Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1816

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201211622/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BY4596, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2011 heeft college aan [vergunninghoudster] (hierna: [vergunninghoudster]) bouwvergunning verleend voor het bouwen van een biggenstal/loods met vaste mestopslag (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie 1] te Bergeijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/401
ABkort2013/401
OGR-Updates.nl 2013-0320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211622/1/A1.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellante B], beide gevestigd te Bergeijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 november 2012 in zaken nrs. 12/383 en 13/399 in het geding tussen:

onder meer [appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk.

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2011 heeft college aan [vergunninghoudster] (hierna: [vergunninghoudster]) bouwvergunning verleend voor het bouwen van een biggenstal/loods met vaste mestopslag (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie 1] te Bergeijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 maart 2011 heeft het college ten aanzien van het bouwplan de melding, als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van belang, geaccepteerd.

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2011 ongegrond verklaard en tegen het besluit van 3 maart 2011 gegrond verklaard en de melding alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 13 november 2012 heeft de rechtbank onder meer het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2011 vernietigd, voor zover het een heroverweging betreft van het besluit van 2 maart 2011, en het besluit van 2 maart 2011 herroepen, in die zin dat de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning alsnog is aangehouden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 10 april 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] opnieuw voor het bouwplan bouwvergunning verleend.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

[vergunninghoudster] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door G. van Keulen, bijgestaan door M.A.M. Jonkers, en het college vertegenwoordigd door B. van Dorsten, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

Overwegingen

1. [vergunninghoudster] exploiteert op het perceel een intensieve veehouderij. Het perceel is gelegen in een extensiveringsgebied, als bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden. Voor de inrichting is op 25 februari 2008 een revisievergunning verleend. [vergunninghoudster] heeft op 24 augustus 2010 een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ingediend voor de bouw van een biggenstal/loods en een vaste mestopslag. De beoogde stal met een oppervlakte van 737,5 m² is voorzien binnen het in het ten tijde van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" aangeduide bouwvlak, ten noorden van de bestaande stallen. Hiermee komt de bebouwde oppervlakte van het perceel op 4715,5 m². Tevens heeft [vergunninghoudster] in verband met het bouwplan een melding gedaan als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van belang.

[appellante] exploiteert aan de [locatie 2] een groepsaccommodatie, in combinatie met een horeca- en cateringbedrijf. Bij het bedrijf is een buitenterrein aanwezig dat in gebruik is als sport- en recreatieterrein. De afstand tussen dit terrein en het perceel bedraagt minder dan 100 m.

2. Ingevolge artikel 3.3.3, derde lid, van de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant, vastgesteld door provinciale staten van Noord-Brabant op 23 april 2010 (hierna: de Verordening 2010), geldt met ingang van 1 oktober 2010 dat in een bestemmingsplan is vastgelegd dat het percentage dat de grootte van het deel van het bouwblok aangeeft dat maximaal bebouwd mag worden ten behoeve van een intensieve veehouderij overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende wettelijke vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan op de peildatum 1 oktober 2010.

Ingevolge het vierde lid geldt tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het derde lid in werking is getreden, de regel dat vergroting van de bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij welke op de peildatum 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende wettelijke vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan, niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 9.2, derde lid, van de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant van 2011, vastgesteld door provinciale staten van Noord Brabant op 17 december 2010 (hierna: de Verordening 2011), geldt dat in een bestemmingsplan is vastgelegd dat het percentage dat de grootte van het deel van het bouwblok aangeeft dat ten hoogste bebouwd mag worden ten behoeve van een intensieve veehouderij, overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan op de peildatum 1 oktober 2010.

Ingevolge het vierde lid geldt tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het derde lid in werking is getreden, de regel dat vergroting van de bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij welke op de peildatum 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan, niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, onder c van de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant van 2012, vastgesteld door provinciale staten van Noord Brabant op 11 mei 2012 (hierna: de Verordening 2012), geldt dat in een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied de bebouwing voor intensieve veehouderij ten hoogste een zodanige omvang heeft dat deze overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke op 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan per 1 oktober 2010.

Ingevolge het vierde lid geldt tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het eerste lid, onder c, in werking is getreden, de regel dat vergroting van de bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij welke vóór 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het per 1 oktober 2010 geldende bestemmingsplan, niet is toegestaan.

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011", door de raad van de gemeente Bergeijk vastgesteld op 7 juli 2011 en in werking getreden op 7 januari 2012, heeft het perceel de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 3.1 onder b, onder 1, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder a, is per bouwvlak bebouwing ten behoeve van niet meer dan één agrarisch bedrijf toegestaan.

Ingevolge het daarin bepaalde onder b, zijn gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan tenzij anders is bepaald.

Ingevolge artikel 3.2.2, aanhef en onder c, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen de volgende voorwaarde: de gezamenlijke oppervlakte aan intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzonde - extensiveringsgebied" mag per bouwvlak niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte (m²)" is aangegeven.

3. De rechtbank heeft het besluit van 20 december 2011 vernietigd, omdat het college het bouwplan had getoetst aan het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011", terwijl dat op 20 december 2011 nog niet in werking was getreden. In het kader van finale geschillenbeslechting heeft de rechtbank beoordeeld of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven, het bouwplan daarbij getoetst aan het ten tijde van de uitspraak inmiddels in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" en geoordeeld dat het bouwplan daarmee niet in strijd is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu het college de melding als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft geweigerd, alsnog een omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting dient te worden aangevraagd.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" de Verordening 2011 gold. Volgens haar is het bestemmingsplan, voor zover daarin rekening is gehouden met het bouwplan, in strijd met de Verordening 2011 en derhalve onverbindend, nu ingevolge de Verordening 2011 de maximale bebouwing wordt bepaald door de aanwezige bebouwing en de bebouwing die mocht worden gebouwd op grond van een vóór 1 oktober 2010 verleende bouwvergunning en de bouwvergunning in dit geval vóór die datum nog niet was verleend.

4.1. Daargelaten dat [appellante] beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Bergeijk omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011", waarin de regels van de Verordening 2011 zijn overgenomen, heeft ingesteld, maar het bestemmingsplan op dit punt niet heeft bestreden, terwijl niet valt in te zien waarom zij het thans voorgedragen betoog, dat het bestemmingsplan in strijd is met de Verordening 2011, niet als beroepsgrond in de bestemmingsplanprocedure kon indienen, heeft de rechtbank het bouwplan terecht getoetst aan dat bestemmingsplan. Het betoog is door de rechtbank terecht in het midden gelaten, omdat in het kader van de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven ten tijde van de aangevallen uitspraak de Verordening 2012 in werking was getreden en de rechtbank in zoverre terecht daaraan heeft getoetst. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het bestemmingsplan in zoverre ten onrechte niet buiten toepassing heeft gelaten.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtstreeks werkende regel uit de Verordening 2012 zich tegen het verlenen van een bouwvergunning verzet, nu [vergunninghoudster] geen ontvankelijke aanvraag als bedoeld in deze Verordening heeft ingediend. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij deze beroepsgrond te laat heeft aangevoerd, nu eerst na de indiening van het beroepschrift met de inwerkingtreding van Verordening 2012 volstond dat vóór 1 oktober 2010 een ontvankelijke aanvraag was ingediend en zij de reikwijdte van artikel 9.2 in haar beroepschrift aan de orde heeft gesteld. Nu de Verordening 2012 geen definitie geeft van het begrip ontvankelijke aanvraag, dient volgens [appellante] aansluiting te worden gezocht bij het ten tijde van de aanvraag geldende Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. Daaraan is niet voldaan, nu geen kopie van de milieuaanvraag en een bodemonderzoekrapport zijn overgelegd, aldus [appellante].

5.1. In het aangevoerde worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de rechtbank deze beroepsgrond niet heeft kunnen passeren wegens de late indiening ervan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze beroepsgrond eerst ter zitting op 30 augustus 2012 is aangevoerd, terwijl de Verordening 2012 reeds op 11 mei 2012 is vastgesteld en op 29 mei 2012 is bekendgemaakt. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd in hoger beroep wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat in dit geval geen sprake is van een volledige en ontvankelijke aanvraag als bedoeld in de Verordening 2012. Het is aan het college te beoordelen welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag om een bouwvergunning en het college heeft de door [vergunninghoudster] verstrekte gegevens en bescheiden toereikend geacht om op haar aanvraag om een bouwvergunning te kunnen beslissen.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011". Daartoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de volgens de verbeelding maximaal toegestane bebouwing van 4295 m² binnen het bouwvlak op het perceel uitsluitend betrekking heeft op bedrijfsbebouwing voor intensieve veehouderij en de aanwezigheid van een kantoor en paardenstal buiten beschouwing heeft gelaten. Nu [vergunninghoudster] zich uitsluitend richt op intensieve veehouderij staan alle aanwezige gebouwen binnen het bouwvlak, behoudens wellicht de bedrijfswoning, ten dienste van de intensieve veehouderij, aldus [appellante]. Volgens [appellante] blijkt bovendien uit de toelichting bij de Verordening 2012 dat het verbod tot uitbreiding niet is beperkt tot dierenverblijven, maar ook geldt voor andere voorzieningen. Rekening houdend met alle aanwezige bedrijfsgebouwen, waaronder de werkplaats en het kantoor, wordt met de beoogde biggenstal/loods de maximaal toegestane bebouwing overschreden, aldus [appellante].

6.1. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit artikel 3.2.2, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat de volgens de verbeelding toegestane maximale oppervlakte van 4295 m² uitsluitend betrekking heeft op bedrijfsbebouwing voor intensieve veehouderij. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens het college de oppervlakte van 4295 m² is berekend op grond van de aanvraag van [vergunninghoudster] van 24 augustus 2010, waarbij alleen de bebouwing voor intensieve veehouderij is meegenomen. Dat, naar gesteld door [appellante], in de toelichting op artikel 9.2 van de Verordening 2012 staat vermeld dat het verbod op uitbreiding van de bebouwing niet is beperkt tot dierenverblijven, maar ook geldt voor andere voorzieningen, is in dit verband niet van belang, reeds omdat het in artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening 2012 neergelegde verbod op vergroting van de bebouwing niet van toepassing is, nu het ervoor moet worden gehouden dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" in overeenstemming is met artikel 9.2, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012.

Het betoog faalt.

7. [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de aanvraag om een bouwvergunning wordt aangehouden totdat op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit van het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) wordt beslist en dat deze aanvraag voor de toepassing van artikel 52, tweede lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, moet worden beschouwd als een aanvraag om een milieuvergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat een redelijke wetsuitleg van artikel 1.2 Invoeringswet Wabo meebrengt dat de omgevingsvergunning voor de activiteit van het veranderen van een inrichting voor toepassing van artikel 52 van de Woningwet moet worden beschouwd als een milieuvergunning. Een dergelijke uitleg doet volgens [appellante] afbreuk aan de systematiek van het overgangsrecht in de Wabo dat een aanvrager met één wettelijk regime wordt geconfronteerd en houdt geen rekening met de belangen van [appellante]. De indiening van een melding in plaats van een aanvraag om een milieuvergunning en het niet instellen van rechtsmiddelen tegen de geweigerde acceptatie daarvan dienen volgens [appellante] voor risico van [vergunninghoudster] te komen. Het door de rechtbank voorziene gevolg dat anders de aanvraag tot in lengte van dagen zal moeten worden aangehouden, nu het verlenen van een milieuvergunning niet meer mogelijk is, kan volgens [appellante] worden opgelost door het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en veranderen van een inrichting, aldus [appellante].

7.1. Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo blijft het recht zoals dit gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van een beschikking op een aanvraag om een bouwvergunning indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend.

Ingevolge het derde lid wordt in gevallen als bedoeld in het tweede lid een vergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op het tijdstip waarop de betrokkenen beschikking onherroepelijk is geworden.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze gold voor 1 oktober 2010, dient het college de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan te houden indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist.

7.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen voorziet de Invoeringswet Wabo, waarbij artikel 52 van de Woningwet als onderdeel van hoofdstuk IV is komen te vervallen, niet uitdrukkelijk in overgangsrecht voor gevallen waarbij ten behoeve van de wijziging van de inrichting een aanvraag om een bouwvergunning is ingediend vóór 1 oktober 2010 en een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit veranderen van een inrichting na 1 oktober 2010 is ingediend.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een redelijke wetsuitleg van artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo met zich brengt dat de omgevingsvergunning voor de activiteit van het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, wat betreft de toepassing van artikel 52, tweede lid, van de Woningwet moet worden beschouwd als een milieuvergunning. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat dit betekent dat de aanhoudingsplicht van artikel 52 van de Woningwet in dit geval eveneens eindigt door verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Hierbij heeft de rechtbank met juistheid in aanmerking genomen dat een andere opvatting er toe zou kunnen leiden dat de bouwaanvraag in dit geval, waarop artikel 52 van de Woningwet van toepassing blijft, voor onbepaalde tijd zou moeten worden aangehouden, omdat een milieuvergunning niet meer kan worden verleend en dat een dergelijk rechtsgevolg op gespannen voet staat met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat onherroepelijke bouwvergunningen, die zijn verleend op basis van een vóór 1 oktober 2010 ingediende aanvraag, worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Voorts heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Wabo (TK2008-2009, 31953, nr. 3., p. 67) overwogen dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever degene die vóór 1 oktober 2010 een aanvraag heeft ingediend, heeft willen behoeden voor een confrontatie met het wettelijke regime van de Wabo. De rechtbank heeft eveneens terecht in aanmerking genomen dat een andere opvatting ertoe zou leiden dat [vergunninghoudster] zich, teneinde het bouwplan te verwezenlijken, door inwerkingtreding van de Wabo gedwongen ziet een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in te dienen, die aan de hand van het alsdan van toepassing zijnde rechtsregime door het college moet worden beoordeeld. De rechtbank heeft een dergelijke opvatting terecht niet in overeenstemming geacht met de bedoeling van de wetgever uit oogpunt van rechtszekerheid de voorbereiding van de beslissing op de bouwaanvraag conform het oude recht te laten geschieden.

Dat [vergunninghoudster] een nieuwe aanvraag heeft kunnen indienen, laat, wat daar verder ook van zij, bovendien onverlet dat op de aanvraag van 24 augustus 2010 dient te worden beslist. Voorts wordt in aanmerking genomen dat [vergunninghoudster] niet kan worden tegengeworpen dat zij niet vóór 1 oktober 2010 een milieuvergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft aangevraagd, nu zij toentertijd een melding krachtens artikel 8.19 van die wet heeft gedaan, die het college bij besluit van 3 maart 2011 heeft geaccepteerd. Dat zij niet is opgekomen tegen het besluit van 20 december 2011, waarbij de melding alsnog is geweigerd, doet daaraan niet af. De opvatting van [appellante] dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met haar belangen wordt niet gedeeld, nu het college alsnog dient te beoordelen of de bedoelde omgevingsvergunning kan worden verleend.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu het college de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning in strijd met artikel 52 van de Woningwet niet heeft aangehouden, de verleende bouwvergunning in bezwaar geen stand kan houden, zodat het bestreden besluit ook om deze reden dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft daarop de bouwvergunning herroepen en overwogen dat op de aanvraag om een bouwvergunning alsnog overeenkomstig artikel 52 van de Woningwet moet worden beslist, met dien verstande dat voor de toepassing van dat artikel een mogelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting als een aanvraag om een vergunning voor het veranderen van de inrichting krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer wordt beschouwd.

10. Het besluit van 10 april 2013, waarbij het college aan [vergunninghoudster] opnieuw bouwvergunning heeft verleend, wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht tevens voorwerp te zijn van het geding.

11. [appellante] betoogt dat het college de bouwvergunning ten onrechte heeft verleend. Daartoe voert zij aan dat het besluit van 26 februari 2013, waarbij het college opnieuw de melding krachtens artikel 8.19 van de Wet milieubeheer heeft geaccepteerd, nog niet in werking is getreden, nu de voorzitter van de Afdeling dat besluit heeft geschorst. Volgens [appellante] is de acceptatie van de melding onrechtmatig. Nu [vergunninghoudster] niet beschikt over de voor het bouwplan vereiste milieuvergunning heeft het college de aanvraag om een bouwvergunning ten onrechte niet aangehouden, aldus [appellante].

11.1. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de rechtbank dat op de aanvraag alsnog overeenkomstig artikel 52 van de Woningwet dient te worden beslist. Door de aanvraag niet overeenkomstig dit artikel aan te houden totdat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting is beslist, heeft het college geen gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is derhalve gegrond. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het eerdergenoemde besluit van 26 februari 2013 niet in werking is getreden, nu de voorzitter van de Afdeling dat besluit bij uitspraak van 7 juni 2013 in zaak nr. 201303125/2/A4 heeft geschorst. Dat het college aan [vergunninghoudster] bij besluit van 12 juli 2013 een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo heeft verleend, is niet van belang, reeds omdat dat besluit dateert van na het besluit van 10 april 2013.

Voorts bestaan er, anders dan [vergunninghoudster] ter zitting heeft betoogd, thans geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met de wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer per 1 januari 2013, waarbij agrarische activiteiten onder de werking van dit besluit, dat de benaming Activiteitenbesluit milieubeheer heeft gekregen, zijn gebracht, de aanhoudingsplicht van rechtswege is vervallen, omdat in zoverre in het geheel geen omgevingsvergunning meer noodzakelijk zou zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [vergunninghoudster] op 10 juli 2013 een aanvraag om een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo heeft ingediend, die het college bij besluit van 12 juli 2013 aan haar heeft verleend, waartegen [appellante] rechtsmiddelen heeft ingesteld.

Het betoog slaagt.

12. Het beroep is gegrond. Het besluit van 10 april 2013 dient te worden vernietigd.

13. Het college zal op na te melden wijze tot vergoeding in de kosten worden veroordeeld die bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep zijn opgekomen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van Bergeijk van10 april 2013, kenmerk BER-2010-0703, gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,68 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en achtenzestig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Dorst

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

357-757.