bestemming de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de bedrijfswoning (...).

Ingevolge het bepaalde onder 3.4.3, onder a, mag de oppervlakte aan algemene voorzieningen, binnen het bouwvlak, ten behoeve van kleinschalig kamperen mag niet meer bedragen dan 50 m2.

Ingevolge het bepaalde onder b, mag de oppervlakte aan productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekgebonden producten mag gezamenlijk niet meer bedragen dan 50 m2 per agrarisch bedrijf.

Ingevolge het bepaalde onder c, mag de oppvervlakte aan statische (binnen)opslag niet meer bedragen dan 1.000 m2 per bouwvlak.

Ingevolge het bepaalde onder g, mag de gezamenlijke oppervlakte van vakantieappartementen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - vakantieappartementen" in totaal niet meer bedragen dan vijf stuks van maximaal 100 m2 per stuk.

Ingevolge het bepaalde onder h, mag de gezamenlijke oppervlakte bebouwing ten behoeve van verblijfsrecreatieve voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "verblijfsrecreatie" niet meer bedragen dan 460 m2.

Ingevolge het bepaalde onder i, mag het aantal toeristische kampeerplaatsen ter plaatse van de aanduiding "verblijfsrecreatie" niet meer bedragen dan 30.

In het hiervoor geldende plan "Buitengebied 1983" was aan de betreffende gronden de bestemming "Agrarisch gebied" en de medebestemming "Agrarisch bouwblok" toegekend.

Ingevolge artikel 8 van de planvoorschriften van dat plan hadden de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" de uitoefening van de landbouw tot doel en de vestiging en exploitatie van volwaardige agrarische bedrijven.

Ingevolge lid A, onder I.1, mochten op de tot "Agrarisch gebied" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken, geen woningen zijnde, worden gebouwd ten dienste van een agrarisch bedrijf, welke nodig zijn uit een oogpunt van doelmatig agrarisch bodemgebruik (...).

Ingevolge artikel 9 hadden de gronden met de bestemming "Agrarisch bouwblok" tot doel de vestiging, bouw en exploitatie van agrarische bedrijfsgebouwen (met woning) in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid A, onder 1, aanhef en onder a, mochten op de tot "Agrarisch bouwblok" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat binnen ieder op de plankaart als zodanig aangegeven bouwblok slechts één bedrijfswoning mocht worden gebouwd (...);

Ingevolge het bepaalde onder b mocht, kort weergegeven, de goothoogte van bedrijfsgebouwen ten hoogste 4,5 m en de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 6 m bedragen, behoudens hooitorens en silo's, waarvan de hoogte maximaal 12 m mocht bedragen.

Ingevolge het bepaalde onder e diende ieder gebouw met een kap te worden afgedekt, waarvan de dakhelling ten minste 12o bedraagt met een maximum van 45o.

Ingevolge het bepaalde onder f mocht, voor zover hier van belang, het bebouwingspercentage van het bouwblok ten hoogste 65% bedragen.

Ingevolge het bepaalde onder h moest de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 5 m bedragen.

40.3. In het deskundigenbericht staat dat van de ongeveer 2,5 hectare die het perceel groot is, op 1,5 hectare snijmais wordt verbouwd. De gronden liggen op 150 meter ten noorden van de kern van Zegge en in een gemengd gebied met onder andere agrarische grondgebonden bedrijven en een glastuinbouwbedrijf, maar ook burgerwoningen. Verder is vermeld dat van het bouwvlak ongeveer 11% bebouwd is, dat de landbouwschuur op ongeveer 35 meter afstand van de woning van [appellant sub 16] ligt en dat het oorspronkelijke agrarische bedrijf is afgebouwd.

40.4. Gezien het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gelet op de omgeving een agrarische bestemming passend is. Voorts heeft de raad in redelijkheid zich op het standpunt kunnen stellen dat geen woonbestemming hoefde te worden toegekend, nu op het perceel [locatie 20] nog agrarische activiteiten plaatsvinden en niet is gebleken dat die binnen de planperiode zullen worden beëindigd. Verder heeft de raad terecht gesteld dat gelet op artikel 11.1 van de Verordening een woonbestemming op dit perceel in beginsel niet mogelijk is omdat dit buiten het stedelijk gebied ligt en dat de in hoofdstuk 11 van de Verordening genoemde uitzonderingen zich niet voordoen, nu niet is komen vast te staan dat de agrarische activiteiten geheel worden beëindigd en bedrijfsgebouwen worden gesloopt.

40.5. Over de in artikel 3, lid 3.1, onder t tot en met dd genoemde activiteiten heeft de raad ter zitting verklaard dat gezien de bestemming "Agrarisch" deze activiteit ook de hoofdactiviteit zou moeten zijn en alle overige in dit artikellid genoemde activiteiten nevenactiviteiten.

De Afdeling overweegt dat de onder lid 3.1, onder y, z, aa, cc en dd genoemde activiteiten en voorzieningen naar hun aard geen agrarische nevenfuncties zijn die milieugevolgen met zich kunnen brengen. Verder is naar het oordeel van de Afdeling ten aanzien van de onder lid 3.1, onder t, u, x en bb genoemde activiteiten gezien de gebruiksregels die ten aanzien van deze activiteiten in artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.1 en onder 3.4.3 zijn gesteld, verzekerd dat deze activiteiten niet als hoofdactiviteit worden uitgevoerd.

Over de voorziening genoemd in lid 3.1, onder w, overweegt de Afdeling dat deze bepaling impliceert dat de biomassavergistingsinstallatie slechts voor één agrarisch bedrijf mag worden gerealiseerd en om die reden niet anders dan een ondergeschikte functie kan hebben ten opzichte van dat agrarische bedrijf.

Ten aanzien van het bepaalde in lid 3.1, onder v, overweegt de Afdeling dat, anders dan het bepaalde onder w, niet de beperking is opgenomen dat de opslag en be- en verwerking en het verzendklaar maken ten behoeve van een ter plaatse aanwezig agrarisch bedrijf dient te zijn. Hierdoor is het mogelijk dat deze acitiviteit als een hoofdactiviteit en niet als, zoals de raad heeft beoogd, als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf wordt uitgevoerd. Nu het bestreden besluit niet overeenkomt met de bedoeling van de raad, is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.

40.6. Met betrekking tot de grootte van het bouwvlak heeft [appellant sub 16] ter zitting aangegeven op zichzelf niet tegen agrarische activiteiten op het perceel te zijn, maar dat het bouwvlak verkleind dient te worden omdat de agrarische activiteiten nagenoeg zijn beëindigd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat thans op zeer beperkte schaal agrarische activiteiten op het perceel worden uitgevoerd, onvoldoende reden is om het bouwvlak te verkleinen ten opzichte van het hiervoor geldende plan. Het betoog faalt.

40.7. Over de bouwregels overweegt de Afdeling dat ten opzichte van het vorige plan het bebouwingspercentage is toegenomen, maar dat de maximale bouwhoogte is beperkt. In het deskundigenbericht is vermeld dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 16] niet wezenlijk wijzigt ten opzichte van het hiervoor geldende plan. [appellant sub 16] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwregels niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellant sub 16]. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in de bouwregels had moeten worden opgenomen dat de gebouwen noodzakelijk moeten zijn voor de agrarische bedrijfsvoering, aangezien, gelet op de bestemmingsomschrijving de gebouwen voor de agrarische bedrijfsvoering moeten worden gebruikt. Het betoog faalt.

40.8. Over de beweerdelijk illegaal gebouwde schuur overweegt de Afdeling dat de schuur binnen het bouwvlak van het hiervoor geldende plan en het voorliggende plan staat. De vraag of de schuur al dan niet overeenkomstig de daarvoor verleende bouwvergunning is gebouwd, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

40.9. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 3, lid 3.1, onder v, voor zover de daarin genoemde activiteiten niet als nevenactiviteit zijn aangegeven, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 10]

41. [appellant sub 10] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarbij de bestemming "Agrarisch" is toegekend aan een deel van zijn perceel [locatie 21] te Oud Gastel. Volgens hem had of aan het gehele perceel een woonbestemming moeten worden toegekend of had het perceel als zoeklocatie voor toekomstige bebouwing met een woonbestemming moeten worden bestemd. Hij wijst er op dat het college van burgemeester en wethouders bij novelle heeft voorgesteld aan de raad om het perceel als zoeklocatie aan te wijzen, maar dat de raad het deel van de novelle dat betrekking heeft op zijn perceel, ongemotiveerd heeft verworpen. Voorts wijst hij er op dat in de "Gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties Halderberge", die op 6 juni 2009 is vastgesteld, zijn perceel nog als zoeklocatie was aangemerkt, maar dat die aanduiding in de versie van de Gebiedsvisie van 24 september 2009 is verwijderd. Volgens [appellant sub 10] heeft hier evenwel geen besluitvorming door de raad aan ten grondslag gelegen. Hij voert aan dat hij op grond van de versie van 6 juni 2009 en de novelle het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat in het plan een woonbestemming danwel de bovengenoemde aanduiding zou worden opgenomen. Verder voert hij aan dat het betreffende perceelsgedeelte nooit agrarisch, maar altijd als tuin is gebruikt en dat een agrarische bestemming niet passend is gezien de woonomgeving. Tot slot betoogt hij dat de provincie Noord-Brabant subsidie heeft verleend op basis van de situatie waarin de [locatie 21] nog wel als zoeklocatie voor extra bebouwing was vermeld.

41.1. De raad stelt dat het perceel onbebouwd is en ingericht is als tuin behorende bij een nabijgelegen woning. Volgens de raad had alleen een woonbestemming kunnen worden toegekend indien een ruimtelijke onderbouwing en bijbehorende onderzoeken waren overgelegd, hetgeen niet is gebeurd. Verder past een nieuwe burgerwoning op het perceel niet binnen de Gebiedsvisie, die op 6 juni 2009 is vastgesteld en op 24 september 2009 is aangepast aan het besluit van 6 juni 2009. In de Gebiedsvisie is het perceel van [appellant sub 10] niet aangewezen als zoeklocatie voor nieuwe bebouwing. Over de novelle van het college van burgemeester en wethouders stelt de raad dat hij het uitgangspunt hanteert dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn en dat alleen in situaties waarin de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt onder voorwaarden uitzonderingen hierop mogelijk zijn. Dat het perceel in een bebouwingsconcentratie ligt, maakt volgens de raad niet dat een woning mogelijk gemaakt zou moeten worden. Hij wijst er op dat het perceel nu onbebouwd is en het open karakter en de doorzichten ter plaatse beschermd moeten worden.

41.2. Aan het betreffende deel van het perceel, dat ongeveer 100 bij 60 meter groot is, is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels is het mogelijk om op dit gedeelte een grondgebonden agrarisch bedrijf te exploiteren dan wel de gronden agrarisch te gebruiken.

Ingevolge artikel 38, lid 38.8, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte woning" met inachtneming van de volgende regels:

a. De wijziging is uitsluitend mogelijk ter plaatse van de aanduiding "bebouwingsconcentratie" en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoeklocatie ruimte-voor-ruimte".

b. Er mag een woning worden opgericht waarbij er geen sprake hoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning.

(...)

d. Er wordt voldaan aan de Gebiedsvisie.

e. Er dient aannemelijk te zijn dat de woning past in de omgeving en bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit gelet op de ligging en situering, de goot- en bouwhoogte, kapvorm en richting, vormgeving en materiaalgebruik, de onderliggende afstanden tot naastgelegen bebouwing in relatie tot doorzichten naar het achterliggende gebied en de grootte van het perceel.

(...).

In het hiervoor geldende plan was aan het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 10, lid 10.1 zijn de op de plankaart als "Agrarische doeleinden" aangegeven gronden bestemd voor:

- agrarische bedrijfsvoering met daarbij behorende voorzieningen;

- het behoud en/of herstel van landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden die op de kaartbijlage "ruimtelijke karakteristiek" staan.

41.3. In deze procedure kan de totstandkoming van de Gebiedsvisie en de vraag of daarin het perceel van [appellant sub 10] ten onrechte niet als zoeklocatie is opgenomen, niet aan de orde zijn. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het betreffende perceelsgedeelte als grasland in gebruik is en dat, los van de omgeving waarin enkele woningen staan, het terrein op zichzelf als open gebied moet worden aangemerkt. [appellant sub 10] heeft dat niet gemotiveerd bestreden. Voorts is aan de gronden aan de overzijde van de Oude Steenweg, die eveneens als grasland in gebruik zijn, een agrarische bestemming toegekend. Die gronden zijn in de Gebiedsvisie aangeduid als een zogeheten "te behouden en te versterken zichtrelatie". Gelet op de ligging en de grootte van het perceel van [appellant sub 10] heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het behoud van de openheid op het perceel van [appellant sub 10] bijdraagt aan het behoud van de aanwezige zichtrelatie. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het behoud van de zichtrelatie en de openheid van het landschap in het gebied aan de Oude Steenstraat een groter gewicht toekomt dan aan het belang van [appellant sub 10] om in afwijking van de Gebiedsvisie ter plaatse een woning op te richten danwel het perceel de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoeklocatie ruimte-voor-ruimte" toe te kennen.

41.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 20]

42. [appellant sub 20] kan zich niet verenigen met het plan voor zover het betrekking heeft op het perceel [locatie 22] te Hoeven, waar hij woont en een agrarisch bedrijf exploiteert. Hij voert aan dat het plan ten onrechte en zonder motivering niet voorziet in de aanduiding "intensieve veehouderij" op zijn perceel en dat zijn bouwvlak ten onrechte is verkleind. De bestaande gebruiksmogelijkheden op zijn perceel en verleende vergunningen hadden geëerbiedigd moeten worden. Ook is het niet toekennen van de aanduiding "intensieve veehouderij" in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat er andere bedrijven in het plangebied zijn die wel de mogelijkheid krijgen om zowel grondgebonden als niet-grondgebonden activiteiten uit te oefenen.

42.1. De raad betoogt dat het perceel is bestemd overeenkomstig het feitelijke gebruik omdat [appellant sub 20] er een aardbeienteeltbedrijf, dus een grondgebonden agrarisch bedrijf, uitoefent. Hij heeft er nooit een intensieve veehouderij geëxploiteerd. Daarbij vormde de voorheen geldende bestemmingsregeling, die tevens een niet grondgebonden bedrijf mogelijk maakte, een probleem omdat binnen die regeling de door [appellant sub 20] gewenste bedrijfsgebouwen voor aardbeienteelt niet mochten worden opgericht. De vorm van het bouwvlak op het perceel is in het plan zodanig aangepast dat de gewenste bedrijfsgebouwen voor de aardbeienteelt rechtstreeks mogelijk worden en het oppervlak van het bouwvlak komt overeen met dat in het voorgaande plan. Ook is het plan niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat op de percelen waarvoor de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij" geldt feitelijk intensieve veehouderij wordt uitgeoefend. Ook voor die percelen is de bestemming dus in overeenstemming met de feitelijke situatie.

42.2. Volgens het deskundigenbericht is in het verleden voor het perceel een milieuvergunning voor een varkenshouderij verleend die volgens de gemeente na drie jaar van rechtswege is vervallen, en een bouwvergunning voor een varkensstal waarvan geen gebruik is gemaakt, maar die ook niet is ingetrokken. [appellant sub 20] teelt op het perceel, dat een omvang heeft van 3,7 ha, aardbeien in ongeveer 3000 m2 aan tunnels. De huidige bedrijfsomvang en -exploitatie leiden niet tot een volwaardig bedrijf. [appellant sub 20] wil de mogelijkheid openhouden om in de toekomst een schuur, koelcellen en opslag en/of een intensieve veehouderij te realiseren. Hij heeft echter geen concrete plannen.

42.3. In het plan is aan het perceel van [appellant sub 20] de bestemming "Agrarisch" toegekend; tevens is het perceel voorzien van een bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

b. grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

(…)

3. "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan;

4. "specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij" tevens een neventak intensieve veehouderij bij een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan;

(…)

n. tevens teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen".

(…).

42.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge-Oost" was het perceel van [appellant sub 20] voorzien van een bouwvlak waaraan de bestemming "Agrarisch hoofdberoepsbedrijf" met de aanduiding "niet-grondgebonden bedrijf" was toegekend. In bijlage III, Detailplankaarten, staat op de lijst van agrarische bedrijven bij het perceel [locatie 22] als hoofdtype "tuinbouw/vleesvarkensbedrijf" vermeld.

42.5. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Het plan maakt voortzetting van het bestaande gebruik van het perceel voor de aardbeienteelt mogelijk. [appellant sub 20] heeft niet weersproken dat het plan tevens - anders dan het voorgaande plan - de oprichting van de door hem ten behoeve van de bestaande bedrijfsvoering gewenste bebouwing toelaat. Voorts is niet in geschil dat [appellant sub 20] op het perceel nooit een intensieve veehouderij heeft geëxploiteerd en dat hij ook geen concrete plannen daartoe heeft. Gelet daarop heeft [appellant sub 20] niet aannemelijk gemaakt dat de planregeling voor zijn perceel zodanig negatieve gevolgen voor hem heeft dat de raad het perceel niet in redelijkheid overeenkomstig het bestaande gebruik heeft kunnen bestemmen.

42.6. Wat betreft het bouwvlak overweegt de Afdeling dat de raad niet heeft beoogd de omvang daarvan in het plan te verkleinen. Volgens het deskundigenbericht is het in het plan toegekende bouwvlak echter ongeveer 200 m2 kleiner dan het in het voorgaande plan opgenomen bouwvlak. Nu het plan in zoverre op het perceel van [appellant sub 20] minder bebouwing mogelijk maakt dan de raad heeft beoogd is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellant sub 20] is in zoverre gegrond.

42.7. In hetgeen [appellant sub 20] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het bouwvlak op het perceel [locatie 22] te Hoeven is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 20] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 20] is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 21]

43. [appellant sub 21] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - smederij/showroom" is toegekend aan het perceel [locatie 23] te Hoeven. Volgens hem is met deze bestemming de detailhandel die op grond van het voorheen geldende plan mogelijk was, niet meer mogelijk.

43.1. Aan het perceel [locatie 23] zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - smederij/showroom" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - smederij/showroom" bestemd voor een smederij/showroom.

Ingevolge artikel 35, lid 35.1, aanhef en onder d, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik ten behoeve van detailhandel, tenzij dit expliciet is toegestaan in de betreffende bestemming.

In het hiervoor geldende plan "Buitengebied Deelgebieden Hoeven - Oudenbosch" was aan het perceel de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" en de medebestemming "B13, smederij" toegekend.

Artikel 22, vierde lid, van de planregels van dat plan luidt: "Onder strijdig gebruik in ieder geval niet wordt verstaan detailhandel binnen de medebestemming Bedrijfsdoeleinden voor zover het B13 smederij betreft."

43.2. De raad heeft erkend dat abusievelijk detailhandel op het perceel onmogelijk is gemaakt. Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

43.3. In hetgeen [appellant sub 21] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij op het perceel [locatie 23] te Hoeven geen detailhandel mogelijk wordt gemaakt, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van de minister van Defensie

44. De minister kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat voorziet in vijf windturbines aan [locatie 26] te Oud Gastel en vijf windturbines aan de Brede Molenweg te Hoeven. Hij voert aan dat ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.1, onder b, van de planregels de bouwhoogte van deze windturbines maximaal 105 meter mag zijn. Volgens hem zullen windturbines met deze bouwhoogte leiden tot een verstoring van het radarbeeld rond de vliegbasis Woensdrecht. Hij wijst er op dat volgens zijn beleid de maximale hoogte voor gebouwen binnen het radarverstoringsgebied rond Woensdrecht niet meer mag zijn dan 63,8 meter. Volgens hem had in het plan deze maximale hoogte moeten worden voorgeschreven en zouden hogere bouwwerken slechts mogelijk moeten zijn door middel van een vrijstellingsbevoegdheid, waarbij een van de voorwaarden is dat het Ministerie van Defensie toetst of de werking van de radar niet onaanvaardbaar wordt aangetast.

44.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Windturbine" aangewezen gronden bestemd voor:

a. voorzieningen ten behoeve van het opwekken van windenergie;

b. transformatoren;

c. groenvoorzieningen;

d. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;

e. water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen.

Ingevolge lid 7.2, onder 7.2.1 gelden voor het bouwen van windturbines de volgende regels:

a. per bestemmingsvlak mag niet meer dan één windturbine aanwezig zijn.

b. De ashoogte van de windturbine mag niet meer bedragen dan 105 m.

(...).

44.2. De planregels in hoofdstuk 7 hebben betrekking op de plandelen die de bestemming "Bedrijf - Windturbine" hebben. Niet in geschil is dat de raad heeft beoogd deze bestemming toe te kennen aan de gronden aan [locatie 26] te Oud Gastel en aan de gronden aan de Brede Molenweg te Hoeven. Gelet op artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is de elektronisch vastgestelde verbeelding beslissend. De Afdeling stelt vast dat op de elektronisch vastgestelde verbeelding aan de gronden langs de Brede Molenweg kleine bestemmingsvlakken zijn toegekend, kennelijk ten behoeve van de windturbines, zonder dat aan die bestemmingsvlakken een bestemming is toegekend. Voorts is aan de gronden aan [locatie 26] te Oud Gastel, waar thans met vergunning reeds windturbines staan, de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Gelet daarop zijn de planregels in hoofdstuk 7 niet van toepassing op deze gronden. Nu het plan derhalve in zoverre niet voorziet in hetgeen de raad heeft beoogd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre onzorgvuldig heeft voorbereid.

44.3. De Afdeling ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding de beroepsgrond van de minister te bespreken. Daarbij zal de Afdeling uitgaan van de door de raad beoogde locaties voor de windturbines, zoals die ook op de analoge kaart zijn weergegeven.

44.4. Volgens het beleid van de minister van Defensie voor radarverstoringsgebieden geldt voor het radarverstoringsgebied rond de vliegbasis Woensdrecht een maximaal toelaatbare hoogte van 63,8 meter. Volgens het beleid zijn bouwwerken hoger dan 63,8 meter slechts toegestaan als uit een toetsing door de Minister van Defensie blijkt dat geen sprake is van een onaanvaardbare verstoring.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij is uitgegaan van de hoogte van de windturbines aan de Brede Molenweg zoals die vergund zijn. De windturbines die aan de Brede Molenweg gebouwd zullen worden, hebben een hoogte van maximaal 105 meter. De raad heeft toegelicht dat deze hoogte is ontleend aan de vergunde hoogte van enkele windturbines die even buiten het plangebied zullen worden gebouwd en nabij de beoogde windturbines aan de Brede Molenweg. Voor de windturbines buiten het plangebied heeft de minister van Defensie een toets uitgevoerd en geoordeeld dat die het radarverstoringsgebied niet onaanvaardbaar aantasten.

Naar het oordeel van de Afdeling ontslaat de omstandigheid dat voor andere windturbines door het Ministerie van Defensie een toets is uitgevoerd en dat is geoordeeld dat die windturbines het radarverstoringsgebied niet onaanvaardbaar aantasten, de raad niet van de plicht om voor het mogelijk maken van windturbines hoger dan 63,8 meter voorafgaand aan het plan met de minister van Defensie te overleggen of hierdoor het radarverstoringsgebied niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Daarbij betrekt de Afdeling dat de minister ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat een positieve uitkomst van de toets ten aanzien van een windturbine van 105 meter hoog niet betekent dat geen enkele windturbine van die hoogte een onaanvaardbare aantasting van het radarverstoringsgebied met zich brengt, omdat de veroorzaakte storing door een windturbine afhankelijk is van onder meer het type, de configuratie en de tiphoogte van de rotorbladen.

Bij een nieuw vast te stellen plan dient de raad een nieuwe regeling vast te stellen voor de hoogte van de windturbines, waarbij hij artikel 2.6.9, lid 3, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en artikel 2.4 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening in acht dient te nemen.

44.5. Gelet op het voorgaande is het plan, voor zover daarbij geen bestemming is toegekend aan de gronden aan de Brede Molenweg en voor zover de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" is toegekend aan de gronden langs [locatie 26] waarop thans windturbines staan, in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van de ZLTO

44.6. De ZLTO kan zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.5, aanhef en onder b, van de planregels, nu dat, anders dan het ontwerpplan, ten onrechte niet voorziet in een bijzondere regeling voor boomteeltbedrijven. Zij bepleit het opnemen van de mogelijkheid om voor een daartoe aangewezen deel van het buitengebied door middel van een omgevingsvergunning teeltondersteunende kassen op te richten tot 1,5 ha. Dit is volgens haar van belang om de boom-, sier- en -aardbeienteelt in het agrarische gebied duurzame ontwikkelingskansen te bieden.

Naar het oordeel van de ZLTO dient voorts, anders dan in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, is bepaald, in gebieden met een agrarische bestemming bij recht 5000 m² aan teeltondersteunende kassen te worden toegestaan. Dit om te voorkomen dat een dubbele toetsing op doelmatige agrarische bedrijfsvoering plaatsvindt, hetgeen volgens de ZLTO leidt tot onnodige administratieve lasten en procedures.

Het beroep van de ZLTO is tevens gericht tegen artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.8 en lid 3.7, onder 3.7.7, met betrekking tot de toegestane oppervlakten aan permanente teeltondersteunende voorzieningen in agrarisch gebied. Zij voert daartoe aan dat de oppervlakte van 2,5 ha in het verleden doorgaans toereikend was, maar dat in het komende decennium grotere oppervlakten noodzakelijk zijn voor verduurzaming van de teelt.

44.7. De raad heeft naar voren gebracht dat geen bijzondere regeling voor boomteeltbedrijven en teeltondersteunende kassen is opgenomen omdat daartegen bezwaar bestond van de gebiedscommissie Brabantse Delta. Voorts is volgens de raad bij de vaststelling van het plan niet gebleken dat concrete behoefte bestaat bij de boomtelers in het gebied aan een grotere oppervlakte aan teeltondersteunende kassen.

Met betrekking tot het toegestane oppervlak teeltondersteunende kassen op gronden met een agrarische hoofdbestemming heeft de raad gesteld dat wordt gehecht aan het belang van het per concreet geval bewaken van de ruimtelijke kwaliteit.

De raad staat voorts op het standpunt dat de in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.8 en lid 3.7, onder 3.7.7. toegestane maximale oppervlakte aan permanente teeltondersteunende voorzieningen van resp. 2,5 ha en 4,5 ha toereikend is gelet op de bestaande behoeften in het gebied.

44.8. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.8, onder c, geldt voor het bouwen van permanente teeltondersteunende voorzieningen op gronden waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend, de regel dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 2,5 ha.

Ingevolge artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.7, onder c, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen door middel van vergroting van het bouwvlak en het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening" uitsluitend ten behoeve van de bouw van permanente teeltondersteunende voorzieningen, met inachtneming van de regel dat de totale oppervlakte van het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 4,5 ha, waarvan een oppervlakte van ten minste 2,5 ha uitsluitend gebruikt mag worden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen.

44.9. Met betrekking tot het beroep van de ZLTO tegen artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.8, en lid 3.7, onder 3.7.7, overweegt de Afdeling dat de BMF zich in haar beroepschrift heeft gekeerd tegen de in het plan opgenomen regeling betreffende de permanente teeltondersteunende voorzieningen, omdat deze naar haar mening te verstrekkend is. Naar aanleiding van het beroep van de BMF is in 29.9 geconcludeerd dat het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.7 en de plandelen met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de aanduiding "permanente teeltondersteunende voorzieningen" moet worden vernietigd. Het betoog van de ZLTO, dat ertoe strekt dat in het plan ter zake een ruimere regeling moet worden opgenomen, behoeft derhalve geen bespreking.

44.10. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, gelden voor het bouwen van teeltondersteunende kassen op gronden waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend de volgende regels:

a De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.

b De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 1.000 m².

c De afstand tot (bedrijfs)woningen van derden mag niet minder bedragen dan 25 m.

Ingevolge artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.5 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.4 onder b voor het bouwen van een grotere oppervlakte teeltondersteunende kassen met inachtneming van de volgende regels:

a De kassen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

b De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 5.000 m².

c De uitbreiding is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.

44.11. Bij besluit van 1 november 2011 heeft het college van gedeputeerde staten aan de raad van de gemeente Halderberge een aanwijzing gegeven, ertoe strekkende dat artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, en lid 3.3, onder 3.3.5, geen deel blijven uitmaken van het plan in het gebied met de bestemming "Agrarisch" en de gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel". Na intrekking door de ZLTO van haar beroep tegen deze aanwijzing op de zitting waarin de beroepen tegen het besluit van 1 november 2011 zijn behandeld, in de zaak nr. 201112843/1/R3, is deze aanwijzing in rechte onaantastbaar geworden.

De Afdeling houdt het ervoor dat het beroep van de ZLTO uitsluitend is gericht tegen artikel 3, lid, 3.2, onder 3.2.4 en lid 3.3, onder 3.3.5, voor zover deze bepalingen niet door aanwijzing 21 zijn getroffen, dat wil zeggen voor zover deze zien op gebieden met de bestemming "Agrarisch" waaraan geen gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel" is toegekend.

44.12. De raad heeft voorafgaande aan de vaststelling van het plan door middel van verschillende onderzoeken geïnventariseerd welke behoefte bestaat aan vergroting van de bouwvlakken van boomteeltbedrijven voor teeltondersteunende kassen. Hij heeft hieruit geconcludeerd dat van concrete wensen daartoe geen sprake is. De ZLTO heeft dit niet op basis van concrete gegevens bestreden. Voorts heeft zij haar betoog dat een grotere oppervlakte van belang is om de boomteeltbedrijven in het agrarische gebied in de nabije toekomst duurzame ontwikkelingskansen te bieden, niet nader onderbouwd.

De bezwaren van de ZLTO tegen artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, vloeien voort uit de vrees voor een dubbele toetsing aan het criterium doelmatige agrarische bedrijfsvoering, namelijk bij de vaststelling van het bouwvlak en opnieuw bij uitbreiding daarvan tot 5000 m². De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat die dubbele toets slechts plaatsvindt als om vergroting van de omvang van teeltondersteunende kassen buiten een bestaand bouwblok wordt verzocht als bedoeld in artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.2, aanhef en onder d, sub 2, van de planregels en dat de toets als het gaat om vergroting binnen een bestaan bouwblok in het kader van de omgevingsvergunning wordt verricht. De Afdeling acht het bezwaar van de zogenoemde dubbele toets niet zo ernstig dat de raad deze, bij afweging van het belang van het bewaken van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied, niet in redelijkheid in het plan had mogen opnemen. Het beroep van de ZLTO ter zitting op de mogelijkheden die door de Verordening worden geboden om bouwvlakvergrotingen tot 1,5 ha te realiseren, wat daarvan ook zij, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het een gemeenteraad vrij staat om in het kader van zijn taak op het gebied van de ruimtelijke ordening, nu de Verordening daar niet aan in de weg staat, een stringenter beleid te voeren dan de provincie.

44.13. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om grotere oppervlakten voor teeltondersteunende kassen ten behoeve van boomteeltbedrijven en andere agrarische bedrijven in het plan (bij recht) mogelijk te maken.

44.14. De ZLTO keert zich ten slotte tegen de in artikel 29, lid 29.2 en artikel 30, lid 30.2 van de planregels opgenomen regeling met betrekking tot de voor "Waarden-Archeologie 2" en "Waarden-Archeologie 3" aangewezen gronden. Deze bepalingen staan volgens de ZLTO ten onrechte in de weg aan het op deze gronden oprichten van gebouwen op bestaande agrarische bouwvlakken.

44.15. Ingevolge artikel 29, lid 29.2 is het op gronden met de bestemming "Waarden-Archeologie 2" niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:

a bouwwerken die voor onderzoek noodzakelijk zijn;

b vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid;

c een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,40 m en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;

d een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 500 m².

Ingevolge artikel 30, lid 30.2, geldt dezelfde regeling voor gronden met de bestemming "Waarden-Archeologie 3".

44.16. De raad heeft in zijn verweerschrift en ter zitting erkend dat in deze artikelen abusievelijk geen uitzondering is opgenomen voor bestaande agrarische bouwvlakken. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft deze onderdelen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

In hetgeen de ZLTO heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 29, lid 29.2 en artikel 30, lid 30.2 van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van de ZLTO is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 35]

45. Het beroep van [appellant sub 35] is gericht tegen de in artikel 29, lid 29.2 en artikel 30, lid 30.2 van de planregels opgenomen regeling met betrekking tot de voor "Waarden-Archeologie 2" en "Waarden-Archeologie 3" aangewezen gronden.

45.1. Zoals in overweging 44.16 is overwogen heeft de raad in zijn verweerschrift en ter zitting erkend dat in deze artikelen abusievelijk geen uitzondering is opgenomen voor bestaande bouwblokken, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en dient het bestreden besluit wat betreft deze onderdelen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

45.2. In hetgeen [appellant sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 29, lid 29.2 en artikel 30, lid 30.2 van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 35] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Autobedrijf Succes BV

46. Autobedrijf Succes B.V. kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij geen ruimte-voor-ruimtewoning mogelijk gemaakt is op zijn perceel aan de Wildertstraat 3a te Oud Gastel. Hij voert aan dat, in ruil voor de realisering van de woning, de op het perceel Wildertstraat 3a aanwezige bedrijfsbebouwing met een totale omvang van 300 m² zal worden gesloopt en de bedrijfsbestemming zal worden beëindigd, waardoor kwaliteitsverbetering van het buitengebied zal ontstaan. Dit geldt volgens hem temeer omdat het perceel volgens de regels van het plan en de geldende milieuvergunning ook geheel zou kunnen worden gebruikt voor het stallen van sloopauto’s en sloopmateriaal. De beoogde locatie van de nieuwe woning past volgens hem in de omgeving, nu deze is voorzien in een bebouwingsconcentratie en op deze locatie al eerder een woning heeft gestaan. Het realiseren van de woning is zijns inziens bovendien in overeenstemming met artikel 11.4. van de Verordening.

46.1. De raad heeft naar voren gebracht dat sprake is van een gekoppeld bouwvlak, waarvan volgens de voornemens van het bedrijf slechts een deel van de bebouwing zal worden verwijderd. De raad staat weliswaar in beginsel positief tegenover de omzetting van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied naar een burgerwoning, maar omdat in dit geval geen sprake is van volledige beëindiging van de bedrijfsactiviteiten is de kwaliteitsverbetering volgens hem te beperkt. Indien sprake is van volledige herstructurering zijn er volgens hem in beginsel mogelijkheden voor het realiseren van een ruimte-voor-ruimtewoning.

Bovendien is in het verzoek van Autobedrijf Succes B.V. niet aangegeven welke omvang aan nieuwe bebouwing wordt beoogd, zodat, gelet op de mogelijkheden van de bouw van woningen volgens de ruimte-voor-ruimteregeling, niet is uitgesloten dat de nieuwe woning per saldo zal leiden tot meer bebouwing dan de huidige, aldus de raad.

46.2. Aan de percelen Wildertstraat 1 en Wildertstraat 3a is in het plan de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf: autohandel en sloperij" toegekend.

Tussen de twee percelen is op de verbeelding een koppelteken "relatie" aangebracht. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder b, worden, indien tussen bouwvlakken de aanduiding "relatie" is aangegeven, deze bouwvlakken aangemerkt als één bouwvlak. Hierdoor worden de percelen in planologische zin als een enkel perceel beschouwd.

In het bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge-West" was aan beide percelen de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" en de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden-autoreparatiebedrijf" toegekend en eveneens een koppelteken aangebracht.

46.3. In het deskundigenbericht staat dat het autobedrijf in 1975 is gestart op het perceel aan de Wildertstraat 1. Op dit perceel is een terrein ingericht voor de stalling van auto’s en staat een woning. In 1978 is het perceel verderop in de straat, zonder nummer, aangekocht. Dit perceel aan de Wildertstraat, hier verder nr. 3a genoemd, is destijds afgesplitst van het perceel Wildertstraat nr. 3.

Vanaf 1990 is gedoogd dat het perceel Wildertstraat nr. 3a werd gebruikt voor het autobedrijf. Het perceel is in het bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge-West" van 2000 als zodanig bestemd.

In de huidige situatie wordt het perceel op nr. 3a gebruikt voor de opslag van materiaal en enkele auto’s. Op het terrein is een loods aanwezig van 300 m². Autobedrijf Succes B.V. is van plan deze loods te slopen en de activiteiten op het perceel nr. 3a te beëindigen, aldus het deskundigenbericht.

46.4. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels, is op de voor "Bedrijf" aangewezen gronden één bedrijfswoning toegelaten per bestemmingsvlak. Nu de percelen aan de Wildertstraat 1 en 3a door middel van een koppelteken zijn verbonden, is sprake van één perceel, waarop in totaal één bedrijfswoning is toegestaan.

46.5. Ingevolge artikel 11.2, eerste lid, van de Verordening kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijkt uit de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, dat is verzekerd dat is voldaan aan de op grond van artikel 11.3 gestelde nadere regels.

Ingevolge artikel 11.3, eerste lid, stellen gedeputeerde staten nadere regels ten aanzien van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 11.2, in verband met het beleid om ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse de bouw van woningen op passende locaties toe te staan.

Ingevolge het tweede lid wordt, zolang nadere regels, als bedoeld in het eerste lid, nog niet zijn vastgesteld en in werking zijn getreden, de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte aangemerkt als nadere regels, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 11.4, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling of binnen een gebied integratie stad-land, in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, voorzien in één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, blijkt uit de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, dat geen inbreuk wordt gedaan aan de toepassing van de regeling bedoeld in artikel 11.2.

46.6. De raad heeft naar voren gebracht bij omzetting van een niet-agrarisch bedrijf naar een burgerwoning het beleid te hanteren dat bij beëindiging van het bedrijf in kwestie de bedrijfsbebouwing dient te worden verwijderd. Niet in geschil is dat Autobedrijf Succes B.V., in ruil voor realisering van een woning slechts bereid is tot de sloop van een deel van zijn bedrijfsbebouwing en dat hij zijn bedrijf op het resterende deel van zijn gronden wenst voort te zetten.

Het op deze wijze onttrekken van één relatief beperkte bedrijfslocatie acht de raad niet voldoende voor de beoogde kwaliteitsverbetering. Aldus is volgens de raad sprake van het toevoegen van een extra bedrijfswoning, waartoe het plan geen mogelijkheid biedt. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

46.7. Overigens heeft de raad ter zitting benadrukt niet negatief te staan tegen de realisering van een ruimte-voor-ruimtewoning op het perceel aan de Wildertstraat 3a. De raad heeft er daarbij evenwel terecht op gewezen dat in de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte, die in dat kader zowel in artikel 11.4, als artikel 11.2 en 11.3 van de Verordening van toepassing is verklaard, strikte voorwaarden worden gesteld omtrent sloop van overtollige bebouwing, milieuwinst en de aankoop van een bouwtitel, en dat onduidelijk is of daaraan in dit geval kan worden voldaan.

46.8. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om niet tegemoet te komen aan de wens van Autobedrijf Succes B.V. om de bouw van een woning op het perceel Wildertstraat 3a mogelijk te maken.

46.9. Het beroep van Autobedrijf Succes B.V. is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 22]

47. [appellant sub 22] kan zich niet verenigen met het plan voor zover het het plandeel betreft met de bestemming "Bedrijf" dat is toegekend aan het perceel [locatie 24] te Oud-Gastel. De grens van het daarbij behorende bouwvlak is volgens hem aan de noordzijde ten onrechte gedeeltelijk over zijn gronden gelegd, waardoor de toegangsroute tot zijn landbouwgronden kan worden bebouwd. Hij voert aan dat in het voorontwerp van het plan eenzelfde bouwblok was opgenomen, dat naar aanleiding van de daartegen gerichte inspraakreactie het ontwerp was aangepast en dat het bouwblok bij het bestreden besluit zonder enige toelichting opnieuw is aangebracht over de strook grond waarover hij zijn bouwland moet bereiken.

47.1. De raad heeft in zijn verweerschrift en ter zitting erkend dat bij het vaststellingsbesluit op de verbeelding voor het perceel [locatie 24] abusievelijk opnieuw de bij het voorontwerp van het plan aangegeven bouwvlakgrens is opgenomen. Het verleggen van de grens zoals door [appellant sub 22] beoogd is evenwel niet noodzakelijk volgens de raad, omdat op basis van de Woningwet niet mag worden gebouwd op grond van derden, een recht van overpad kan worden gevestigd op de strook grond en de kans dat de bebouwing op het perceel [locatie 24] wordt verplaatst zeer klein is.

47.2. Naar het oordeel van de Afdeling doet hetgeen de raad naar voren heeft gebracht niet af aan het feit dat de grens van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" fout op de verbeelding is weergegeven. Het bestreden besluit is op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

47.3. In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf op het perceel [locatie 24] afwijkt van het ontwerpplan, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 22] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 29]

48. [appellante sub 29] kan zich niet verenigen met het plan omdat dit niet de verplaatsing mogelijk maakt van het autobedrijf dat zij exploiteert aan [locatie 25] te Stampersgat naar een perceel aan de Sint Antoinedijk te Oud Gastel. Zij voert aan dat de gemeenteraad op 3 juni 2009 met deze verplaatsing heeft ingestemd en dat ook het college van gedeputeerde staten medewerking aan de verplaatsing heeft toegezegd zoals blijkt uit de bestuursovereenkomst die gemeente en provincie hebben gesloten. Voorts blijkt uit het rapport "Herontwikkelingsvisie Sint Antoinedijk 1" van bureau Peutz van 26 mei 2011 (hierna: het rapport van Peutz) dat de verplaatsing van haar bedrijf naar [locatie 26] niet in strijd is met de Verordening. Ook stemt het waterschap in met de beoogde ontwikkeling en valt de verplaatsing van het bedrijf naar [locatie 26] in het niet bij de toename van bedrijvigheid in de nabije omgeving.

48.1. De raad voert aan dat hij positief staat tegenover de verplaatsing van het bedrijf en dat daartoe door de gemeente op 30 juni 2010 een bestuursovereenkomst met de provincie is gesloten waarin ook door de provincie planologische medewerking is toegezegd. De gemeente heeft echter geen voorkeur uitgesproken voor de locatie aan [locatie 26], heeft nog geen afgewogen oordeel over die locatie en is nog steeds in overleg met [appellante sub 29] over (andere) mogelijkheden.

48.2. Volgens het deskundigenbericht beslaat het perceel in Stampersgat waar [appellante sub 29] haar bedrijf exploiteert een oppervlakte van ongeveer 1.750 m2. Daarop zijn een garagegebouw van 432 m2 en een bedrijfswoning aanwezig. Het perceel aan [locatie 26] waar [appellante sub 29] het bedrijf naar wil verplaatsen meet ongeveer 5.500 m2 en bestaat uit onbebouwd grasland. [appellante sub 29] wil er een garagegebouw neerzetten van 1.250 m2 en een bedrijfswoning van 120 m2. Het perceel is gelegen tussen het talud van de provinciale weg en het perceel van jachtscheepswerf De Roterij. Verder staat in het deskundigenbericht dat door de vestiging van een autobedrijf op het perceel de aanwezige, door het plan beschermde aardkundige waarden verloren gaan.

48.3. Het bedrijf dat [appellante sub 29] exploiteert aan [locatie 25] te Stampersgat is in het plan als zodanig bestemd, zodat zij daar haar bedrijf kan voortzetten.

48.4. Aan de locatie aan [locatie 26] is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Verder geldt de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - aardkundige waarden" en de gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel".

48.5. In de bestuursovereenkomst van 30 juni 2010 tussen de gemeente Halderberge en de provincie Noord-Brabant staat dat het college van gedeputeerde staten medewerking verleent aan de verplaatsing van het bedrijf van [appellante sub 29] naar een locatie elders in of direct nabij Stampersgat. Dat daarmee wordt gedoeld op de locatie aan [locatie 26] blijkt daar niet uit. Evenmin blijkt uit de stukken dat de raad de wijze waarop in het rapport van Peutz vijf mogelijke locaties voor het te verplaatsen bedrijf worden beoordeeld, onderschrijft. Uit de omstandigheid dat de locatie aan [locatie 26] als de meest geschikte wordt aangemerkt volgt dus niet dat de raad ook de keuze voor die locatie heeft gemaakt. Voorts staat in de bij de vaststelling van het plan aangenomen motie dat er op korte termijn duidelijkheid moet worden gegeven over de verplaatsing van het bedrijf van [appellante sub 29] door het aanwijzen van een geschikte locatie, maar niet dat de raad de locatie aan [locatie 26] daarvoor geschikt acht. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat verplaatsing van het bedrijf naar [locatie 26] volgens het deskundigenbericht de daar aanwezige aardkundige waarden zou verstoren heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellante sub 29] gewenste bedrijfsverplaatsing nog niet in het plan kon worden opgenomen omdat nog niet voldoende duidelijkheid was verkregen over de meest geschikte locatie voor het bedrijf. Dit geldt te meer nu blijkens een gespreksverslag van 20 juni 2011 van de zijde van de provincie is aangegeven dat nieuwvestiging van een bedrijf aan [locatie 26] niet zal worden toegestaan omdat de locatie is gelegen in het buitengebied en niet in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling.

Dat het waterschap instemt met de beoogde ontwikkeling - wat daar van zij - vormt geen grond voor een ander oordeel nu het aan de raad is om, na afweging van alle betrokken belangen, een bestemmingsplan vast te stellen. Wat betreft de toenemende bedrijvigheid in de nabije omgeving van [locatie 26] heeft de raad gesteld dat het daarbij gaat om uitbreiding van bestaande bedrijvigheid op basis van een uitgebreide ruimtelijke beoordeling. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dat niet meebrengt dat ook de verplaatsing van het bedrijf van Verhoeven naar een andere locatie in het plan diende te worden opgenomen.

49. Het beroep van [appellante sub 29] is ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 28]

50. [appellante sub 28] kan zich niet verenigen met het plan voor zover zijn gronden, die zijn gelegen tussen [3 locaties] te Oud Gastel, niet zijn aangeduid als "doorgroeigebied glastuinbouw". Hij betoogt dat zijn gronden blijkens de kaarten bij de Beleidsnota Glastuinbouw inclusief teeltondersteunende kassen uit 2006 en de Verordening deel uitmaken van het gebied dat in het provinciale beleid is aangemerkt als mogelijk doorgroeigebied, omdat op die kaarten het gebied, anders dan in het plan, doorloopt tot de spoorlijn. Voorts is dit gebied als geschikt aangemerkt in het rapport "Afweging ontwikkeling en vestigingseisen bedrijven doorgroeigebied glastuinbouw Halderberge" van Arcadis van 19 mei 2006 (hierna: het rapport van Arcadis).

50.1. Aan de gronden van [appellante sub 28] is in het plan de bestemming "Agrarisch" toegekend. De gronden zijn niet voorzien van de aanduiding "glastuinbouw" en evenmin aangemerkt als doorgroeigebied voor glastuinbouw.

50.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

b. grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

1. "glastuinbouw" tevens glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan (…).

50.3. De raad stelt zich op het standpunt dat hij in 2006 heeft besloten om de omgeving Langenberg en Nieuweweg niet verder te ontwikkelen als glastuinbouwgebied en dat dat in de raadsvergadering van 10 december 2009 is bevestigd.

50.4. Volgens het deskundigenbericht is het beleid op het gebied van glastuinbouw op provinciaal niveau begonnen in 1999 met de vaststelling van de (eerste) provinciale Beleidsnota Glastuinbouw, waarin mogelijke doorgroeigebieden voor glastuinbouw werden aangewezen, waaronder een gebied ten westen van de gronden van [appellante sub 28]. Dit gebied werd vervolgens in het in april 2005 vastgestelde provinciale Gebiedsplan Brabantse Delta aangemerkt als mogelijk doorgroeigebied. In de naar aanleiding van de evaluatie van de Beleidsnota Glastuinbouw in 2006 vastgestelde Beleidsnota glastuinbouw inclusief teeltondersteunende kassen (hierna: de Beleidsnota Glastuinbouw 2006) is hetzelfde gebied aangeduid als doorgroeigebied. Inmiddels zijn regels over glastuinbouw opgenomen in de Verordening en is hetzelfde gebied op de bij de Verordening horende kaart aangemerkt als mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw.

50.5. Anders dan [appellante sub 28] stelt vallen zijn gronden niet binnen het gebied dat in de Verordening is aangemerkt als mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw. Voorts komt het in de Verordening aangewezen gebied overeen met het gebied dat in het Gebiedsplan Brabantse Delta uit 2005 is aangewezen als doorgroeigebied. Dit gebied ligt op geringe afstand van de gronden van [appellante sub 28]. De omstandigheid dat de begrenzing van het gebied dat op de kaart bij de Beleidsnota Glastuinbouw 2006 is aangewezen als concentratiegebied voor glastuinbouw over de gronden van [appellante sub 28] lijkt te lopen, vormt, gelet op de schaal van deze kaart en de dikte van de belijning waarmee het gebied daarom is ingetekend, geen aanleiding voor het oordeel dat in die nota een groter gebied is aangewezen dan in het Gebiedsplan en de Verordening.

Dat het gebied waar de gronden van [appellante sub 28] liggen in het rapport van Arcadis wordt aangemerkt als zijnde geschikt als doorgroeigebied vormt geen grond voor het oordeel dat de raad het gebied als zodanig had moeten aanwijzen, reeds omdat de raad bij de vaststelling van het plan gebonden was aan de Verordening. Voorts staat in het deskundigenbericht dat de raad vanwege de aanzienlijke kosten die gemoeid zouden zijn met de ontwikkeling van dat gebied indertijd heeft besloten om voorlopig af te zien van de ontwikkeling van het gebied als doorgroeigebied voor glastuinbouw. Onder deze omstandigheden heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten aan de gronden van [appellante sub 28] niet de aanduiding "doorgroeigebied glastuinbouw" toe te kennen.

51. Het beroep van [appellante sub 28] is, wat betreft de planregeling voor haar gronden, ongegrond.

52. [appellante sub 28] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bos" op het in de directe nabijheid van haar gronden gelegen perceel van Staatsbosbeheer. Zij betoogt dat ter plaatse geen bos maar slechts een houtwal aanwezig is.

52.1. In de Nota zienswijzen heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijze van [appellante sub 28] te kennen gegeven dat de bestemming "Bos" ter plaatse zal worden verwijderd. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging wel is opgenomen in de Nota zienswijzen die onderdeel uitmaakt van het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die door de raad is gewaarmerkt als behorend bij zijn besluit van 22 september 2011 en ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingsbesluit. Het betoog slaagt.

53. In hetgeen [appellante sub 28] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bos" dat is gelegen tussen het Papenstraatje, de Nieuweweg en de Langenbergsestraat te Oud Gastel. Het beroep van [appellante sub 28] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 27]

54. [appellante sub 27], die een varkenshouderij exploiteert aan de [locatie 27], kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat niet voorziet in verplaatsing van dit bedrijf naar de [locatie 28] Zij voert aan dat zij haar plannen daartoe al vanaf 1995 herhaalde malen met de gemeente heeft besproken en dat de raad vanwege destijds schriftelijk gedane toezeggingen gehouden was deze ontwikkelingen in het plan mogelijk te maken. Door de lange periode van totstandkoming van het plan is dit ingehaald door nieuwe regelgeving, waaronder de Verordening. Omdat de gemeente niet voor 20 maart 2010 een verzoek om ontheffing heeft aangemeld bij de provincie, is deze zaak ten onrechte niet als een lopende zaak beschouwd die voor ontheffing in aanmerking komt, aldus [appellante sub 27].

54.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspanningsovereenkomst, noch de motie van 3 juni 2009 waarop [appellante sub 27] zich beroept, een verplichting in het leven heeft geroepen tot het rechtstreeks toekennen van een nieuw bouwvlak in het plan. Bovendien kan volgens de raad niet via de koppeling van de bouwvlakken aan [locatie 9] een nieuw bouwvlak worden toegekend.

Over de verplaatsing van de intensieve veehouderijen aan de [locatie 27] en de [locatie 29] heeft volgens de raad in het verleden herhaaldelijk overleg met de provincie plaatsgevonden, dat niet tot resultaat heeft geleid. Omdat verplaatsing zowel binnen de gemeentelijke als provinciale regelgeving niet toegestaan was, is verscheidene keren tevergeefs gepoogd te komen tot een maatwerkoplossing en is de situatie tevens aangekaart in het kader van de door de provincie in 2010 gehouden inventarisatie van de intensieve veehouderijen die door de aangescherpte regelgeving hun plannen niet meer zouden kunnen realiseren, aldus de raad.

54.2. In het plan is zowel aan de gronden aan de [locatie 27] als aan de gronden aan de [locatie 28] de bestemming "Agrarisch", toegekend. Het perceel [locatie 27] heeft tevens de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor agrarisch gebruik en grondgebonden agrarische bedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de gelijknamige aanduiding tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

54.3. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat op de locatie [locatie 27] een intensieve veehouderij staat, waaraan in het bestemmingsplan "De Stoof" een agrarisch bouwvlak van ongeveer 0,7 ha is toegekend. Deze veehouderij ligt in de directe nabijheid van burgerwoningen.

Op de locatie [locatie 29] ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge-West" een agrarisch bouwvlak voor een intensieve veehouderij van ongeveer 1 ha groot. De hier gevestigde intensieve varkenshouderij moest wijken voor de aanleg van de zuidelijke rondweg rondom Oudenbosch. De stallen van het bedrijf zijn in 2012 gesloopt.

54.4. In het plan, zoals dat door de raad is vastgesteld op 22 september 2011, zijn twee wijzigingsbevoegdheden opgenomen ten behoeve van verplaatsing van de intensieve veehouderijen aan de [locatie 27] en de [locatie 29] naar een gezamenlijke nieuwe locatie aan de [locatie 28] en de bouw van 2 woningen op de oude locatie van de veehouderij aan de [locatie 27].

Het betreft een wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot het perceel [locatie 28] waarmee de agrarische bestemming van gronden met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" kan worden gewijzigd in die zin, dat een nieuw bouwvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij" wordt toegevoegd. Door middel van de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied 3" is op het perceel [locatie 27] in de bouw van de woningen voorzien. In artikel 38, lid 38.10, en lid 38.11 van de planregels is geregeld wat op de locaties, waarop genoemde aanduidingen tot wijzigingsgebied betrekking hebben, is toegestaan.

Gelet hierop houdt de Afdeling het ervoor dat het beroep van [appellante sub 27] moet worden opgevat als zijnde gericht tegen het niet bij recht mogelijk maken van de door haar beoogde bedrijfsverplaatsing.

54.5. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet op basis van toezeggingen was gehouden om de plannen van [appellante sub 27] in het plan bij recht mogelijk te maken. Blijkens de stukken bevatten de overeenkomst en de motie waarop zij zich in dit verband beroept, uitsluitend de verplichting van de raad om zich in te spannen om te zoeken naar een oplossing voor haar bedrijf en heeft de raad zich in dat verband meermalen tot de provincie gewend. De Afdeling ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan slechts had mogen vaststellen na bij het college van gedeputeerde staten een verzoek om ontheffing van de provinciale Verordening te hebben gedaan en een beslissing daarop te hebben afgewacht.

55. Het beroep van [appellante sub 27] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 25]

56. [appellant sub 25] kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat betrekking heeft op zijn perceel [locatie 30] te Hoeven, waar hij een vollegronds akkerbouwbedrijf exploiteert.

56.1. Aan ongeveer 5 ha van de gronden van [appellant sub 25], de gronden die zijn gelegen tussen de rivier De Mark ten noorden en de weg De Hoop en het onverharde pad dat in het verlengde van deze weg naar de Laaksche Vaart loopt ten zuiden, is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Voor deze gronden geldt tevens de gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel". Voor een strook van ongeveer 40 meter breed aan weerszijden van de weg De Hoop en het onverharde pad geldt de aanduiding "Waterstaat - Waterkering". Aan het perceel van [appellant sub 25] is tevens een gekoppeld bouwvlak toegekend. Het noordelijke deel daarvan, waarop de bedrijfswoning en -bebouwing staat, is gelegen tussen de weg en de rivier. Het andere deel ligt ten zuiden van de weg. Waar de gronden van [appellant sub 25] grenzen aan de Laaksche Vaart in het oosten geldt voor een strook van ongeveer 15 meter breed tevens de gebiedsaanduiding "ecologische verbindingszone". Daarnaast geldt voor vrijwel het gehele perceel van [appellant sub 25] de gebiedsaanduiding "reconstructiezone - verwevingsgebied", behoudens voor een strook van ongeveer 10 meter breed die grenst aan de rivier en een strook van minder dan 1 meter breed die grenst aan de Laaksche Vaart. Daarvoor geldt de aanduiding "reconstructiezone - extensiveringsgebied".

56.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarische gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

b. grondgebonden agrarische bedrijven;

(…)

e. een (zoekgebied voor een) ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "ecologische verbindingszone";

(…)

s. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor:

1. het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel";

(…).

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.4, gelden voor het bouwen van teeltondersteunende kassen de volgende regels:

(…)

d. Teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel".

Ingevolge lid 4.6, onder 4.6.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

(…)

c. ter plaatse van de aanduiding "ecologische verbindingszone":

1. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².

Ingevolge lid 4.7, onder 4.7.2, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het agrarisch bouwvlak van grondgebonden agrarische bedrijven, glastuinbouwbedrijven of intensieve kwekerijen, met inachtneming van de volgende regels:

a. Voor grondgebonden agrarische bedrijven geldt, naast de regels genoemd onder d, dat vergroting van het bouwvlak is toegestaan tot een maximum van 2 ha.

(…)

d. Naast de hiervoor per type agrarisch bedrijf aangegeven voorwaarden, gelden de volgende algemene regels:

(…)

5. Er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing. Indien de wijziging plaatsvindt op een locatie welke gelegen is binnen de aanduiding "groenblauwe mantel", dient een positieve bijdrage geleverd te worden aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden en kenmerken door ten minste 10% van de oppervlakte van het bouwvlak aan te wenden voor landschappelijke inpassing rondom de locatie danwel elders in het plangebied van dit bestemmingsplan.

6. De verwezenlijking, het behoud en het beheer van een (zoekgebied voor een) ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "ecologische verbindingszone" mag niet worden belemmerd of worden aangetast.

Ingevolge het bepaalde onder 4.7.5, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd deze bestemming te wijzigen door middel van vergroting van het bouwvlak en het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - permanente teeltondersteunende voorziening" uitsluitend ten behoeve van de bouw van permanente teeltondersteunende voorzieningen, met inachtneming van de volgende regels:

(…)

h. Indien de wijziging plaatsvindt op een locatie welke gelegen is binnen de aanduiding "groenblauwe mantel", dient een positieve bijdrage geleverd te worden aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden en kenmerken door ten minste 5% van de oppervlakte van het bouwvlak aan te wenden voor landschappelijke inpassing rondom de locatie danwel elders in het plangebied van dit bestemmingsplan.

Ingevolge het bepaalde in 4.7.6 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak en door middel van het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - sleufsilo’s en kuilvoerplaten" uitsluitend ten behoeve van de realisatie van sleufsilo’s en kuilvoerplaten, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…)

e. De verwezenlijking, het behoud en het beheer van (het zoekgebied voor) een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "ecologische verbindingszone" mag niet worden belemmerd of worden aangetast.

(…)

g. Indien de wijziging plaatsvindt op een locatie welke gelegen is binnen de aanduiding "groenblauwe mantel", dient een positieve bijdrage geleverd te worden aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden en kenmerken door ten minste 5% van de oppervlakte van het bouwvlak aan te wenden voor landschappelijke inpassing rondom de locatie danwel elders in het plangebied van dit bestemmingsplan.

Ingevolge het bepaalde in 4.7.11 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vestiging van niet-agrarische functies, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…)

c. Het bouwvlak wordt verwijderd en de oppervlakte van het bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan 5.000 m² waarbinnen de voormalige bedrijfswoning met bijhorende verhardingen en bebouwing ten behoeve de niet-agrarische functie is gesitueerd.

d. In afwijking van het bepaalde onder c mag de omvang van het bestemmingsvlak op locaties buiten de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ ten behoeve van een agrarisch technisch hulpbedrijf, agrarisch verwant bedrijf, horeca, dagrecreatieve en/of maatschappelijke voorziening niet meer bedragen dan 1,5 ha.

(…)

k. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bebouwing. Indien de wijziging plaatsvindt op een locatie welke gelegen is binnen de aanduiding "groenblauwe mantel", dient een positieve bijdrage geleverd te worden aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden en kenmerken door ten minste 10% van de oppervlakte van het bouwvlak aan te wenden voor landschappelijke inpassing rondom de locatie danwel elders in het plangebied van dit bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1 zijn de voor "Waterstaat - Waterkering" aangegeven gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de onbelemmerde werking, instandhouding en onderhoud van de primaire waterkering.

Ingevolge artikel 38, lid 38.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" te wijzigen in de bestemming "Bos" en/of "Natuur" ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van bos, landschapselementen en/of de natuur, met inachtneming van de volgende regels:

a. De wijziging kan uitsluitend plaatsvinden ten behoeve van de realisatie van vastgesteld natuur- en landschapsbeleid, zoals het beleid voor de ecologische hoofdstructuur (EHS), een (zoekgebied voor een) ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "ecologische verbindingszone" (EVZ), het landschappelijk raamwerk en bos-, natuur-, en/of landschapscompensatie.

b. De wijziging vindt pas plaats nadat de aankoop/overdracht in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden en nadat de zakelijk gerechtigde daarover in het kader van (particulier)natuurbeheer heeft verzocht.

Ingevolge lid 38.2 geldt een vergelijkbare regeling voor de wijziging in de bestemming "Water".

Ingevolge lid 38.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de begrenzing van de aanduiding "ecologische verbindingszone" te wijzigen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. Een (zoekgebied voor een) ecologische verbindingszone kan met de beoogde wijziging ten minste een vergelijkbare functie vervullen.

b. Het college van gedeputeerde staten heeft tot de wijziging van de begrenzing positief besloten.

56.3. Volgens het deskundigenbericht exploiteert [appellant sub 25] op het adres [locatie 30] een vollegronds akkerbouwbedrijf, dat sinds 1982 op deze locatie is gevestigd. Hij heeft ongeveer 45 ha grond in gebruik voor de teelt van diverse gewassen. Het huiskavel is ongeveer 37 ha groot en is gelegen ten zuiden van het riviertje De Mark, tussen de spoorlijn ten westen en de Laaksche Vaart ten oosten. Op deze kavel staan een bedrijfswoning, twee opslagloodsen en een machineberging. Een perceel direct ten oosten van de bedrijfswoning is in gebruik als paardenwei. Op enige afstand ten zuiden van de huiskavel zijn de overige akkerbouwgronden, met een oppervlak van ruim 7 ha, gelegen.

57. [appellant sub 25] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend in plaats van de bestemming "Agrarisch". De toekenning is onvoldoende gemotiveerd, omdat de Verordening hier niet toe verplicht. Daarbij is onvoldoende ingegaan op de belemmeringen die deze bestemming meebrengt, zoals de restrictie voor de mogelijkheid om teeltondersteunende kassen op te richten. [appellant sub 25] wil die mogelijkheid voor de toekomst graag openhouden. Ook betoogt [appellant sub 25] dat op het perceel [locatie 31] te Hoeven, waaraan eveneens de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend, aan het bouwvlak de bestemming "Agrarisch" is toegekend, terwijl op zijn eigen perceel ook voor het bouwvlak de bestemming "Agrarisch met waarden" geldt. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

57.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden van [appellant sub 25] in de Verordening zijn aangeduid als behorende tot de groenblauwe mantel. De begrenzing van die gebieden in de Verordening heeft plaatsgevonden op grond van bestaande informatie in het provinciale beleid. Binnen de gebieden wordt in de Verordening ingezet op het behoud en de ontwikkeling van natuur en waterbeheer; het gaat om overwegend grondgebonden agrarisch gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur, water en niet-bezoekersintensieve recreatie. De gebieden worden beschermd via de "ja, mits" benadering, wat wil zeggen dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn als ecologische en landschappelijke waarden behouden worden en kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Omdat het bij de vaststelling van een bestemmingsplan verplicht is bescherming te bieden aan de waarden in gebieden die behoren tot de groenblauwe mantel, is de bestemming "Agrarisch met waarden" aan de gronden van [appellant sub 25] toegekend, aldus nog steeds de raad.

57.2. Niet in geschil is dat de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "groenblauwe mantel" alleen zijn toegekend aan de gronden van [appellant sub 25] die in de Verordening zijn aangewezen als groenblauwe mantel. Ingevolge artikel 6.3 van de Verordening dient een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel te strekken tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ingevolge het bepaalde in artikel 6.4, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met de begripsbepalingen in artikel 1 van de Verordening zijn binnen het bouwvlak van een agrarisch bedrijf in de groenblauwe mantel wel permanente teeltondersteunende voorzieningen maar geen kassen toegestaan. Het bepaalde in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder s, en in lid 4.2, onder 4.2.4, onder d, van de planregels is daarmee in overeenstemming. Nu in artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening is bepaald dat een bestemmingsplan in de groenblauwe mantel kan voorzien in een uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits een positieve bijdrage wordt geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kernmerken heeft de raad in redelijkheid in het plan kunnen opnemen dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden ter zake, zoals artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.2 en onder 4.7.5, van de planregels, met het oog op die bescherming en ontwikkeling een percentage van de uitbreiding moet worden gebruikt voor landschappelijke inpassing. Het betoog van [appellant sub 25] dat de belemmeringen die deze planregels mee brengen onvoldoende zijn gemotiveerd omdat ze niet voortvloeien uit de Verordening, faalt. Nu de bestemmingsregeling voorts niet aan de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden van [appellant sub 25] en niet is gebleken dat [appellant sub 25] concrete plannen heeft om dat gebruik te wijzigen, is het plan op dit punt ook overigens voldoende gemotiveerd.

Ten aanzien van de door [appellant sub 25] gemaakte vergelijking met het bouwvlak op het perceel [locatie 31] wordt overwogen dat deze situatie verschilt van die van [appellant sub 25] omdat blijkens de kaart bij de Verordening de gronden ter plaatse van het bouwvlak [locatie 31] niet zijn aangewezen als groenblauwe mantel. In zoverre is geen sprake van gelijke gevallen.

Voorts is de vrees van [appellant sub 25] dat door de aanduiding "groenblauwe mantel" de bestemming van de gronden kan worden gewijzigd in een natuurbestemming, ongegrond omdat het plan niet voorziet in een daarop gerichte wijzigingsbevoegdheid.

58. [appellant sub 25] vreest voor waardedaling en beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel door de toekenning van de gebiedsaanduiding "ecologische verbindingszone". Ook vreest hij dat de aanduiding ertoe leidt dat een natuurbestemming aan zijn gronden zal worden toegekend. Voorts betoogt hij dat de betrokken gronden volgens de Verordening niet in de ecologische verbindingszone liggen, maar hooguit in een zoekgebied daarvoor. In zoverre is het plan onzorgvuldig vastgesteld.

58.1. De raad betoogt dat de ecologische hoofdstructuur en de zoekgebieden ecologische verbindingszone uit de Verordening zijn opgenomen in het plan. Voor de ecologische verbindingszone betreft het dus overal zoekgebieden.

58.2. In de toelichting staat in de paragraaf "Uitgangspunten verbeelding en regels" dat de ecologische hoofdstructuur en de zoekgebieden vanuit de Verordening zijn opgenomen in het plan. Voorts zijn het verbod in artikel 4, lid 4.6, onder 4.6.1, om zonder omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen van groter dan 100 m2 aan te brengen en de voorwaarde in artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.2, dat de verwezenlijking, het behoud en het beheer van het (zoekgebied voor een) ecologisch verbindingszone niet mag worden belemmerd bij vergroting van het bouwvlak in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4.3 van de Verordening, waarin de regels voor de bescherming van zoekgebieden voor ecologische verbindingszones zijn opgenomen. In zoverre voldoet de planregeling aan de beperkingen die de Verordening stelt voor zoekgebieden voor ecologische verbindingszones en diende de raad deze regels in het plan op te nemen voor de gronden van [appellant sub 25] die in de Verordening als zodanige zoekgebieden zijn aangemerkt. Mede in aanmerking genomen dat de aanduiding slechts rust op een beperkt deel van de gronden van [appellant sub 25], namelijk op de strook die is gelegen langs de Laaksche Vaart, en gelet op de beperkte aard van de restricties die de aanduiding meebrengt, valt niet in te zien dat de raad deze regels met het oog op de belangen van [appellant sub 25] niet in het plan heeft mogen opnemen. Dat de planregeling leidt tot een zodanige waardedaling dat de gevolgen daarvoor voor [appellant sub 25] onevenredig zijn in verhouding tot de met de regeling te dienen doelen heeft [appellant sub 25] niet aannemelijk gemaakt.

Wat betreft de vrees van [appellant sub 25] dat de aanduiding ertoe leidt dat een natuurbestemming aan zijn gronden zal worden toegekend wordt overwogen dat dit blijkens artikel 38, lid 38.1 en 38.2, van de planregels, niet zonder meer mogelijk is.

59. [appellant sub 25] betoogt dat aan zijn gronden ten onrechte de gebiedsaanduidingen "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" zijn toegekend. Indien deze aanduidingen gebaseerd zijn op de Verordening en nagenoeg geen gevolgen hebben, valt niet in te zien dat ze moeten worden opgenomen, terwijl ze hem wel zullen beperken omdat hij aan de planregels gebonden zal blijven ook als de Verordening - waarop de aanduidingen zijn gebaseerd - zou wijzigen.

59.1. Volgens het deskundigenbericht is door het opnemen van de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" de zonering uit de Verordening, die afkomstig is uit het reconstructieplan, overgenomen.

59.2. De beperkingen die op grond van de planregels gelden voor gronden waarop de bestreden aanduidingen rusten hebben vooral betrekking op mogelijkheden op het gebied van de intensieve veehouderij. Nu [appellant sub 25] geen intensieve veehouderij exploiteert en geen concrete plannen heeft om zijn bedrijf om te vormen, is er geen grond voor het oordeel dat de raad de aanduidingen gelet op de belangen van [appellant sub 25] niet in het plan heeft mogen opnemen. Eventuele toekomstige wijzigingen van de Verordening heeft de raad daarbij niet in aanmerking kunnen en hoeven nemen.

60. [appellant sub 25] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" is toegekend omdat in de Nota zienswijzen staat dat deze aanduiding ter plaatse van zijn perceel zou worden verwijderd. Ook is ter plaatse geen waterkering aanwezig en als er al vanuit moet worden gegaan dat dat wel het geval is gaat het niet om een primaire waterkering.

60.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

- primaire waterkering: waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming doordat deze behoort tot een dijkring ofwel vóór een dijkring is gelegen;

(…).

Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, worden de dijkringen en de primaire waterkeringen aangegeven op de als bijlage I en IA bij deze wet behorende landkaarten.

Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt verstaan onder:

primaire waterkering en beschermingszone:

gebied dat bestaat uit een primaire waterkering, als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet en een daaromheen liggende beschermingszone.

60.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het op het perceel volgens het waterschap niet gaat om een toekomstige waterkering, maar om een bestaande. De woning van [appellant sub 25] ligt buitendijks en de bestaande weg is een kering, waarbij een zone hoort waar restricties gelden.

60.3. In het deskundigenbericht staat dat de aanduiding "Waterstaat - Waterkering" is toegekend aan gronden ter plaatse van een op de keurkaart van Waterschap Brabantse Delta uit 2009 aangeduide waterkering langs een regionale rivier met nummer B 97, Goudbloemsedijk. Het gaat dus om een bestaande waterkering en de bestemming sluit aan bij de feitelijke situatie, zij het dat het volgens de keurkaart geen primaire waterkering is.

60.4. In de Nota zienswijzen staat bij de behandeling van de zienswijze van [appellant sub 25] over de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" in de kolom "Conclusie" dat de verbeelding zal worden aangepast door de dubbelbestemming te verwijderen. Nu deze wijziging niet is verwerkt op de verbeelding stemt het plan in zoverre niet overeen met het vaststellingsbesluit van de raad en is het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Dit klemt te meer nu de gronden met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ingevolge artikel 32, lid 32.1, gelezen in samenhang met artikel 1, van de planregels (mede) bestemd zijn voor de onbelemmerde werking, instandhouding en onderhoud van de primaire waterkering als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet en de daar omheen liggende beschermingszone, en de betrokken gronden in bijlage I en IA van de Waterwet niet zijn aangegeven als primaire waterkering.

61. In hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ter plaatse van het perceel [locatie 30] te Hoeven, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 25] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre, in aanvulling op hetgeen is overwogen onder 29.9, dient te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 24]

62. [appellant sub 24], die woont op het perceel [locatie 32 en 33] te Oud Gastel, voert aan dat de raad ten onrechte slechts één woonbestemming aan zijn perceel heeft toegekend. Hij is sinds 1985 eigenaar van de twee woningen op het perceel, die sindsdien worden bewoond door één huishouden. In het bestemmingsplan "Buitengebied De Stoof" uit 1982 waren beide woningen als zodanig bestemd. In het bestemmingsplan "De Stoof" uit 1996 is voor het perceel - abusievelijk en waarschijnlijk op basis van de kadastrale ondergrond - één bestemmingsvlak voor "Wonen" opgenomen, zodat feitelijk een van de woningen onder het overgangsrecht werd gebracht. Dit zou in het plan hersteld moeten worden, omdat niet aannemelijk is dat de raad voornemens is om gedurende de planperiode het gebruik van de woning te doen beëindigen. Ook is niet duidelijk welke van de twee woningen onder het overgangsrecht valt, zodat niet duidelijk is voor welke woning beperkingen gelden voor de mogelijkheid tot verandering en vernieuwing. Nu bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan de betrokken belangen dienen te worden afgewogen is de enkele omstandigheid dat de bestemmingsregeling uit het voorgaande plan is overgenomen, onvoldoende motivering voor het nogmaals onder het overgangsrecht brengen van een van de woningen.

[appellant sub 24] voert voorts aan dat de door hem gewenste bestemmingsregeling niet in strijd is met de Gebiedsvisie. Omdat al twee woningen aanwezig en in gebruik zijn, leidt het toekennen van twee woonbestemmingen niet tot het toevoegen van een nieuwe burgerwoning in het buitengebied en evenmin tot verdere verstening. Ook is volgens de gebruiksvoorschriften en het overgangsrecht nu al bewoning door twee huishoudens mogelijk, zodat er geen extra ruimtelijke effecten zijn.

62.1. In het plan is aan het perceel van [appellant sub 24] de bestemming "Wonen" toegekend.

62.2. Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 24.2, onder 24.2.1, mag per bestemmingsvlak het aantal woningen niet meer bedragen dan één, met uitzondering van het bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden", waar niet meer dan het aangeduide aantal woningen is toegestaan.

62.3. De raad stelt zich op het standpunt dat de bebouwing op het perceel [locatie 32 en 33] sinds 1985 wordt gebruikt als één woning met bijgebouwen: op [locatie 32] wordt gewoond, [locatie 33] wordt gebruikt als garage en berging. In overeenstemming met deze feitelijke situatie is in bestemmingsplan De Stoof uit 1996 één bestemmingsvlak voor wonen voor het perceel opgenomen. De kadastrale situatie is daarbij niet leidend geweest. Voorts brengt dit mee dat het bestaande gebruik van het perceel in overeenstemming is met de planregeling en dus niet onder het overgangsrecht valt. Hoogstens kan gezegd worden dat het oppervlak aan bijgebouwen te groot is, waardoor algehele vernieuwing niet is toegestaan, maar gezien de beperkte overschrijding vormt dit geen reden om handhavend op te treden.

62.4. Volgens het deskundigenbericht wordt de woning [locatie 32] bewoond door [appellant sub 24] en zijn gezin en is de woning [locatie 33] - die vanwege de slechte staat van onderhoud en het niet meer aanwezig zijn van voorzieningen niet als zelfstandige woonruimte gebruikt kan worden - in gebruik als opslag. [appellant sub 24] wil deze woning echter opknappen voor bewoning door zijn kinderen of voor verhuur of verkoop.

62.5. Nu de bebouwing op het perceel sinds 1985 wordt bewoond door één huishouden, waarbij het gebouw met [locatie 32] wordt gebruikt als woning en het gebouw met [locatie 33] als berging en/of garage, is de voor het perceel in het plan opgenomen bestemmingsregeling, net als de in het voorheen geldende bestemmingsplan De Stoof opgenomen regeling, in overeenstemming met het feitelijk gebruik. Gelet daarop heeft de raad in redelijkheid op het perceel één woonbestemming kunnen leggen. Dat aan de bestemmingsregeling in bestemmingsplan De Stoof, zoals [appellant sub 24] veronderstelt, geen planologische overwegingen ten grondslag hebben gelegen en dat de regeling daarin abusievelijk is opgenomen - wat daar van zij - maakt dat niet anders, reeds omdat dat plan thans niet ter beoordeling voorligt. Ook dat [appellant sub 24], naar hij stelt, het perceel indertijd heeft aangekocht vanwege de mogelijkheid om de tweede woning separaat te verhuren of verkopen vormt geen grond voor een ander oordeel. Niet is gesteld dat [appellant sub 24] op dit punt op enig moment concrete initiatieven heeft ontplooid. Voorts kan aan de omstandigheid dat aan de bebouwing op het perceel twee huisnummers zijn toegekend niet het belang worden gehecht dat [appellant sub 24] daaraan gehecht wil zien omdat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200904021/1/R3), aan een huisnummer geen rechten of verwachtingen kunnen worden ontleend met betrekking tot het planologische regime dat op de betrokken bebouwing van toepassing is.

Nu op het perceel op grond van bestemmingsplan De Stoof één woning mocht worden gebouwd zou het toekennen van twee woonbestemmingen neerkomen op het toevoegen van een burgerwoning in het buitengebied, hetgeen in strijd is met artikel 11.1 van de Verordening en met de Gebiedsvisie. De daarin genoemde situaties waarin het mogelijk is om een burgerwoning in het buitengebied toe te voegen zijn niet aan de orde. Daarbij kan [appellant sub 24] niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het toekennen van twee woonbestemmingen niet zou leiden tot verdere verstening. Immers, als het plan twee woningen mogelijk zou maken op het perceel zouden er twee woningen met de ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.2, van de planregels geldende maximale maten mogen worden opgericht, en tevens 100 m2 aan bijgebouwen per woning. Wat betreft de stelling van [appellant sub 24] dat hij concrete plannen heeft om op het perceel [locatie 33] een nieuwe woning te bouwen wordt overwogen dat de door [appellant sub 24] overgelegde brief waarin hij het college van burgemeester en wethouders verzoekt daaraan medewerking te verlenen dateert van na de vaststelling van het plan, zodat de raad daar bij het bestreden besluit geen rekening mee heeft hoeven houden.

63. Het beroep van [appellant sub 24] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 26]

64. [appellant sub 26] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - archeologie 2" is toegekend aan een deel van zijn perceel [locatie 34] te Oud Gastel. Hij voert aan dat deze bestemming leidt tot een beperking van zijn bedrijfsvoering. Volgens hem had de raad bij het vaststellen van de bestemming niet kunnen uitgaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart, nu noch ten tijde van het voorbereiden van het plan noch ten tijde van het vaststellen van die waardenkaart een specifiek onderzoek op zijn perceel heeft plaatsgevonden. Verder wijst hij er op dat de bestemming niet overeenkomt met de cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant. Voorts voert hij aan dat de bestemming is vastgesteld overeenkomstig de gemeentelijke "Beleidsnota Archeologie" van 2011, maar dat niet duidelijk is of deze beleidsnotitie is vastgesteld. Verder betoogt hij dat de onregelmatige verspreiding van de dubbelbestemming over zijn perceel en de planregels onduidelijkheden opleveren over de vraag wanneer een onderzoek naar archeologische waarden moet worden uitgevoerd en wanneer een uitzondering op de omgevingsvergunningplicht geldt. Tot slot voert [appellant sub 26] aan dat de planregels die betrekking hebben op de dubbelbestemming onduidelijk zijn.

64.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming is toegekend op basis van de gemeentelijke archeologische waardenkaart die in 2005 door de gemeenteraad is vastgesteld en het gemeentelijke beleid zoals dat is neergelegd in de Beleidsnota Archeologie, die door de raad is vastgesteld op 22 september 2011. Deze kaart is gedetailleerder dan de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie. Hoewel niet op alle percelen die in de kaart zijn opgenomen boringen zijn verricht, is wel uitvoerig onderzoek gedaan naar het gebruik van de gronden in het verleden en naar het huidige gebruik. Verder heeft overleg met de provincie plaatsgevonden. De raad wijst in dit verband op een brief van 19 januari 2006 van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant waarin is verklaard dat, nu de gemeentelijke kaart actueler en gedetailleerder is dan de provinciale, die van de gemeente zal worden gebruikt in het kader van de beoordeling van ruimtelijke plannen.

64.2. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch" en gedeeltelijk de medebestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend. De gronden zijn ingevolge artikel 3, lid 3.1 onder a en artikel 29, lid 29.1 van de planregels bestemd voor agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen respectievelijk voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarden.

Ingevolge lid 29.4, onder 29.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

a. grondwerkzaamheden dieper dan 0,60 m, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

(...)

Ingevolge het bepaalde onder 29.4.2 is het in lid 29.4.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden indien:

a. mede op basis van onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;

b. mede op basis van onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn;

c. de werken een oppervlakte hebben tot ten hoogste 500 m2 of smaller zijn dan 1,5 m of;

d. aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,60 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden, of;

e. deze zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,60 m kunnen worden uitgevoerd, of;

(...)

h. de werken behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden,

(...).

64.3. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 26] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen uitgaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart.

Verder blijkt uit de planverbeelding duidelijk op welke delen van het perceel van [appellant sub 26] de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" rust. Evenmin ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 26] heeft aangevoerd grond voor het oordeel dat de in artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.2 genoemde uitzonderingen onduidelijk zijn, dan wel, dat de vereiste omgevingsvergunning voor de onderdelen van zijn bedrijfsvoering waar de uitzonderingen niet van toepassing zijn, onredelijk bezwarend is.

64.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 26] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 18]

65. [appellant sub 18] voert aan dat het plan het niet mogelijk maakt de door hem gewenste ruimte-voor-ruimtewoning te realiseren op het perceel [locatie 35]. Hij betoogt dat volgens de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte de inhoud van een ruimte-voor-ruimtewoning 1000 m3 tot 1250 m3 mag bedragen, maar het plan maakt dat, gelet op artikel 38, lid 38.8, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.2., onder c, en de begripsbepaling in artikel 1 van de planregels, niet mogelijk. Voorts voorziet artikel 24, lid 24.7, onder 24.7.3, van de planregels ten onrechte in een wijzigingsbevoegdheid, omdat feitelijk een afwijkingsbevoegdheid wordt beoogd.

65.1. Aan bedoeld perceel is in het plan de bestemming "Agrarisch" toegekend met de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" en "bebouwingsconcentratie".

65.2. Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt verstaan onder bestaande situatie: de bebouwing en het gebruik, zoals aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor ruimte-voor-ruimtewoningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte".

Ingevolge lid 24.2, onder 24.2.2, onder c, geldt voor het bouwen van woningen dat de inhoud niet meer mag bedragen dan 750 m3, waarbij de inhoud van de woning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte" niet meer mag bedragen dan bestaand.

Ingevolge lid 24.7, onder 24.7.3, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming te wijzigen door ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte" de maximale inhoud te vergroten met maximaal 10% tot maximaal 1500 m3, indien de wijziging gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische en/of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.

Ingevolge artikel 38, lid 38.8, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - zoeklocatie ruimte-voor-ruimte" en "bebouwingsconcentratie" de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimtewoning" met inachtneming van de onder a t/m h opgenomen regels. In het artikel zijn geen maatvoeringseisen opgenomen.

65.3. De raad stelt zich op het standpunt dat in artikel 38.8, waarin de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van ruimte-voor-ruimtewoningen is opgenomen, geen maximale inhoudsmaat is vermeld omdat de toegestane inhoud bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zal worden bepaald. De omvang van dergelijke woningen is dus niet gemaximeerd op 750 m3. Na toepassing van artikel 38, lid 38.8 is artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.2, onder c, van de planregels van toepassing. Daarin is bepaald dat de inhoud van ruimte-voor-ruimtewoningen niet meer mag bedragen dan de bestaande inhoud, zijnde de inhoud die bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is vastgesteld.

65.4. Volgens het deskundigenbericht wil [appellant sub 18] op het perceel [locatie 35] een woning oprichten. Hij heeft daarvoor een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, waaruit blijkt dat het gaat om een woning van ongeveer 1200 m3.

65.5. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 38, lid 38.8, van de planregels wordt de bestemming van het perceel gewijzigd in "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte". Hierdoor wordt artikel 24 van de planregels op het perceel van toepassing. Dat geldt ook voor de in die bepaling opgenomen maatvoeringsregels. Ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.2, onder c, mag dan een woning worden gebouwd met een inhoud van maximaal 750 m3. Dat, zoals de raad stelt, deze maximale inhoudsmaat niet geldt bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid berust op een onjuiste lezing van de planregels.

Indien het college van burgemeester en wethouders bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 38, lid 38.8, van de planregels tegelijkertijd gebruik maakt van de bevoegdheid van artikel 24, lid 24.7, onder 24.7.3, kan de maximale inhoud van de te bouwen woning worden vergroot met maximaal 10%, dus tot 825 m3. De raad heeft echter niet beoogd de omvang van de op het perceel op te richten ruimte-voor-ruimtewoning te beperken tot dit maximum. Voorts komt de in het plan opgenomen regeling voor ruimte-voor-ruimtewoningen in zoverre niet overeen met het gestelde in de Nota zienswijzen. Daar staat over ruimte-voor-ruimtewoningen: "Op de plankaart zal de aanduiding ruimte-voor-ruimte woning worden opgenomen. In de voorschriften wordt via een wijzigingsbevoegdheid 1500 m3 voor ruimte-voor-ruimtewoningen mogelijk gemaakt bij een ruimtelijke aanvaardbaarheid. Daarnaast zal een uitbreidingsmogelijkheid van 10% met een maximum van 1500 m3 worden opgenomen." Hieruit volgt tevens dat, anders dan de raad ter zitting heeft betoogd, niet is beoogd geen maximum te stellen aan de inhoud die bij toepassing van de bevoegdheid van artikel 38, lid 38.8, van de planregels voor de op te richten woning geldt.

66. In hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de bestemmingsregeling die is vervat in artikel 38, lid 38.8, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 24.7, onder 24.7.3, van de planregels, is genomen in strijd met de zorgvuldigheid en de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 18] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betrekking heeft op artikel 24, lid 24.7, onder 24.7.3, van de planregels.

Omdat niet duidelijk is op welke wijze de raad heeft beoogd het gestelde in de Nota zienswijzen in de planregels te verwerken ziet de Afdeling geen aanleiding op dit punt zelf in de zaak te voorzien. Wel ziet zij aanleiding om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, te treffen, inhoudende dat aan artikel 38, lid 38.8, een lid wordt toegevoegd, dat luidt: "i. De maximale inhoud van de woning dient te worden bepaald en mag niet meer bedragen dan 1500 m3."

67. Gelet op vorenstaande behoeft het betoog van [appellant sub 18] dat de raad in artikel 24, lid 24.7, onder 24.7.3, van de planregels ten onrechte een wijzigings- in plaats van een afwijkingsbevoegdheid heeft opgenomen, geen bespreking.

Het beroep van [appellant sub 33]

68. [appellant sub 33] voert aan dat de bestemming van kadastraal perceel […] ten onrechte is gewijzigd van een woonbestemming in een agrarische bestemming. De raad heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het perceel voorheen deel uitmaakte van het naastgelegen perceel, want perceel [...] is altijd een apart perceel geweest waarop in het verleden een - inmiddels gesloopte - woning stond met het adres Stoofstraat 40. Daarbij is een agrarische bestemming niet passend omdat het perceel is ingesloten door percelen met een woon- of bedrijfsbestemming, niet aansluit bij agrarisch gebied en te klein is om agrarisch gecultiveerd te worden. Omdat het perceel ook te klein is om zelfstandig een woning op te plaatsen, willen beide eigenaren de percelen samenvoegen om er een nieuwe woning op te plaatsen, wat door de agrarische bestemming niet meer mogelijk is. Tevens leidt de agrarische bestemming tot een grote waardevermindering van het perceel, en dus tot schade, en onbruikbaarheid van het perceel, zowel voor wonen als voor agrarisch gebruik.

68.1. Aan het perceel zijn in het plan de bestemming "Agrarisch" en de gebiedsaanduiding "bebouwingsconcentraties" toegekend.

68.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen.

68.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel in het voorheen geldende plan deel uitmaakte van het perceel van de naastgelegen burgerwoning, en geen zelfstandige woonbestemming had. Omdat het perceel nu een andere eigenaar heeft dan het naastgelegen perceel en op het perceel geen bebouwing aanwezig is, is het toekennen van een algemene agrarische bestemming passend. Het toevoegen van een woonbestemming ter plaatse is in strijd met het gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in de Gebiedsvisie.

68.4. Volgens het deskundigenbericht meet perceel [...] ongeveer 200 m2. Het heeft een tuinachtige inrichting met een haag en een gazon en wordt feitelijk niet gebruikt. In het deskundigenbericht staat voorts dat [appellant sub 33] in de toekomst het naastgelegen kadastraal perceel […] ([locatie 36]) wil kopen en op het samen te voegen perceel één nieuwe woning wil bouwen.

68.5. Blijkens de plankaart rustte ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan De Stoof de bestemming "Woondoeleinden" op de percelen [...] en […]. Tussen de percelen was geen deelvlakgrens aangebracht zodat de percelen samen één deelvlak vormden waarop ingevolge de voorschriften van het plan niet meer dan één woning mocht worden gebouwd. Het betoog dat het perceel voorheen geen deel uitmaakte van het naastgelegen perceel, faalt. Mede in aanmerking genomen dat het perceel thans onbebouwd is en een andere eigenaar heeft dan het naastgelegen perceel heeft de raad in redelijkheid een agrarische bestemming kunnen toekennen aan het perceel om te voorkomen dat door het toekennen van de bestemming "Wonen" in strijd met het in de Gebiedsvisie vastgelegde beleid een extra woning op het perceel zou kunnen worden gebouwd. Dat geen extra woning zou ontstaan omdat [appellant sub 33] voornemens is het naastgelegen perceel te kopen en de percelen samen te voegen en daarop één nieuwe woning te bouwen, vormt geen grond voor een ander oordeel. In haar zienswijze heeft [appellant sub 33] gesteld dat zij op het perceel een nieuwe woning wil oprichten en dat zij het bouwrecht niet wil delen met de eigenaar van het naastgelegen perceel. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat [appellant sub 33] nog geen concreet plan heeft ingediend voor de bouw van één woning op de percelen [...] en […] samen. Gelet daarop heeft de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening kunnen en hoeven houden met het voornemen van [appellant sub 33]. Overigens heeft de raad ter zitting verklaard dat aan het voornemen mogelijk wel medewerking kan worden verleend omdat de percelen op grond van de Gebiedsvisie in aanmerking komen voor herstructurering in de vorm van sloop en nieuwbouw.

69. [appellant sub 33] voert aan dat de raad aan kadastraal perceel 2052 ten onrechte de bestemming "Bedrijf" heeft toegekend. Zij betoogt dat aan het perceel, overeenkomstig de feitelijke situatie, een woonbestemming zou moeten worden toegekend. Dit zal niet ten koste gaan van de ruimtelijke kwaliteit omdat de bebouwing op het perceel niet zal wijzigen. Daarbij valt de situatie volgens [appellant sub 33] niet onder het gemeentelijke beleid omdat de bedrijfsbebouwing niet meer bij haar in eigendom is en zij dus geen zeggenschap heeft over eventuele sloop daarvan. Ook wordt de woning bij de bepaling van de WOZ-waarde sinds de verkoop van het aangrenzende perceel 2051, waarop het bedrijf MNO Vervat is gevestigd, niet meer als bedrijfswoning aangemerkt en is een nieuw huisnummer aan de woning toegekend.

69.1. In het plan zijn aan het perceel de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - aannemer" toegekend.

69.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - aannemer" bestemd voor een aannemersbedrijf met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge het bepaalde onder b zijn de gronden tevens bestemd voor één bedrijfswoning per bestemmingsvlak.

Ingevolge lid 6.6, onder 6.6.3, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming "Wonen" voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de in het artikel opgenomen regels. Deze behelzen onder meer de voorwaarden dat het bedrijf ter plaatse is beëindigd en dat voormalige overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt.

69.3. De raad stelt dat de woning op perceel […] is gerealiseerd als bedrijfswoning bij het bedrijf op perceel […], dat inmiddels is verkocht. Voor de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning geldt gemeentelijk beleid dat betrekking heeft op milieuregels en verbetering van ruimtelijke kwaliteit. Daarom is in de wijzigingsbevoegdheid onder meer de voorwaarde gesteld van sloop van de bedrijfsbebouwing om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. Dat [appellant sub 33] geen zeggenschap meer heeft over de bedrijfsgebouwen omdat zij die heeft verkocht voordat de situatie in overeenstemming was gebracht met het bestemmingsplan, kan er niet toe leiden dat zij niet aan de sloopverplichting hoeft te voldoen. Dat zou immers leiden tot een uitholling van de regeling en ongewenste precedentwerking.

69.4. Volgens het deskundigenbericht woont [appellant sub 33] op perceel […] met het adres [locatie 37]. Voorheen was zij tevens eigenaar van het aangrenzende perceel […]. Dat heeft zij verkocht aan haar zoon die er een bedrijf heeft gevoerd. Enige tijd geleden is perceel […] verkocht aan weg- en waterbouwbedrijf MNO Vervat.

69.5. In het voorheen geldende bestemmingsplan De Stoof was aan het perceel - in overeenstemming met de feitelijke situatie - de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" toegekend. Ingevolge de voorschriften mocht het perceel worden bebouwd met bouwwerken ten dienste van een aannemersbedrijf en een bedrijfswoning. Voorts bevatte het plan een wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan de bestemming van het perceel kon worden gewijzigd in de bestemming "Woondoeleinden" bij beëindiging van de bedrijfsvoering ter plaatse. In zoverre voorziet het plan in een met de voorgaande regeling vergelijkbare bestemmingsregeling voor het perceel en zou het toekennen van een woonbestemming aan de bedrijfswoning, gelet op het voorheen geldende plan, het toevoegen van een burgerwoning aan het buitengebied behelzen. De voor omzetting van een bedrijfswoning in een burgerwoning in de planregels opgenomen voorwaarden acht de Afdeling niet onredelijk. Nu het zonder meer toevoegen van een burgerwoning aan het buitengebied in strijd is met het voorheen geldende plan en met het gemeentelijk beleid heeft de raad in de omstandigheid dat [appellant sub 33] het bedrijf heeft verkocht zonder dat de bestemmingsregeling voor perceel 2052 was gewijzigd geen aanleiding hoeven zien om zonder toepassing van de op het beleid berustende voorwaarden een woonbestemming aan het perceel toe te kennen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat [appellant sub 33] geen zeggenschap meer heeft over een eventuele beëindiging van de bedrijfsvoering en sloop van overtollige bedrijfsbebouwing voor haar eigen rekening komt.

Zoals is overwogen in 62.5 kunnen aan een huisnummer geen rechten of verwachtingen worden ontleend met betrekking tot het planologische regime dat op de betrokken bebouwing van toepassing is. Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200904021/1/R3) de waardevaststelling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken niet relevant bij het toekennen van een bestemming.

70. [appellant sub 33] betoogt dat de in het plan aan de percelen [locatie 38 en 39] toegekende bouwvlakken ten koste gaan van de ruimtelijke kwaliteit omdat de bouwvlakken het bouwvlak van het perceel [locatie 40] bijna raken. Benutting van de bouwmogelijkheden zal het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 33] op de groene open driehoek tussen de Stoofstraat, Dulderstraat en Lagestraat aantasten. De raad stelt ten onrechte dat de bouwvlakken ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime niet zijn vergroot. Voorts is de groene driehoek in het voorheen geldende bestemmingsplan De Stoof aangemerkt als zichtlijn en in de Gebiedsvisie als groen, aldus [appellant sub 33].

70.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bouwvlakken waar [appellant sub 33] op doelt niet zijn vergroot ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime. Wel is het bouwvlak aan de [locatie 38] van vorm veranderd omdat in het plan, anders dan in het voorgaande plan, sleufsilo’s binnen het bouwvlak dienen te liggen. Feitelijk verandert er echter niets, omdat de sleufsilo’s al aanwezig zijn.

70.2. Blijkens de plankaart bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge-West" is het bouwvlak op het perceel [locatie 39] in het plan ongewijzigd overgenomen. Het bouwvlak op het perceel [locatie 38] is van vorm veranderd, maar reikt daardoor niet verder in het open agrarisch gebied dan op grond van het voorheen geldende plan het geval was. Dit brengt mee dat het plan in zoverre geen verdere beperking van het uitzicht uit de woning van [appellant sub 33] meebrengt dan het voorheen geldende plan. Het bouwvlak op het perceel [locatie 40] is vergroot ten opzichte van het bouwvlak dat in het voorheen geldende plan De Stoof was opgenomen en reikt daardoor ongeveer 25 meter verder in het open agrarisch gebied. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het hier gaat aan een aanpassing van het bouwvlak aan de bestaande situatie. Volgens het deskundigenbericht is ter hoogte van de noordelijke begrenzing van het bouwvlak een groenvoorziening aangebracht die weliswaar de openheid aantast, maar het zicht op de agrarische bedrijfsbebouwing ontneemt. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 40] niet tegenover de woning van [appellant sub 33] ligt maar terzijde daarvan, leidt het plan in vergelijking met het voorheen geldende planologische regime tot een beperkte aantasting van het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 33]. Voorts is het gebied tussen de Stoofstraat, Dulderstraat en Lagestraat in de Gebiedsvisie aangemerkt als te versterken karakteristieke (open) ruimte, maar niet als gebied met waardevolle, te behouden of te versterken zichtrelaties. Hetgeen [appellant sub 33] heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat de raad, bij afweging van de betrokken belangen, het plan op dit punt niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

71. Het beroep van [appellant sub 33] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 34]

72. [appellant sub 34] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor zijn perceel [locatie 41] te Oud Gastel, waar hij een op- en overslagbedrijf voor bestratingsmaterialen en een loonbedrijf exploiteert. Hij voert aan dat de bestemming voor zijn perceel ten onrechte niet het loonbedrijf omvat. Voorts voorziet het plan ten onrechte slechts in de mogelijkheid om de bedrijfsbebouwing met 15% uit te breiden, terwijl een uitbreiding met 35% noodzakelijk is. Verder is in het vastgestelde plan zonder enige motivering opgenomen dat buitenopslag niet meer is toegestaan, terwijl bestratingsmaterialen per definitie buiten worden opgeslagen. Daarbij loopt de oostelijke grens van het bestemmingsvlak schuin langs de bestaande loods, waardoor de (beperkte) uitbreidingsmogelijkheid die het plan biedt niet gerealiseerd kan worden.

72.1. Aan het centrale deel van het perceel is in het plan de bestemming "Bedrijf" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - binnenopslag bestrating zonder bedrijf aan huis" en de aanduiding "maximum oppervlakte (m2) = 630". Op het oostelijke en westelijke deel van het perceel rust de bestemming "Agrarisch".

72.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

b. grondgebonden agrarische bedrijven (…).

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Bedrijf aangewezen gronden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - binnenopslag bestrating zonder verkoop aan huis" bestemd voor binnenopslag bestrating zonder verkoop aan huis met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.2, onder c, mag de oppervlakte bebouwing ten behoeve van de activiteit niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte (m2)".

Ingevolge lid 6.4, onder 6.4.2, mag ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - opslag bestrating zonder verkoop aan huis" de opslag uitsluitend binnen plaatsvinden.

Ingevolge lid 6.6, onder 6.6.2, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve van de vergroting van de toegestane bebouwde oppervlakte bedrijfsbebouwing met inachtneming van de volgende regels:

(…)

b. De vergroting dient plaats te vinden binnen het bestemmingsvlak.

c. Agrarisch technische hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven mogen uitbreiden met maximaal 25% van de toegestane maximale bebouwde oppervlakte.

d. Niet-agrarische bedrijven mogen uitbreiden met maximaal 15% van de toegestane maximale bebouwde oppervlakte.

72.3. De raad stelt zich op het standpunt dat op het perceel [locatie 41] sinds 1997 in strijd met de bestemming handel in sierbestratingsmaterialen plaatsvindt. In het plan is deze handel gelegaliseerd onder de voorwaarde dat de opslag binnen plaatsvindt omdat de raad buitenopslag op de in het oog springende locatie ruimtelijk niet aanvaardbaar vindt. Om die reden zijn al eerder handhavingsacties ondernomen tegen de buitenopslag en is [appellant sub 34] te kennen gegeven dat er bereidheid was om mee te werken aan een beperkte, eenmalige uitbreiding van het bebouwde oppervlak van 15% ten behoeve van de vervanging van de buitenopslag door binnenopslag. De uitbreidingsmogelijkheid met 15% past binnen het gemeentelijke beleid en voor verdere uitbreiding kent het plan specifieke procedures waar [appellant sub 34] desgewenst gebruik van kan maken. Wat betreft het loonbedrijf stelt de raad dat de voertuigen elders worden gestald en dat stalling op het perceel [locatie 41] in strijd is met de bestemming en onwenselijk vanwege de milieubelasting.

72.4. Volgens het deskundigenbericht is op het perceel in de jaren zestig een loon- en grondwerkbedrijf opgezet door de vader van [appellant sub 34]. In 1988 is het bedrijf overgenomen door Coppens Transportbedrijf. Begin jaren negentig is dat bedrijf vertrokken en is [appellant sub 34] een grond- en loonwerkbedrijf op het perceel begonnen. In 1997 heeft hij het bedrijf uitgebreid met een handel in sierbestrating, waartoe hij in 2006 een perceel in Standdaarbuiten heeft verworven. Over de agrarische bestemming van de westelijke punt van het perceel wordt in het deskundigenverslag opgemerkt dat deze, gelet op de omvang en de geïsoleerde ligging van dit deel van het perceel, niet voor de hand ligt.

72.5. Aan het perceel [locatie 41] is in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge-West" uit 2000 een woonbestemming toegekend. Daarmee was het loon- en grondwerkbedrijf niet meer als zodanig bestemd. Ook is de handel in sierbestrating - volgens de raad ondanks het verzoek van [appellant sub 34] destijds - in het voorheen geldende plan niet mogelijk gemaakt. Voorts heeft de raad gesteld dat [appellant sub 34] in het kader van handhavingsprocedures te kennen is gegeven dat de aanwezigheid van een loonwerk- en grondverzetbedrijf en buitenopslag op het perceel ruimtelijk onwenselijk worden geacht. Onder deze omstandigheden heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen in het plan de bedrijvigheid op het perceel in beperkte mate te legaliseren door alleen de binnenopslag van sierbestrating als zodanig te bestemmen. Voorts heeft de raad in de enkele omstandigheid dat het voor [appellant sub 34] aantrekkelijker zou zijn de opslagruimte met meer dan 15% te vergroten geen aanleiding hoeven zien om van het gemeentelijke beleid af te wijken. Dat uitbreiding met meer dan dit percentage voor de bedrijfsvoering noodzakelijk is, heeft [appellant sub 34] niet aannemelijk gemaakt.

Wat betreft het betoog dat door de ligging van de oostelijke grens van het bestemmingsvlak de door [appellant sub 34] gewenste uitbreiding niet gerealiseerd kan worden overweegt de Afdeling dat [appellant sub 34] dit eerst in een aanvulling op zijn beroepschrift heeft aangevoerd, zodat de raad er bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen rekening mee heeft kunnen en hoeven houden. Overigens merkt de Afdeling op dat de raad naar aanleiding van de toelichting van [appellant sub 34] ter zitting te kennen heeft gegeven bereid te zijn het plan op dit punt aan te passen.

73. Het beroep van [appellant sub 34] is ongegrond.

Conclusie en proceskosten

74. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de raad op te dragen om het bestreden besluit met inachtneming van het hiervoor overwogene te herzien.

75. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 4], [appellante sub 11], de BMF en de IVN, [appellant sub 16], [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 25] en [appellant sub 18] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellant sub 31], de minister van Defensie, de ZLTO en [appellant sub 35] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellante sub 23], [appellanten sub 17], [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 15] en anderen, [appellant sub 7], [appellant sub 13], [appellant sub 10], Autobedrijf Succes B.V., [appellante sub 29], [appellante sub 27], [appellant sub 24], [appellant sub 26], [appellant sub 33] en [appellant sub 34] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

75.1. Wat betreft het verzoek van [appellante sub 28] om de raad te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is toegelicht dat de in het verzoek opgevoerde uren voor een deskundigenrapport betrekking hebben op de uren die ing. C.J.M.J. Hack aan de zaak heeft besteed. Hack heeft echter in het kader van de beroepsprocedure geen deskundigenrapport uitgebracht. Wel heeft hij het beroepschrift en de reactie van [appellante sub 28] op het deskundigenbericht opgesteld. Die werkzaamheden moeten worden aangemerkt als rechtsbijstand en de kosten die daarvoor zijn gemaakt komen, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011 in zaak nr. 201006324/1/M2 niet voor vergoeding in aanmerking als kosten gemaakt door een deskundige. Ter zitting heeft Hack toegelicht dat hij op juridisch gebied hoofdzakelijk beschikt over ervaringskennis. Daarnaast heeft hij enkele cursussen op juridisch gebied gevolgd. Op zijn website presenteert Hack zich als adviseur op het gebied van kwaliteit- arbo- en milieuvraagstukken en milieutechnologie. Dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel uitmaakt van zijn taakuitoefening blijkt daaruit niet. Gelet daarop kan Hack niet worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand aan [appellante sub 28] heeft verleend. Hieruit volgt dat alleen de door [persoon] gemaakte reis- en verletkosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 23] en [appellanten sub 17] geheel en het beroep van [appellanten sub 2] voor zover gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" die zijn toegekend aan het deel van hun perceel waarop een mestsilo staat, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellant sub 31], [appellant sub 21], handelend onder de naam [appellant sub 21], de minister van Defensie, [appellanten sub 35], [appellanten sub 22] en [appellanten sub 18] geheel, en de beroepen van [appellanten sub 4], [appellanten sub 11], de stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging IVN Vogel- en Natuurbescherming Etten-Leur en omstreken, [appellanten sub 16], [appellant sub 20], de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Halderberge, [appellante sub 28] en [appellant sub 25], gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Halderberge van 22 september 2011, voor zover het betreft:

a. de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", "Bedrijf", "Bos", "Horeca","Natuur", "Recreatie", "Recreatie - Recreatiepark 1", "Recreatie - Recreatiepark 2", "Verkeer", "Verkeer - Luchthaven", "Water" en "Wonen", en de aanduidingen "milieuzone - grondwaterschermingsgebied" en "milieuzone - waterwingebied", voor zover daarbij niet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning boringen uit te voeren;

b. het niet als zodanig bestemmen van het bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 7] te Oud-Gastel en het geen uitzondering maken in artikel 29, lid 29.2, voor bouwwerken;

c. het deel van het bestemmingsvlak aan [locatie 9] met de bestemming "Agrarisch" dat is aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

d. artikel 29, lid 29.2, en artikel 30, lid 30.2, van de planregels, voor zover daarbij geen uitzondering is gemaakt voor bestaande bouwvlakken;

e. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de Wilderstraat 10 te Oud-Gastel, voor zover het daarbij behorende bouwblok afwijkt van het ontwerpplan;

f. de bestemming "Leiding" en de aanduiding "hartlijn leiding - gas" ter plaatse van het perceel [locatie 17] te Bosschenhoofd;

g. de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "bouwvlak", "intensieve veehouderij" en "neventak intensieve veehouderij" en artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.3, onder c, lid 3.7, onder 3.7.6, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.4, lid 5.7, onder 5.7.3, onder b, en lid 5.7, onder 5.7.4 en voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch, "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" en lid 3.2, onder 3.2.8 en onder 3.2.9, onder b, sub 2 en 3, lid 3.4, onder 3.4.2, lid 3.7, onder 3.7.7, lid 4.2, onder 4.2.7 en onder 4.2.8, onder b, sub 2 en 3, lid 4.3, onder 4.3.8, onder d en e, lid 4.4, onder 4.4.2, lid 4.5, onder 4.5.2, lid 4.7, onder 4.7.5, lid 5.2, onder 5.2.7 en onder 5.2.8, onder b, sub 2 en 3, lid 5.3, onder 5.3.8, onder d en e, lid 5.4, onder 5.4.2, lid 5.5 onder 5.5.2 en lid 5.7, onder 5.7.5;

h. de plandelen waaraan in het hiervoor geldende plan de bestemming "ALCA" was toegekend;

i. artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.1, onder a, en onder 29.4.2, onder d, en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.1, onder a en onder 30.4.2, onder d;

j. artikel 6, lid 6.3, onder 6.3.4, artikel 10, lid 10.3, onder 10.3.3, artikel 11, lid 11.3, onder 11.3.3, artikel 12, lid 12.3, onder 12.3.3, artikel 13, lid 13.3, onder 13.3.3, artikel 14, lid 14.3, onder 14.3.3, artikel 16, lid 16.3, onder 16.3.3 en artikel 24, lid 24.4, onder 24.4.4;

k. de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ter plaatse van het perceel aan de Palingstraat te Hoeven, dat is aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2;

l. artikel 3, lid 3.1, onder v, van de planregels, voor zover de daarin genoemde activiteiten niet als nevenactiviteit zijn aangegeven;

m. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 22] te Hoeven;

n. het niet mogelijk maken van detailhandel ter plaatse van het perceel [locatie 23], te Hoeven;

o. het niet toekennen van een bestemming aan de gronden aan de Brede Molenweg te Hoeven en de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van de gronden langs [locatie 26] te Oud Gastel waarop thans windturbines staan;

p. het plandeel met de bestemming "Bos" ter plaatse van het perceel van [appellante sub 28] dat is gelegen tussen het Papenstraatje, de Nieuweweg en de Langenbergsestraat te Oud Gastel;

q. de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ter plaatse van het perceel [locatie 30] te Hoeven;

r. artikel 24, lid 24.7, onder 24.7.3, van de planregels;

IV. draagt de raad van de gemeente Halderberge op om binnen vierentwintig maanden na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de in onderdeel III genoemde plandelen en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. treft de voorlopige voorziening dat aan artikel 38, lid 38.8, een lid wordt toegevoegd, dat luidt: "i. De maximale inhoud van de woning dient te worden bepaald en mag niet meer bedragen dan 1500 m3.";

treft de voorlopige voorziening dat artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.1, onder a, en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.1, onder a, als volgt komen te luiden: "grondwerkzaamheden dieper dan 0,40 m, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren";

treft de voorlopige voorziening dat artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.2, onder d en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.2, onder d, als volgt komen te luiden: "aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,40 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden, of;";

treft de voorlopige voorziening dat in afwachting van het nieuw vast te stellen plan geen boringen mogen worden uitgevoerd op de voor "milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied" en "milieuzone - waterwingebied" aangewezen gronden;

VI. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2], [appellanten sub 4], [appellanten sub 11], de stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging IVN Vogel- en Natuurbescherming Etten-Leur en omstreken, [appellanten sub 16], [appellant sub 20], de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Halderberge, [appellante sub 28] en [appellant sub 25] voor het overige, en de beroepen van [appellant sub 1], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 15], [appellant sub 14], [appellant sub 9], [appellanten sub 7], [appellanten sub 13], [appellant sub 10], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autobedrijf Succes B.V., [appellante sub 29], [appellante sub 27], [appellant sub 24], [appellant sub 26], [appellant sub 33] en [appellant sub 34] geheel ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij de stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging IVN Vogel- en Natuurbescherming Etten-Leur en omstreken in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 35,08 (zegge: vijfendertig euro en acht cent). met dien verstand dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellanten sub 11] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellant sub 16 A]-de Wild en [appellante sub 16 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellant sub 20] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellant sub 21], handelend onder de naam [appellant sub 21] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellanten sub 22] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellant sub 25] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellanten sub 18] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Halderberge aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

- € 152,00 (zegge honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 4], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 5],

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor P.F.T.M. Sevenhysen

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 31]

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging IVN Vogel- en Natuurbescherming Etten-Leur en omstreken,

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor Maatschap A. [appellante sub 11] en Zn en [appellant sub 11 B] (zegge: honderdtweeënvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 16], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 20],

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellant sub 21], handelend onder de naam [appellant sub 21],

- € 302 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de minister van Defensie,

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Halderberge,

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 35], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 152,00 voor [appellanten sub 22], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 28],

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 25], en

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 18], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.[appellant sub 35 A], leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013

361.