Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201300881/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300881/1/V1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 13 december 2012 in zaak nr. 12/10872 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 december 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover dit ziet op de afwijzing van de asielaanvraag, gegrond verklaard, dat besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Hetgeen de vreemdeling als grieven 1 en 2 aanvoert en aan

artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, in zoverre met dat oordeel volstaan.

3. In grief 3 klaagt de vreemdeling dat de staatssecretaris in het besluit van 28 maart 2012 ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Dit heeft de vreemdeling in beroep niet aangevoerd. Dat hij dat voor het eerst in hoger beroep doet, verdraagt zich niet met artikel 85 van de Vw 2000.

4. In grief 3 klaagt de vreemdeling voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris het inreisverbod ten onrechte heeft gebaseerd op het verstrijken van de vertrektermijn in een eerder tegen hem uitgevaardigd terugkeerbesluit.

4.1. De staatssecretaris heeft bij besluit van 20 augustus 2009 een eerdere asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen en hem opgedragen Nederland te verlaten binnen een in dat besluit gestelde termijn. In het besluit van 28 maart 2012, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste aanvullend voornemen van 29 februari 2012, heeft de staatssecretaris een opvolgende asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen en vermeld dat hij krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een inreisverbod tegen de vreemdeling uitvaardigt, omdat hij Nederland niet binnen de in het besluit van 20 augustus 2009 gestelde termijn heeft verlaten.

4.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2012 in zaak nr. 201202876/1/V4 mag de staatssecretaris bij de afwijzing van een opvolgende asielaanvraag niet een inreisverbod uitvaardigen dat is gebaseerd op het verstrijken van de vertrektermijn gesteld in een eerder terugkeerbesluit. De staatssecretaris heeft het inreisverbod derhalve ten onrechte uitgevaardigd krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wegens het verstrijken van de in het besluit van 20 augustus 2009 gestelde termijn.

De grief slaagt in zoverre.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep gegrond verklaard, voor zover gericht tegen het inreisverbod, en wordt het besluit van 28 maart 2012 in zoverre vernietigd.

6. Uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting zal evenwel worden nagegaan of aanleiding bestaat om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 28 maart 2012, voor zover vernietigd, in stand blijven.

6.1. In het besluit van 28 maart 2012 is een nieuw terugkeerbesluit vervat, waarin de vreemdeling is opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Uit 3. volgt dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van dit terugkeerbesluit. Nu dit terugkeerbesluit krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 evenzeer als basis kan dienen voor het inreisverbod, bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 28 maart 2012, voor zover vernietigd, in stand te laten.

7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 13 december 2012 in zaak nr. 12/10872, voor zover daarbij het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond is verklaard;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 28 maart 2012, kenmerk 0808.05.1320, in zoverre;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover vernietigd, geheel in stand blijven;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

488-747.