Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201303036/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:1555, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sapouni B.V. omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk intern verbouwen van een kantoorpand tot bedrijfswoning op het perceel Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303036/1/A1.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Deldenerbroek, gemeente Hof van Twente,

appellanten,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Almelo van 21 november 2012 en de einduitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 20 februari 2013 in zaak nr. 12/546 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sapouni B.V. omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk intern verbouwen van een kantoorpand tot bedrijfswoning op het perceel Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden.

Bij besluit van 17 april 2012 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 21 november 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de uitspraak het aan het besluit van 17 april 2012 klevende gebrek te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 19 december 2012 heeft het college van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij uitspraak van 20 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 17 april 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen de uitspraken van de rechtbank van 21 november 2012 en 20 februari 2013 hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door drs. M.G.B. Kamst, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Sapouni B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Ambt Delden" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsbebouwing" met de nadere aanduiding "Ze". Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor fabricage van zeep/was/reinigingsproducten. Ingevolge het tweede lid, onder b is één bedrijfswoning per bouwperceel toegestaan met een maximale inhoud van 600 m³. Ingevolge artikel 1 wordt in het plan onder bedrijfswoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bestemd voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daarin, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is.

2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 april 2012 in stand te laten, heeft miskend dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Daartoe voeren zij aan dat niet is aangetoond dat een bedrijfswoning bij het bedrijf van Sapouni B.V. noodzakelijk is. De omstandigheid dat controle moet worden uitgeoefend op het productieproces, kan worden ondervangen door een controleruimte ter plaatse. Een bedrijfswoning is daarvoor niet noodzakelijk, aldus [appellant] en anderen. Voorts voeren zij aan dat tot op heden nog geen zeep-, was- en reinigingsproducten zijn geproduceerd.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 januari 2012 in zaak nr. 201104887/1/H1), is voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen, aanwezig moet worden geacht.

2.2. Het college heeft zich bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 20 december 2011 op het standpunt gesteld dat de bedrijfswoning noodzakelijk is vanwege inbraakgevoeligheid en de noodzaak van ingrijpen in het productieproces. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 21 november 2012 overwogen dat het college hiermee onvoldoende heeft onderbouwd waarom een bedrijfswoning op het perceel noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het college niet heeft onderbouwd waarom het bedrijf niet op een andere wijze kan worden beveiligd. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het college niet heeft onderzocht of er mogelijkheden zijn om op afstand toezicht te houden op het bedrijf en of er technische mogelijkheden zijn om het productieproces bij storingen zonder menselijke tussenkomst te beëindigen.

2.3. Sapouni B.V. drijft op het perceel een onderneming die in het register van de Kamer van Koophandel wordt omschreven als producent van zeep-, was- en reinigingsproducten. Ter zitting van de rechtbank is gebleken dat het opstarten van die productie vertraging heeft opgelopen, maar dat de productie inmiddels is opgestart. Ter zitting van de Afdeling heeft Sapouni B.V. desgevraagd verklaard dat de productie inmiddels is gestart maar dat de productie, gelet op de lopende procedures, nog niet continu is. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het perceel niet in overeenstemming met de bestemming zal worden gebruikt. De Afdeling ziet, onder deze omstandigheden, op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het perceel niet ten behoeve van de productie van zeep-, was- en reinigingsproducten zal worden gebruikt. In zoverre wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft bij brief van 19 december 2012 gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden gelegenheid om het geconstateerde gebrek te herstellen. Het college heeft zich daarbij, onder verwijzing naar de notitie van Ekoma Milieumanagement van 5 december 2012, op het standpunt gesteld dat de woning noodzakelijk is voor het houden van toezicht op het bedrijf. Volgens die notitie is de zeepproductie continu en duurt een productieproces maximaal 48 uur. Hoewel het mogelijk is om op afstand de temperatuur en de roermotor van de productiemachines te controleren, kan er op afstand niet direct worden ingegrepen in het geval de stroom en of het (koel)water uitvalt. Indien niet direct wordt ingegrepen, zal het uiteindelijke product niet meer geschikt zijn voor de verkoop. Hiermee heeft het college voldoende onderbouwd waarom de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen, aanwezig moet worden geacht. Dat als gesteld een controleruimte kan worden gerealiseerd, maakt dit niet anders omdat het college, gelet op het voorgaande, aannemelijk heeft gemaakt dat een redelijk belang bestaat om op het perceel te wonen. Het voorgaande staat het college niet in de weg om, indien het perceel voor andere doeleinden wordt gebruikt, ook handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning. Het betoog faalt.

3. [appellant] en anderen hebben voor het eerst in hoger beroep betoogd dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het besluit van 17 april 2012 in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is genomen. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraken, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] en anderen dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, hadden behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

531-712.