Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201208233/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2012 heeft het CBR het aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp) deel te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208233/1/A3.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 juli 2012 in de zaak nrs. 12/4170 en 12/4173 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2012 heeft het CBR het aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp) deel te nemen.

Bij besluit van 23 april 2012 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. de Boorder, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag en mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een asp.

Ingevolge artikel 132b, eerste lid, legt het CBR in de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde gevallen, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, bij het in dat artikellid bedoelde besluit betrokkene de verplichting op aan een asp deel te nemen.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, verklaart het CBR bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, het rijbewijs van betrokkene ongeldig en bepaalt het daarbij dat de ongeldigverklaring betrekking heeft op alle categorieën, waarvoor dat rijbewijs geldig was, met uitzondering van de categorie AM.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) wordt een vermoeden, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, gebaseerd op feiten of omstandigheden, als vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 17, aanhef en onder a, besluit het CBR dat betrokkene zich aan een asp dient te onderwerpen, indien bij hem een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger dan 570 µg/l, onderscheidenlijk 1,3‰, maar lager dan 785 µg/l, onderscheidenlijk 1,8‰.

2. Het CBR heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit genomen naar aanleiding van een mededeling van de regiopolitie Haaglanden van 22 december 2011, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994. Volgens die mededeling en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal is bij [appellant] op 21 december 2011 een ademalcoholgehalte van 575 µg/l geconstateerd.

3. [appellant] heeft eerst ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat hij mede in zijn levensonderhoud voorziet door vier uur per week als aannemer te werken en daarvoor afhankelijk is van het rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie C, maar dat uit het besluit op bezwaar niet blijkt of en hoe dat aspect bij de besluitvorming een rol heeft gespeeld. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de voorzieningenrechter uit de enkele, en in beroep bij de rechtbank niet herhaalde, stelling in het bezwaarschrift, dat [appellant], zelfs indien hij aan het asp meewerkt, gedurende dit programma niet met zijn aanhangwagen mag rijden, niet hoeven begrijpen dat ook de ongeldigverklaring van het rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie C deel van het geschil uitmaakte. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter, er geen reden is waarom het in hoger beroep aangevoerde betoog niet reeds bij de voorzieningenrechter kon worden aangevoerd en [appellant] dat uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het meetresultaat van de bij hem op 21 december 2011 uitgevoerde ademanalyse, na aftrek van de maximale foutmarge voor de daarbij gemeten waarden, een ademalcoholgehalte lager dan 570 µg/l betreft.

Deze meest gunstige beoordeling van de uitslag van de ademanalyse, die redelijk en juridisch is, leidt tot de conclusie dat het CBR ten onrechte een asp heeft opgelegd, aldus [appellant].

4.1. [appellant] bestrijdt aldus niet dat bij de ademanalyse een alcoholgehalte van 575 µg/l is vastgesteld, maar stelt dat die vaststelling niet juist is.

Blijkens het proces-verbaal van de ademanalyse heeft deze, anders dan [appellant] stelt, plaatsgevonden op een tijdstip ten minste twintig minuten na het tijdstip waarop hij is gevorderd tot medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Voorts volgt uit het proces-verbaal dat de ademanalyse is uitgevoerd door een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar, die zich hierbij met inachtneming van het daarbij behorende gebruiksvoorschrift heeft bediend van een door de minister van Justitie (lees: de minister van Veiligheid en Justitie) aangewezen ademanalyseapparaat met een geldige verklaring van goedkeuring.

Uit de afdruk van de ademanalyse blijkt dat daarbij, op grond van twee blaasmeetresultaten van 685 µg/l, rekening houdend met eventuele meetonnauwkeurigheden, een alcoholgehalte van 575 µg/l is vastgesteld.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het CBR ten onrechte van het aldus vastgestelde alcoholgehalte is uitgegaan. De stelling van [appellant] dat de strafrechter bij de strafoplegging van een grotere foutmarge bij de ademanalyse en daarom van een lager gemeten alcoholgehalte is uitgegaan, wat daarvan ook zij, laat het vorenstaande onverlet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 8 februari 2006 in zaak nr. 200506820/1), staat de bestuursrechtelijke procedure, die in dit geval tot het opleggen van de asp heeft geleid, geheel los van de strafrechtelijke procedure.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat voor het opleggen van een asp een eenmalig geconstateerd hoog adem- of bloedalcoholgehalte onvoldoende is, maar deze ingrijpende maatregel slechts kan worden opgelegd, indien wordt vastgesteld dat de betrokken rijbewijshouder een notoire drinker is. Die vaststelling kan door middel van lichamelijk onderzoek worden gedaan, aldus [appellant].

5.1. Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994 schrijft dwingend voor dat het CBR een asp oplegt, in het geval een alcoholgehalte is geconstateerd, als bedoeld in artikel 17, aanhef en onder a, van de Regeling. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat het CBR [appellant], gelet op het bij hem vastgestelde alcoholgehalte, een asp diende op te leggen. Deze bepalingen stellen niet als eis voor die oplegging dat door middel van lichamelijk onderzoek of op andere wijze is vastgesteld dat de betrokken rijbewijshouder een zware drinker is.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

176-598.