Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201207839/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten alsmede een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207839/1/V2.

Datum uitspraak: 1 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 3 augustus 2012 in zaken nrs. 12/22666 en 12/22668 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten alsmede een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De staatssecretaris klaagt in de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang bezien, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn standpunt dat van de verklaringen van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht uitgaat in redelijkheid niet uitsluitend heeft kunnen baseren op de door de vreemdeling gegeven antwoorden op de aan hem gestelde kennisvragen over Goma en omgeving, zonder daarbij hetgeen de vreemdeling stelt dat hem is overkomen te betrekken. De staatssecretaris betoogt hiertoe dat de voorzieningenrechter eraan is voorbijgegaan dat de vreemdeling niet slechts onjuist en onvoldoende heeft verklaard over de door de voorzieningenrechter genoemde aspecten, maar dat hij eveneens het antwoord schuldig is gebleven over belangrijke zakelijke adressen in de stad Goma, terwijl deze informatie van hem als handelaar die naar gesteld geregeld in Goma verbleef wel mocht worden verlangd. Temeer nu hij heeft verklaard tijdens zijn verblijf in Goma wandelingen door de stad te maken en hij bovendien naar eigen zeggen voor langere periodes in Goma verbleef.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 12 maart 2013 in zaak nr. 201205535/1/V4) gaat het bij de beoordeling van het asielrelaas meestal niet om de vraag of en in hoeverre de vreemdeling heeft bewezen dat het in zijn asielrelaas gestelde daadwerkelijk is voorgevallen. Een asielzoeker is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn asielrelaas overtuigend met bewijs te staven. Om hem in zijn bewijspositie tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van zijn aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, geldt ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in verbinding gelezen met artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en het ter uitvoering daarvan vastgestelde beleid dat de verklaringen van een asielzoeker in beginsel geloofwaardig worden geacht. Is echter sprake van een omstandigheid genoemd in voornoemd artikel 31, tweede lid, dan zal aan die voorwaarden niet zijn voldaan en zal gelet op bedoeld beleid van de verklaringen van de asielzoeker positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om het asielrelaas geloofwaardig te achten.

2.2. Eveneens volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 februari 2011 in zaak nr. 201002537/1/V2), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van het door een asielzoeker in zijn asielrelaas gestelde, tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan de bestuursrechter die beoordeling slechts terughoudend toetsen. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de bestuursrechter over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering in het voornemen en het besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, zich niet in redelijkheid op het door hem ingenomen standpunt kan stellen.

2.3. De voorzieningenrechter heeft in hoger beroep onbestreden overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen en dat van zijn asielrelaas daarom positieve overtuigingskracht dient uit te gaan.

2.4. De voorzieningenrechter heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling in het kader van de gestelde kennisvragen onder meer tegenwerpt dat hij weinig weet te verklaren over de omgeving en de geografie van Noord-Kivu. Deze tegenwerpingen acht de voorzieningenrechter - bezien in het licht van wat in redelijkheid van een handelaar aan relevante omgevingskennis mag worden verondersteld - een ontoereikende onderbouwing van het standpunt van de staatssecretaris dat niet geloofwaardig is dat de vreemdeling op latere leeftijd in Goma is geweest.

2.5. De staatssecretaris betoogt terecht dat de voorzieningenrechter met de hiervoor weergegeven motivering eraan voorbij is gegaan dat hij de vreemdeling ook heeft tegengeworpen geen enkele kennis van de stad Goma te hebben en dat dit van hem als handelaar wel mocht worden verwacht, te meer nu hij naar eigen zeggen voor langere periodes in Goma verbleef. Zo heeft de vreemdeling geen hoofdweg kunnen noemen die door de stad loopt en heeft hij weliswaar de juiste naam van een van de luchthavens van Goma kunnen noemen, maar heeft hij slechts in vage bewoordingen kunnen aangeven waar deze ligt. Evenmin is de vreemdeling in staat gebleken belangrijke gebouwen van Goma te noemen, zoals het voetbalstadion, militaire kampen, ziekenhuizen, hotels of markten. De enige markt die de vreemdeling heeft genoemd kan niet worden getraceerd. Het hotel in Goma waar de vreemdeling stelt meer dan eens te hebben verbleven en de naam van de straat waaraan de woning van de vriend is gelegen waar hij naar eigen zeggen soms wel een maand verbleef, kunnen evenmin worden getraceerd. Gelet op het hiervoor onder 2.1 tot en met 2.3 weergegeven toetsingskader is er daarom geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat nu van de verklaringen van de vreemdeling over de stad Goma geen positieve overtuigingskracht uitgaat, geen geloof kan worden gehecht aan de door hem afgelegde verklaringen over de problemen die hij daar zou hebben ondervonden.

De grieven slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 15 juli 2012 toetsen in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden voor zover deze, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

3.1. De vreemdeling heeft in beroep voor zijn gronden tegen het bij het besluit van 15 juli 2012 genomen terugkeerbesluit en tegen hem uitgevaardigde inreisverbod verwezen naar het gestelde in zijn zienswijze van 14 juli 2012.

3.2. De staatssecretaris is in het besluit van 15 juli 2012 op deze zienswijze ingegaan en heeft betoogd dat zich zijns inziens ten minste twee gronden voordoen als bedoeld in artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 waardoor ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 de vertrektermijn wordt onthouden en geconstateerd dat in de zienswijze niets is aangevoerd over het inreisverbod hoewel in het voornemen daartoe er op is gewezen dat het aan de vreemdeling is om individuele omstandigheden dienaangaande aan te voeren. Ondanks deze inhoudelijke reactie op de zienswijze heeft de vreemdeling in beroep volstaan met een verwijzing daarnaar en niet toegelicht hoe het besluit tekort zou schieten. Het beroep voor zover gericht tegen terugkeerbesluit en inreisverbod faalt reeds daarom.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 3 augustus 2012 in zaak nr. 12/22666;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Zegveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2013

43-698