Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
201300803/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300803/1/V2.

Datum uitspraak: 5 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 21 december 2012 in zaak nr. 12/28223 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 december 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling betoogt in zijn verweerschrift dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het niet binnen de wettelijke termijn van één week is ingediend.

2.1. Deze rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 1 mei 2013 in zaak nr. 201212074/1/V1) beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak volgt dat het betoog faalt.

3. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand heeft gelaten. Hij betoogt hiertoe, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij het aan het besluit klevende gebrek in de beroepsfase heeft hersteld, doordat hij de vreemdeling bij brief van 17 oktober 2012 alsnog kenbaar heeft gemaakt dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot verkorting van de duur van het inreisverbod dan wel tot afzien van uitvaardiging daarvan en hem in de gelegenheid heeft gesteld dergelijke omstandigheden naar voren te brengen.

3.1. In hoger beroep is onbestreden dat de staatssecretaris ten onrechte de vreemdeling niet in de bestuurlijke fase kenbaar heeft gemaakt dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot verkorting van de duur van het inreisverbod dan wel tot afzien van uitvaardiging daarvan en dat het aan de vreemdeling is dergelijke omstandigheden naar voren te brengen. Op de brief van de staatssecretaris van 17 oktober 2012 heeft de vreemdeling gereageerd bij brief van 30 oktober 2012. Hij heeft hierin gesteld dat hij in 2009 als minderjarige vreemdeling Nederland is ingereisd en hij geen familie meer heeft in het land van herkomst. Hij heeft derhalve geen enkele binding meer met dat land. De staatssecretaris heeft zich in zijn verweerschrift in beroep gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden hem geen aanleiding geven tot het verkorten van de duur van het inreisverbod dan wel tot het afzien van uitvaardiging daarvan. De vreemdeling heeft ter zitting bij de rechtbank de gelegenheid gehad zijn individuele omstandigheden toe te lichten. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris het aan het besluit klevende gebrek hersteld (vergelijk voormelde uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2013).

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand heeft gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, worden de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.

5. De staatssecretaris moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 21 december 2012 in zaak nr. 12/28223, voor zover de rechtbank niet de rechtsgevolgen van het besluit van de minister van Immigratie, Integratie en Asiel van 10 februari 2012, kenmerk 0901.18.1014, in stand heeft gelaten;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Dekker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013

43-698