Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201210718/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:1884, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2011 heeft het Faunafonds, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om tegemoetkoming in door grauwe ganzen en kolganzen veroorzaakte schade op zijn perceel met grasland afgewezen.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/622
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210718/1/A3.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Aldeboarn, gemeente Boarnsterhim,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 oktober 2012 in zaak nr. 11/3082 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van het Faunafonds.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2011 heeft het Faunafonds, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om tegemoetkoming in door grauwe ganzen en kolganzen veroorzaakte schade op zijn perceel met grasland afgewezen.

Bij besluit van 10 november 2011 heeft het Faunafonds het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.C.M. Damming, werkzaam bij stichting Stichting Univé Rechtshulp, en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. P.B. Thiemann en H.G. Engberink, beiden werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Volgens artikel 2 van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (hierna: de Regeling) kan het Faunafonds de grondgebruiker op zijn verzoek met inachtneming van het hierna bepaalde een tegemoetkoming verlenen in door beschermde inheemse diersoorten aan de landbouw, de bosbouw of de visserij aangerichte schade.

Volgens artikel 7, eerste lid, zal het een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, slechts verlenen, indien en voor zover de grondgebruiker naar zijn oordeel de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen, waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens het derde lid, aanhef en onder b, wordt een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, veroorzaakt door diersoorten, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Ffw en waarvoor ingevolge artikel 68 van de Ffw een ontheffing kan worden verleend, slechts toegekend, indien de ontheffing is verleend en, hoewel daarvan naar het oordeel van het Faunafonds op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

Volgens artikel 9, aanhef en onder b, wordt geen tegemoetkoming verleend indien de schade is aangericht door een beschermde inheemse diersoort, welke krachtens artikel 65 van de wet bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als diersoort welke in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanricht en voor het verjagen en doden van die schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Verordening schadebestrijding dieren Fryslân 2005 is het de grondgebruiker, in afwijking van het bepaalde in artikel 9 van de Ffw, toegestaan, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, de beschermde diersoort kolgans, grauwe gans en smient te doden op de door hem gebruikte gronden, voor zover deze zijn gelegen buiten de ganzenfoerageergebieden als bedoeld in het Beleidskader Faunabeheer en buiten Natuurbeschermingswetgebieden, Vogelrichtlijngebieden, Habitatrichtlijngebieden en natuurgebieden van terrein beherende organisaties.

Op 6 oktober 2010 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân aan [appellant] geclausuleerde vrijstelling verleend voor het doden van de kolgans en grauwe gans op de door hem gebruikte gronden, dat wil zeggen voor zover deze gronden zijn gelegen buiten de ganzenfoerageergebieden.

2. Niet in geschil is dat op 23, 26 en 28 februari en 1, 10 en 12 maart 2011 bejaagacties hebben plaatsgevonden en tijdens deze acties geen ganzen zijn afgeschoten.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Faunafonds het verzoek om tegemoetkoming in door grauwe ganzen en kolganzen veroorzaakte schade in redelijkheid heeft kunnen afwijzen omdat er geen afschot heeft plaatsgevonden. Volgens [appellant] volgt uit de Regeling niet dat er afschot moet zijn. Nu hij een grote inspanning heeft geleverd om schade te voorkomen dan wel te beperken in de periode waarin de schade is veroorzaakt, had de gevraagde tegemoetkoming moeten worden verleend, te meer nu er in oktober en november 2010 wel afschot was. Daarnaast voert [appellant] aan dat hij er niet van op de hoogte was dat er ondersteunend afschot moet plaatsvinden en dat in zijn geval van de Regeling moet worden afgeweken. Gelet op de bijzondere ligging van de percelen met veel uitwijkmogelijkheden naar nabij gelegen foerageergebieden en het lerend vermogen van de ganzen deed die mogelijkheid tot afschot zich niet voor, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2013 in zaak nr. 201211844/1/A3), komt het Faunafonds ingevolge artikel 84, eerste lid, van de Ffw beoordelingsruimte toe. Ter invulling daarvan heeft het de Regeling vastgesteld. De bestuursrechter moet de beoordeling door het Faunafonds of op adequate wijze gebruik is gemaakt van een ontheffing terughoudend toetsen. In voormelde uitspraak is eveneens overwogen dat het standpunt van het Faunafonds dat adequaat gebruik van een ontheffing inhoudt dat minstens twee- tot driemaal per week verjaging met ondersteunend afschot moet plaatsvinden en een grondgebruiker alleen dan voor een tegemoetkoming in de faunaschade in aanmerking komt indien hij de meest vergaande maatregel, te weten afschot van enkele exemplaren van de schadeveroorzakende diersoort, heeft ingezet als maatregel om de schade te voorkomen en te beperken, door de Afdeling niet onredelijk wordt geacht. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat blijkens de toelichting op de Regeling de grondgebruiker zelf al het mogelijke dat in redelijkheid van hem verwacht kan worden, moet hebben ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Faunafonds zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] geen adequaat gebruik van de vrijstelling heeft gemaakt. Daartoe wordt overwogen dat uit de strekking van de Regeling volgt dat daadwerkelijk afschot moet plaatsvinden, omdat de bejaagacties anders geen afschrikwekkend effect hebben. In het licht hiervan en in aanmerking genomen dat adequaat gebruik van de vrijstelling inhoudt dat na het constateren van schade twee- tot driemaal per week moet worden bejaagd en het bij die frequentie niet aannemelijk is dat geen enkel afschot kan plaatsvinden, is het vereiste van daadwerkelijk afschot niet in strijd met de Regeling.

[appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het lerend vermogen van ganzen en de ligging van zijn percelen maakt dat er geen afschot is geweest en daarom van de Regeling moet worden afgeweken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Faunafonds ter zitting bij de rechtbank onweersproken heeft gesteld dat bij de vaststelling van de Regeling rekening is gehouden met het lerend vermogen van ganzen. Ter zitting bij de Afdeling heeft het Faunafonds voorts toegelicht dat gelet op de omvang van de vastgestelde schade regelmatig ganzen aan de grond moeten zijn geweest. Dat dit alleen 's middags is gebeurd wanneer geen gebruik meer mag worden gemaakt van de vrijstelling, zoals [appellant] stelt, is volgens het Faunafonds niet aannemelijk, omdat 's ochtends de trek vanuit de rustgebieden op gang komt. Dan mag worden afgeschoten om de trek te doorbreken, aldus het Faunafonds.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het Faunafonds in dit geval wegens bijzondere omstandigheden van de Regeling had moeten afwijken.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

382-741.