Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1854

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201305139/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Made" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305139/1/R3.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Made, gemeente Drimmelen,

en

de raad van de gemeente Drimmelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Made" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2013, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. G.P.M. van Tiel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Met het plan wordt beoogd de voorheen geldende bestemmingsplannen voor de kern Made te actualiseren. Het plan is overwegend conserverend van aard.

3. [appellant] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Wonen" op zijn perceel aan de [locatie 1 en 2], voor zover geen tweede woning is toegestaan, ten onrechte heeft vastgesteld. Hiertoe voert hij aan dat destijds ten onrechte in de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan en voor slopen en bouwen als voorwaarde is opgenomen dat de woning aan de [locatie 2] diende te worden gesloopt alvorens de nieuwe woning aan de [locatie 1] mocht worden gebouwd. Gelet hierop had de raad het in dit plan mogelijk moeten maken om een tweede woning op het perceel te kunnen bouwen. Bovendien ligt zijn perceel al sinds 1998 niet meer in het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied", zodat niet kan worden gesteld dat het vorige plan ook niet toestond een tweede woning te bouwen. [appellant] wijst er daarnaast op dat voor een aantal percelen aan de Haagstraat, anders dan voor zijn perceel, wel mogelijkheden zijn opgenomen om nieuwe woningen te bouwen.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op 17 februari 2012 een omgevingsvergunning is verleend voor afwijken van het bestemmingsplan en voor slopen en bouwen aan de [locatie 1 en 2] te Made, welke vergunning onaantastbaar is geworden. Overeenkomstig deze vergunning is de woning aan de [locatie 2] gesloopt en is vervolgens de woning aan de [locatie 1] gebouwd. De raad is bekend met de wens van [appellant] om opnieuw een woning aan de [locatie 2] te bouwen. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" stond volgens de raad het bouwen van een tweede woning op een perceel niet toe. Het voorliggende bestemmingsplan is, met het oog op een snelle actualisering, conserverend van aard. Voorts was ten tijde van vaststelling van het plan geen concreet bouwplan voor een woning aan de [locatie 2] overgelegd. De raad is bereid mee te werken aan een separaat bestemmingsplan voor een tweede woning op het perceel, onder de voorwaarden zoals opgenomen in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 29 augustus 2012.

3.2. Ter plaatse van het perceel [locatie 1 en 2] was het bestemmingsplan "Buitengebied" van kracht. Voor de percelen aan de noordzijde van de Haagstraat is in 1998 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. Ter zitting is vastgesteld dat dit, anders dan [appellant] betoogt, niet betekent dat ter plaatse van zijn perceel, dat aan de zuidelijke zijde van de Haagstraat ligt, het bestemmingsplan "Buitengebied" niet meer van kracht was. Gelet hierop mist het betoog in zoverre feitelijke grondslag.

3.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" was de bestemming "Woondoeleinden" aan het perceel toegekend.

Ingevolge artikel 21, lid A, onder I, aanhef en sub b, van de voorschriften van dat plan mag op de gronden met deze bestemming binnen elk op de plankaart afzonderlijk aangeduid bestemmingsvlak slechts één woning worden gebouwd.

3.4. In het voorliggende plan is aan het perceel de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 17, lid 17.2, onder 17.2.1, sub i, van de planregels mogen er op de gronden met deze bestemming geen nieuwe hoofdgebouwen worden gebouwd, tenzij het vervangende nieuwbouw betreft (…).

3.5. De Afdeling stelt vast dat het in dit plan, evenals in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", niet mogelijk is om op het perceel [locatie 1 en 2] een tweede woning te bouwen.

Voor zover [appellant] zich tegen de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan en voor slopen en bouwen richt, overweegt de Afdeling dat deze omgevingsvergunning niet voorligt in onderhavige procedure, zodat de beroepsgronden in dat kader geen bespreking behoeven.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 juli 2010 in zaak nr. 200906283/1/R2 is een bestemmingsplan bij uitstek het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd en is dit kaderstellend voor verdere ruimtelijke besluitvorming. De raad kan - zoals in het onderhavige geval - in het kader van een noodzakelijke actualisering van verouderde bestemmingsplannen kiezen voor een conserverend en beheersgericht plan, waarbij slechts voldoende concrete plannen in het bestemmingsplan worden verwerkt. In de beantwoording bij brief van 29 augustus 2012 op het zogenoemde principeverzoek door het college van burgemeester en wethouders staat dat de door [appellant] gewenste ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt onder soortgelijke voorwaarden als die voor woningbouwmogelijkheden elders in de Haagstraat gelden. Hiervoor dient onder meer een concreet bouwplan te worden ingediend.

Uit de stukken noch ter zitting is gebleken dat [appellant] voor een tweede woning aan de [locatie 1 en 2] ten tijde van het bestreden besluit, en overigens evenmin daarna, concrete plannen heeft overgelegd. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad in beginsel geen aansluiting heeft mogen zoeken bij het voorheen geldende bestemmingsplan. De stelling van [appellant] dat in de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan en voor slopen en bouwen ten onrechte is gesteld dat de woning aan de [locatie 2] gesloopt diende te worden en hij deze woning opnieuw wenst te bouwen, is daartoe onvoldoende, nu dit geen concreet verzoek inhoudt. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om een tweede woning op het perceel [locatie 1 en 2] toe te staan.

Het betoog faalt.

3.6. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de initiatiefnemers van de bouwplannen op de percelen elders in de Haagstraat, in tegenstelling tot [appellant], een concreet bouwplan hebben overgelegd. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de raad bereid is om onder soortgelijke voorwaarden mee te werken aan een tweede woning op het perceel [locatie 1 en 2]. Gelet hierop ziet de Afdeling wat betreft de door [appellant] gemaakte vergelijking met de ontwikkelingen op de percelen elders in de Haagstraat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

3.7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

177-758.