Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1862

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201306803/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingwet 2000 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306803/1/V1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 juni 2013 in zaak nr. 12/28993 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingwet 2000 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 juni 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn besluit van 6 september 2012 ondeugdelijk heeft gemotiveerd, nu dat is gebaseerd op de adviezen van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) van 4 april 2012 en 26 februari 2013 zonder dat het BMA zich naar aanleiding van de brief van 26 juli 2012 van de behandelaars van de vreemdeling nader heeft uitgelaten over de vraag of er aanleiding bestaat tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen in Sierra Leone verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in voormelde brief niet is toegelicht waarom Sierra Leone voor de vreemdeling niet de voor het welslagen van de behandeling noodzakelijke veilige omgeving biedt.

1.1. In voormelde brief hebben de behandelaars hun conclusie dat de vreemdeling de omgeving in Sierra Leone als extreem onveilig ervaart en deze daarom voor hem niet als behandelomgeving kan worden ingezet, niet nader toegespitst op het specifieke ziektebeeld van de vreemdeling, de wijze waarop zijn klachten zijn ontstaan en het in verband daarmee te verwachten verloop van een voort te zetten behandeling in Sierra Leone. Zo hebben de behandelaars niet geconcretiseerd welke zich in het verleden voorgedane gebeurtenissen de klachten van de vreemdeling hebben veroorzaakt en evenmin hoe concreet die gebeurtenissen thans aan een effectieve voort te zetten behandeling van de klachten van de vreemdeling in Sierra Leone in de weg zouden staan. Anders dan waarvan de rechtbank in de bestreden overweging is uitgegaan, was de staatssecretaris derhalve niet gehouden het BMA te verzoeken zich over het in dit verband ingenomen standpunt van de behandelaars in voormelde brief nader uit te laten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2012 in zaak nr. 201107896/1/V3).

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het besluit van 6 september 2012 getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op het vorenoverwogene, nog moet worden beslist.

3. De vreemdeling heeft ter toelichting van zijn stelling dat hij in Sierra Leone niet kan worden behandeld wegens het ontbreken van een veilige behandelomgeving in beroep ook gewezen op de brieven van zijn behandelaars van 24 november 2011, 15 oktober 2012 en 31 mei 2013.

Deze brieven bevatten evenmin een concrete uiteenzetting als hiervoor onder 1.1 vermeld.

De beroepsgrond faalt.

4. Voorts heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar een BMA-advies over een andere vreemdeling uit Sierra Leone in een volgens hem vergelijkbare zaak, aangevoerd dat in het BMA-advies van 26 februari 2013 niet is gestaafd dat behandeling voor hem in Sierra Leone aanwezig is.

4.1. De vreemdeling heeft tevergeefs een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn klachten zodanig overeenkomen met die van de vreemdeling in de door hem genoemde zaak, dat het niet beschikbaar zijn van traumabehandeling in Sierra Leone tot de conclusie moet leiden dat aldaar voor hem onvoldoende behandelmogelijkheden aanwezig zijn. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de staatssecretaris blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank onweersproken heeft gesteld dat zijn behandelaars geen opmerkingen hebben gemaakt bij het in het BMA-advies van 26 februari 2013 gegeven antwoord op vraag 5b dat de middelen mirtrazapine en paroxetine niet aanwezig zijn maar wel de alternatieve middelen fluoxetine en haloperidol. Laatstgenoemde middelen worden niet genoemd in het antwoord op vraag 1b over eerder gebruikte middelen die niet effectief zijn gebleken bij de vreemdeling.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 juni 2013 in zaak nr. 12/28993;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

154.