Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201307359/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied - Langenholte, Vecht e.o" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307359/2/R1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Zwolle,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Zwolle,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied - Langenholte, Vecht e.o" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 oktober 2013, waar [verzoeker] en anderen, bij monde van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door G.J. Tromp, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoeker] en anderen richten zich tegen het plan voor zover daarmee een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt aan de Bergkloosterweg.

Zij betogen dat het toestaan van een nieuwe woning aan de Bergkloosterweg in strijd is met het beleid van de raad in onder meer het Structuurplan 2020. Ook betogen zij dat de nieuwe woning achter bestaande woningen zal komen te staan, hetgeen in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Voorts vrezen zij voor een aantasting van hun woongenot en privacy en voor een waardedaling van hun woningen als gevolg van de nieuwe woning.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebied een buurtschap is, waarin de nieuwe woning past. Voorts stelt de raad dat geen sprake is van wonen-achter-wonen, nu de nieuwe woning op het deel van de Bergkloosterweg is georiënteerd dat haaks op het deel staat waar de woningen van [verzoeker] en anderen staan.

2.2. Aan het perceel waarop de nieuwe woning aan de Bergkloosterweg mogelijk wordt gemaakt is onder meer de bestemming "Wonen" toegekend, met een bouwvlak. Het perceel grenst aan gronden met de bestemming "Verkeer - Erftoegangsweg".

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor eengezinshuizen.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Verkeer - Erftoegangsweg" aangewezen gronden bestemd voor erftoegangswegen.

2.3. [verzoeker] en anderen wonen aan de Bergkloosterweg [nr. A], [nr. B] en [nr. C]. De woning aan de Bergkloosterweg [nr. A] staat op ongeveer 6 m van het perceel voor de nieuwe woning. De woning aan de Bergkloosterweg [nr. B] staat op ongeveer 11,5 m afstand en de woning aan de Bergkloosterweg [nr. C] op ongeveer 33 m. Het perceel voor de nieuwe woning ligt oostelijk van de woning aan de Bergkloosterweg [nr. A] en zuidoostelijk van de woningen aan de Bergkloosterweg [nr. B] en [nr. C]. Het bouwvlak op het perceel voor de nieuwe woning ligt op ongeveer 8,5 m van de westelijke perceelsgrens en op ongeveer 11,5 m van de noordelijke perceelsgrens.

2.4. In het Structuurplan 2020 is het perceel voor de nieuwe woning aan de Bergkloosterweg aangewezen als gemengd landelijk gebied. Niet is gebleken dat het Structuurplan 2020 woningbouw ter plaatse uitsluit. Wat betreft het beroep van [verzoeker] en anderen op het streekplan wijst de voorzitter erop dat het geldende beleid van de provincie Overijssel inmiddels is neergelegd in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 (hierna: de Omgevingsvisie). Voor zover [verzoeker] en anderen wijzen op de Omgevingsvisie is van belang dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid is gebonden, maar daarmee wel rekening dient te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is ingegaan op de verhouding van dit plan tot het beleid van de provincie. Uit de plantoelichting volgt verder dat overleg met de provincie is gevoerd. Gelet op het voorgaande overweegt de voorzitter voorshands dat aannemelijk is dat de raad het provinciaal beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

Hoewel het bouwvlak voor de nieuwe woning naast de woning aan de Bergkloosterweg [nr. A] ligt ontstaat daarmee geen wonen-achter-wonensituatie, omdat het perceel voor de nieuwe woning aan de Bergkloosterweg is gericht op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Erftoegangsweg" voor het deel van de Bergkloosterweg dat haaks staat op het deel van de Bergkloosterweg waaraan de woningen van [verzoeker] en anderen staan. Van wonen-achter-wonen zou sprake zijn indien de nieuwe woning tevens op het deel van de Bergkloosterweg is gericht waaraan de woningen van [verzoeker] en anderen staan.

Voorts verwacht de voorzitter, gelet op de afstanden tussen de woningen van [verzoeker] en anderen en het perceel voor de nieuwe woning, niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat het plan in zoverre het woongenot en de privacy dusdanig aantast dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij betrekt de voorzitter dat het bouwvlak voor de nieuwe woning op enige afstand van de perceelsgrenzen ligt. Evenmin ziet de voorzitter grond voor de verwachting dat in de bodemprocedure geoordeeld zal worden dat een eventuele waardevermindering van de woningen van [verzoeker] en anderen zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen daaraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van de nieuwe woning gemoeid zijn.

De voorzitter ziet in het voorgaande geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. In hetgeen [verzoeker] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de voorzitter evenmin aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Verhage

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2013

655.