Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201211274/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college besloten aan de raad een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), ertoe strekkende dat de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 3" en de vergroting van het bouwvlak aan de oostzijde op het perceel [locatie 1] geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Zeelberg", zoals dat door de raad bij besluit van 27 september 2012 is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211274/1/R3.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Valkenswaard,

2. de raad van de gemeente Valkenswaard,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college besloten aan de raad een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), ertoe strekkende dat de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 3" en de vergroting van het bouwvlak aan de oostzijde op het perceel [locatie 1] geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Zeelberg", zoals dat door de raad bij besluit van 27 september 2012 is vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en de raad beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door ing. B.G.W. Bode, de raad, vertegenwoordigd door mr. M.C.L. Walta en B. Tax, beiden werkzaam bij de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.N.J. van der Stappen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. De raad betoogt dat er geen provinciaal belang is dat een rol speelt bij de reactieve aanwijzing. De cultuurhistorie en het landschap in een stedelijk concentratiegebied, de economische uitvoerbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit zijn gemeentelijke belangen.

2.1. De reactieve aanwijzing strekt ertoe dat de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 3" en de vergroting van het bouwvlak aan de oostzijde op het perceel [locatie 1] geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Zeelberg".

Met de reactieve aanwijzing wordt beoogd de algemene regels uit de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de verordening), die ingevolge artikel 4.1, tweede lid, van de Wro bij de vaststelling van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen, te handhaven. Mede gelet op het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro en onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Wro, die wat betreft het begrip 'provinciale belangen' reeds is uiteengezet in de uitspraak van 20 oktober 2010, in zaak nr. 200910210/1/R1, en de uitspraak van 16 februari 2011 in zaak nr. 201005138/1/R3, valt niet in te zien dat het provinciebestuur zich niet in redelijkheid het belang van het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden in de provincie, alsmede het belang nieuwbouw van woningen buiten bestaand stedelijk gebied te voorkomen, als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. Het betoog faalt.

3. De raad en [appellant sub 1], die woont op het perceel [locatie 1], kunnen zich niet verenigen met de reactieve aanwijzing. [appellant sub 1] betoogt dat er geen sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling of verstening van het buitengebied. Het gaat om bestaande bebouwing die gesplitst wordt in drie geschakelde woningen met een kleine uitbreiding van vijf meter. Derhalve is er geen sprake van nieuwbouw, maar van verbouw met behoud van het cultuurhistorisch karakter. Om deze reden is de in de verordening opgenomen uitzondering, indien al sprake is van nieuwbouw, van toepassing. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat hij door de reactieve aanwijzing grote schade zal lijden. De splitsing in drie woningen is nodig, omdat splitsing in twee woningen onhaalbaar en ongewenst is. Ten slotte betoogt [appellant sub 1] dat de raad zijn standpunt ten onrechte niet bij het college naar voren heeft kunnen brengen.

De raad betoogt dat ten onrechte de stringente regeling in de verordening met betrekking tot agrarisch gebied is toegepast, te meer omdat hierin en in de provinciale Structuurvisie het gebied rondom [locatie 1] is getypeerd als "zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, stedelijk concentratiegebied". Voorts ligt [locatie 1] volgens het Kruimelgevallenbeleid van de gemeente Valkenswaard in de bebouwde kom en niet in het buitengebied. Er is sprake van herstructurering en inbreiding. Verder betoogt de raad dat de cultuurhistorische waarden en de kwaliteitsverbetering van het landschap zijn gewaarborgd door middel van de aanduiding "cultuurhistorische waarden" en de Welstandsnota.

3.1. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat ingevolge de verordening de vestiging van of splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mogelijk is, doch dat het plan, teneinde nog een extra woning te kunnen realiseren, tevens voorziet in uitbreiding van de bestaande langgevelboerderij, hetgeen in strijd is met artikel 11.1, eerste en derde lid, van de verordening. Verder bevat het plan geen verantwoording als bedoeld in artikel 11.1, vijfde lid, en artikel 2.2, eerste lid, van de verordening, waaruit blijkt dat een goede landschappelijke inpassing is verzekerd en een kwaliteitsverbetering van het landschap wordt bereikt. Overigens maakt het plan volgens het college ook de bouw van een derde, vrijstaande woning mogelijk dan wel een uitbreiding van de bestaande langgevelboerderij zonder dat hiermee een extra woning wordt gerealiseerd.

3.2. In het bestemmingsplan "Zeelberg" zijn aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "cultuurhistorische waarden" en "specifieke bouwaanduiding - langgevelboerderij" toegekend en is door middel van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" het aantal toegelaten woningen vastgesteld op 3.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a, van de regels van het plan zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 10.2, onder 10.2.1, aanhef en onder c, mag het aantal woningen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden" is aangegeven.

Ingevolge het bepaalde onder e is het niet toegestaan om hoofdgebouwen te splitsen in meerdere woningen.

Ingevolge lid 10.3, onder 10.3.3, kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - langgevelboerderij" afwijken van het bepaalde in lid 10.2, onder 10.2.1, aanhef en onder e, voor het splitsen van langgevelboerderijen tot maximaal twee woningen, mits dit stedenbouwkundig aanvaardbaar wordt bevonden.

3.3. Ingevolge artikel 1.1, onder 72, van de verordening wordt onder een ruimtelijke ontwikkeling verstaan: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, geldt in geval meerdere bepalingen van deze verordening gelijktijdig van toepassing zijn, bij tegenstrijdigheid de meest beperkende bepaling tenzij in deze verordening anders is bepaald.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, bevat een bestemmingsplan een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft.

Hoofdstuk 11 stelt algemene regels met betrekking tot niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid onder andere voorzien in de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing.

Ingevolge het vijfde lid bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid dat voorziet in de vergroting van een of meer woningen een verantwoording waaruit blijkt dat het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van deze vergroting te verzekeren, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 in verband met de kwaliteitsverbetering van het landschap.

3.4. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak van de langgevelboerderij in het ontwerpplan samenviel met de feitelijk bestaande situatie, doch bij de vaststelling van het plan is vergroot teneinde de langgevelboerderij in drie woningen te kunnen splitsen.

Op de bij de verordening behorende kaarten ligt het perceel [locatie 1] zowel in "Agrarisch gebied", als in het "Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, stedelijk concentratiegebied". De bepalingen over "Agrarisch gebied" bevatten de meest beperkende bepalingen voor het perceel, zodat deze regels ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, van de verordening in dit geval moeten worden toegepast. Dat het perceel in de provinciale Structuurvisie is aangewezen als "zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, stedelijk concentratiegebied" en volgens het gemeentelijk Kruimelgevallenbeleid in de bebouwde kom ligt, is geen reden de desbetreffende regels in hoofdstuk 11, die betrekking hebben op het agrarisch gebied, buiten toepassing te laten.

3.5. Ingevolge artikel 10, lid 10.3, onder 10.3.3, van de planregels is het met betrekking tot een langgevelboerderij mogelijk door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van het verbod om het hoofdgebouw te splitsen in meerdere woningen. Omdat langgevelboerderijen volgens het college beeldbepalend zijn voor Noord-Brabant, sluit dit aan bij hetgeen bepaald is in artikel 11.1, derde lid, onder b, van de verordening, waarbij ten behoeve van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing een uitzondering is opgenomen op het verbod om nieuwe woningen toe te staan in het buitengebied. Uit deze bepaling van de verordening volgt echter ook dat de extra woning uitsluitend binnen de bestaande cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mag worden gerealiseerd. Uitbreiding van deze bebouwing is, hoe gering ook, niet toegestaan, omdat deze afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde ervan. Dat de langgevelboerderij in het plan is voorzien van de aanduiding "cultuurhistorische waarden" en dat in de Welstandsnota specifiek voor Zeelberg eisen zijn opgenomen die zien op renovatie of (vervangende) nieuwbouw, maakt dit niet anders. In dit geval staat het bestemmingsplan uitbreiding van de bestaande langgevelboerderij toe. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 11.1, eerste en derde lid, van de verordening.

3.6. Voorts is het standpunt van het college dat het plan geen verantwoording bevat als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de verordening, juist.

3.7. Over het betoog van [appellant sub 1] dat de raad vooraf niet is gehoord over de reactieve aanwijzing en zijn standpunt niet bij het college naar voren heeft kunnen brengen, overweegt de Afdeling dat uit artikel 4.2, eerste lid, van de Wro volgt dat het college een aanwijzing kan geven aan de raad indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In deze wet is niet voorzien in de mogelijkheid voor de raad om voorafgaand aan het besluit tot het geven van een reactieve aanwijzing zijn standpunt kenbaar te maken bij het college. Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

177-774.