Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201208808/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:3070, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft het algemeen bestuur van Waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap) besloten tot vaststelling van het inrichtingsplan "Aa-Veghel fase 2, waterberging Ham-Havelt".

Wetsverwijzingen
Waterschapswet
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3295
JOM 2014/617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208808/1/A4.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 juli 2012 in zaak nr. 10/2318 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft het algemeen bestuur van Waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap) besloten tot vaststelling van het inrichtingsplan "Aa-Veghel fase 2, waterberging Ham-Havelt".

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college het door [appellanten] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het waterschap heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2013, waar [appellanten], vertegenwoordigd onderscheidenlijk bijgestaan door mr. M.J.C. Mol en dr. J. van Bakel, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.R.J.W. van Goethem, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het waterschap, vertegenwoordigd door mr. E. van Breugel-van Tienhoven en ing. P.A.A.J. Oomens, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 148 van de Waterschapswet, zoals dat luidde van 1 januari 1998 tot 25 november 2009, zijn, buiten de bij de wet aangewezen besluiten, voor zover zulks bij reglement is bepaald, aan de goedkeuring van gedeputeerde staten slechts onderworpen de besluiten van het waterschapsbestuur die betrekking hebben op de regeling van de waterbeheersing en de beslissingen van dat bestuur tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken door het waterschap.

Ingevolge artikel 153, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterschapswet, zoals dat luidde van 16 januari 2002 tot 25 november 2009, kunnen belanghebbenden administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten slechts tegen de in artikel 148 bedoelde, niet aan goedkeuring van gedeputeerde staten onderworpen, besluiten omtrent de regeling van de waterbeheersing of tot de aanleg of verbetering van waterstaatswerken.

Ingevolge artikel 1.8, onder F, van de Invoeringswet Waterwet vervallen de artikelen 153 en 155.

Ingevolge artikel 2.39, tweede lid, van de Invoeringswet Waterwet, blijft hoofdstuk XX van de Waterschapswet van toepassing met betrekking tot besluiten waartegen belanghebbenden ingevolge dat hoofdstuk administratief beroep kunnen instellen bij gedeputeerde staten, indien die zijn vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.8, onder F.

Artikel 1.8, onder F, van de Invoeringswet Waterwet is op 22 december 2009 inwerking getreden. [appellanten] hebben op 16 november 2009 administratief beroep ingesteld bij het college.

2. Het door het waterschap vastgestelde inrichtingsplan heeft tot doel om voor het waterbergingsgebied Ham-Havelt, direct ten zuiden van Veghel, een inrichtingsontwerp te realiseren. Daarmee dient een gestuurde waterberging te worden gerealiseerd van 225.000 m³ om mogelijke wateroverlast bij Veghel bij piekafvoeren in de Aa te voorkomen of te verkleinen. Tot dan kan in het plangebied natuurlijke en ongecontroleerde overstroming plaatsvinden. Door middel van de uitvoering van het inrichtingsplan zal de waterberging in het beekdal geheel gestuurd plaatsvinden.

De in het inrichtingsplan vastgestelde waterhuishoudkundige maatregelen bestaan onder meer uit het realiseren van een waterberging die bestaat uit twee compartimenten met verschillende bergingspeilen waarbij gebruik wordt gemaakt van de natuurlijke hoogteligging van het gebied. Bij het realiseren van de berging wordt gebruik gemaakt van de hoger gelegen fietspaden in het gebied en wordt een aantal ingrepen in het gebied gedaan, zoals aanleggen van afsluitbare duikers, verhogen van bestaande kades langs de Aa, aanleg van een kleine kade op grondgebied van de gemeente Veghel en verhogen van een zandpad van de gemeente Veghel nabij Havelt.

3. [appellanten] hebben woningen en agrarische gronden binnen het inrichtingsplan. Hun gronden zijn gelegen in het zogenoemde zuidelijke compartiment. Dit gebied zal als eerste worden ingezet, indien waterberging noodzakelijk is.

4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat er een alternatieve uitvoering van de waterberging mogelijk is waarbij hun percelen minder schade zullen oplopen en het college daarom niet in redelijkheid met het besluit van het waterschap tot vaststelling van het inrichtingsplan heeft kunnen instemmen. Ter toelichting van dit standpunt hebben zij het rapport van dr. J. van Bakel van de Bakelse Stroom van 13 juni 2011 overgelegd. Daarin is als alternatief naar voren gebracht om, indien waterberging noodzakelijk is, eerst het noordelijke compartiment te laten inunderen in plaats van het zuidelijke compartiment. Volgens [appellanten] is dit eenvoudig te realiseren doordat gebruik kan worden gemaakt van de bestaande stuw en slechts een duiker onder het aanwezige en hoger gelegen fietspad dient te worden aangebracht.

4.1. Uit het inrichtingsplan blijkt dat vanwege een verschil in maaiveldhoogte de waterberging is verdeeld in een noordelijk en zuidelijk compartiment en dat de inlaat van de waterberging bovenstrooms van de stuw dient te worden geplaatst. Mede daarom wordt bij de inzet van het bergingsgebied eerst het zuidelijke compartiment gevuld en daarna het noordelijke compartiment. Uit de stukken blijkt verder dat een eerdere inzet van het noordelijke compartiment slechts leidt tot een vertraging van het inzetten van het zuidelijke compartiment en niet tot gevolg zal hebben dat de percelen van [appellanten] niet zullen inunderen. Het college heeft toegelicht dat met name de eerste uren na de inzet van de waterberging een verschil in waterpeil zichtbaar zal zijn op de percelen van [appellanten] vergeleken met de gronden in het noordelijke compartiment, maar dat na de eerste dag het verschil slechts 10 tot 12 cm zal zijn ten opzichte van het peil na de eerste dag in het thans voorliggende inrichtingsplan. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Voorts heeft het college onweersproken gesteld dat het door [appellanten] voorgestelde alternatief extra kosten met zich brengt voor de aanleg van de duiker, de verbreding van de sloot en de aankoop van gronden die ten tijde van het besluit van 1 juni 2010 nog in particulier bezit waren. Ook zou de aankoop van de gronden een vertraging van de uitvoering van het inrichtingsplan tot gevolg hebben, hetgeen ongewenst werd geacht in verband met het behalen van in het Nationaal Bestuursakkoord Water vastgelegde landelijke afspraken. Het voorgaande in aanmerking genomen is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college het door het waterschap vastgestelde inrichtingsplan in redelijkheid in stand heeft kunnen laten. Daarbij heeft zij verder terecht in aanmerking genomen dat de percelen van [appellanten] thans gemiddeld eens in de tien jaar inunderen en dat dit bij gestuurde waterberging, blijkens theoretische inundatiecontouren, gemiddeld eens in de 25 jaar zal voorkomen. Bovendien biedt het inrichtingsplan bij gestuurde inundatie de mogelijkheid tot vergoeding van schade.

Het betoog faalt.

5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het inunderen van hun percelen leidt tot erosie en afzet van slib waardoor schadelijke stoffen in en op de bodem van hun gronden worden verspreid en het gebied daarom niet geschikt kan worden geacht voor waterberging. Volgens hen had de rechtbank hierin grond moeten zien voor het oordeel dat het college het besluit van het waterschap tot vaststelling van het inrichtingsplan niet in redelijkheid in stand heeft kunnen laten.

5.1. Ter zitting is gebleken dat [appellanten] zich met dit betoog richten op de aanwijzing van het betrokken gebied als bergingsgebied en de nadelige gevolgen die dit voor hen zal hebben. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 in zaak nr. 201111989/1/A4 is de aanwijzing van een gebied als bergingsgebied primair een kwestie van ruimtelijke ordening, een planologische aanwijzing. Daartoe heeft de raad van de gemeente Veghel bij besluit van 22 juli 2010 het bestemmingsplan "Waterberging Ham-Havelt" vastgesteld. Dit plan is onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201009388/1/R3. Nu de aanwijzing van het gebied in deze procedure niet aan de orde is, heeft de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, geoordeeld dat de beroepsgrond met betrekking tot de gestelde schade door erosie en afzet van slib na inundatie, niet leidt tot vernietiging van het inrichtingsplan.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

552.