Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201206752/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:11663, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft de minister van Justitie (lees: de minister voor Immigratie en Asiel) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206752/1/V3

Datum uitspraak: 29 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 juni 2012 in zaak nr. 10/25958 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft de minister van Justitie (lees: de minister voor Immigratie en Asiel) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juni 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de grieven 1 tot en met 5 - in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven - klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de taalanalyse van 25 januari 2010 (hierna: de taalanalyse), ook indien daarbij het weerwoord van het Bureau Land en Taal (hierna: het BLT) van 27 april 2011 (hierna: het weerwoord) op de door de vreemdeling overgelegde contra-expertise van De Taalstudio van 4 maart 2011 (hierna: de contra-expertise) wordt betrokken, naar inhoud onvoldoende inzichtelijk en concludent is en dat de staatssecretaris de taalanalyse aldus niet zonder meer aan het bestreden besluit van 21 oktober 2011 ten grondslag heeft kunnen leggen.

Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de taalanalyse naar inhoud wel degelijk voldoende inzichtelijk en concludent is. In de taalanalyse is toegelicht welke elementen van de spraak, woordkeuze en grammatica van de vreemdeling duiden op een Noord-Somalische herkomst en in welk opzicht deze elementen afwijken van hetgeen gangbaar is in het Zuid-Somalisch. Voor zover de inzichtelijkheid van de taalanalyse middels de contra-expertise van De Taalstudio is betwist, is dit volgens de staatssecretaris voldoende weersproken in het weerwoord. De conclusie in de contra-expertise, dat sprake is van Zuid-Somalische spraakkenmerken, wordt door de staatssecretaris als zodanig niet betwist. De staatssecretaris is, onder verwijzing naar de taalanalyse en het weerwoord, evenwel van oordeel dat de Noord-Somalische elementen talrijk en overtuigend aanwezig zijn in de spraak van de vreemdeling op grond waarvan hij niet eenduidig te herleiden is tot de spraakgemeenschap van Zuid-Somalië. Bovendien worden de Zuid-Somalische woorden die de vreemdeling gebruikt op niet-natuurlijke wijze in zijn spraak gemengd. Die conclusie is als zodanig inzichtelijk en daar is geen contra-expertise tegenover geplaatst. Daarnaast valt volgens de staatssecretaris niet in te zien waarom de rechtbank als niet-deskundige meent dat de omstandigheid, dat de vreemdeling Engelse woorden gebruikt - hetgeen gebruikelijker is in Noord-Somalië dan in Zuid-Somalië -, niet overtuigend is voor de conclusie van de taalanalist. De taalanalist heeft volgens de staatssecretaris over het gebruik door de vreemdeling van Noord-Somalische focusmarkeerders en grammaticale constructies, bovendien wel degelijk toegelicht of dit wel of niet gangbaar is in Zuid-Somalië. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat de uitkomst van de contra-expertise niet luidt dat de vreemdeling eenduidig kan worden herleid tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Zuid-Somalië, zodat de vreemdeling de twijfel omtrent zijn herkomst niet heeft weggenomen door het overleggen van de contra-expertise, aldus de staatssecretaris.

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 27 februari 2012 in zaak nr. 201105179/1/V1) vloeit het volgende voort.

Indien bij de staatssecretaris twijfel is gerezen over de door een vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, kan hij, door een taalanalyse te laten verrichten, de desbetreffende vreemdeling tegemoetkomen in de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 rustende last om het door hem gestelde aannemelijk te maken.

In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een vanwege de staatssecretaris door het BLT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst waarvan de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en dat de ingeschakelde taalanalist op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin dient de staatssecretaris, indien en voor zover hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van te vergewissen dat de taalanalyse - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

Indien de taalanalyse zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende vreemdeling, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last, de bij de staatssecretaris gerezen en door de taalanalyse niet weggenomen twijfel slechts door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen.

Indien de uitkomst van de contra-expertise de door de desbetreffende vreemdeling gestelde herkomst niet bevestigt, wordt - gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 - de gerezen twijfel in elk geval niet weggenomen.

2.3. In het besluit van 21 oktober 2011, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen, heeft de staatssecretaris zich onder verwijzing naar de taalanalyse op het standpunt gesteld dat hij aan de verklaring van de vreemdeling, dat hij uit Zuid-Somalië afkomstig is, geen geloof hecht en dat hij zijn asielrelaas ongeloofwaardig acht. In de taalanalyse is vermeld dat de vreemdeling eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië, omdat hij Somalisch spreekt zoals dat gangbaar is in Noord-Somalië. Zijn taalvariant komt overeen met het Somalisch dat gesproken wordt in Noordwest-Somalië en Djibouti.

Naar aanleiding van de taalanalyse heeft de vreemdeling de contra-expertise overgelegd, waarvan de uitkomst is dat de vreemdeling zeer waarschijnlijk afkomstig is uit Somalië en dat het waarschijnlijk is dat hij was gesocialiseerd in Zuid-Somalië.

Het BLT heeft in het weerwoord op de contra-expertise gereageerd en zich - voor zover thans van belang - gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de inhoud van de contra-expertise geen aanleiding geeft om de uitkomst van de taalanalyse te herzien. Volgens het BLT heeft de contra-expert in de eerste plaats niet geconcludeerd dat de spraak van de vreemdeling eenduidig kan worden herleid tot het gestelde herkomstgebied. Daarnaast geeft het rapport van de contra-expert geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de eerdere taalanalyse, omdat de evidente kenmerken die de contra-expert aanvoert voor de Zuid-Somalische herkomst van de vreemdeling, mager en niet overtuigend zijn. De contra-expert heeft de evidente kenmerken die wijzen op een Noord-Somalische herkomst, weggelaten of niet erkend. Voorts wijst het BLT erop dat de contra-expert veel Noord-Somalische kenmerken in de spraak van de vreemdeling niet herkent, waardoor volgens het BLT reden bestaat voor twijfel aan de deskundigheid en objectiviteit van de anonieme contra-expert. Ter onderbouwing van laatstgenoemde stelling verwijst het BLT naar haar rapport "Algemene bevindingen t.a.v. anonieme contra-expert Somalisch" van 9 februari 2010.

Bij brief van 16 augustus 2011 heeft de vreemdeling een brief van De Taalstudio van 13 juli 2011 overgelegd waarin geen inhoudelijke reactie wordt gegeven op het door het BLT opgestelde weerwoord bij de taalanalyse van de vreemdeling. De Taalstudio verwijst in haar brief slechts naar haar reactie van 1 oktober 2010 en een ongedateerde reactie van de contra-expert op voormeld rapport van het BLT van 9 februari 2010, waarin in algemene termen wordt ingegaan op de deskundigheid van de opsteller van de contra-expertise.

2.4. De rechtbank heeft in de bestreden rechtsoverwegingen weliswaar gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de contra-expertise aan de uitkomst van de taalanalyse afbreuk doet, maar deze overwegingen geven er geen blijk van dat zij zich rekenschap heeft gegeven van de, ten opzichte van de taalanalyse, op de vreemdeling toegespitste en inzichtelijke argumentatie die het BLT in het weerwoord naar voren heeft gebracht en die een gemotiveerde weerspreking van de contra-expertise inhoudt. De rechtbank heeft aldus onvoldoende onderkend dat de taalanalyse, in samenhang bezien met het weerwoord, wat betreft de conclusies over de spraakgemeenschap waartoe de vreemdeling wel en niet herleidbaar is, alsmede de daaruit voortvloeiende eindconclusie, voldoende inzichtelijk en concludent is. Aan de hand van de, door voorbeelden ondersteunde, bevindingen betreffende onder meer de uitspraak, woordkeuze en grammatica van de vreemdeling is immers beargumenteerd en geconcludeerd dat hij Somalisch spreekt, niet zoals dat in Zuid-Somalië wordt gesproken, maar zoals dat gangbaar is in Noordwest-Somalië en Djibouti. Dat de contra-expert en de taalanalist elkaars deskundigheid in twijfel trekken en van mening verschillen over de vraag of een aantal taalkenmerken als Noord-Somalisch moeten worden aangemerkt, doet daar niet aan af. Daar komt bij dat de contra-expert, uitgaande van zijn verschillend inzicht ten aanzien van die taalkenmerken, de vreemdeling, zoals hiervoor onder 2.3. is weergegeven, niet buiten twijfel in het door hem gestelde herkomstgebied plaatst.

De vreemdeling heeft door het overleggen van de contra-expertise de bij de staatssecretaris gerezen en door de taalanalyse en het weerwoord bevestigde twijfel over zijn herkomst niet weggenomen en derhalve niet voldaan aan de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last om de door hem gestelde herkomst aannemelijk te maken. De omstandigheid dat een contra-expertise de door een vreemdeling gestelde herkomst niet weet te bevestigen, komt in het licht van het hiervoor onder 2.2. weergegeven toetsingskader voor risico van de vreemdeling.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de uitkomst van de taalanalyse ten onrechte aan het besluit van 21 oktober 2011 ten grondslag heeft gelegd en zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling de over zijn herkomst gerezen twijfel niet heeft weggenomen. Derhalve bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling in verband hiermee ongeloofwaardig is.

De grieven slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 21 oktober 2011 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. In beroep betoogt de vreemdeling dat de door hem overgelegde documenten, waaruit blijkt dat zijn vader heeft gewerkt of stage heeft gelopen bij het Ministry of Animal Husbandry, Fisheries and Mineral Resources en een diploma heeft behaald aan de Training School for Animal Health Assistents in Mogadishu, aannemelijk maken dat ook de vreemdeling in Mogadishu heeft verbleven.

4.1. De beroepsgrond faalt reeds omdat de betreffende documenten niet op de vreemdeling zelf betrekking hebben en zij de door vreemdeling gestelde herkomst niet staven.

5. In beroep heeft de vreemdeling voorts betoogd dat de staatssecretaris, nu hij niet betwist dat de vreemdeling uit Somalië komt, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de vreemdeling uit Noord-Somalië komt, had behoren te toetsen aan artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004 L 304 en - rectificatie - PB 2005 L 204; hierna: de richtlijn). Daarnaast had de staatssecretaris moeten bezien of ten aanzien van de vreemdeling sprake is van een categoriaal beschermingsbeleid, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

5.1. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn is inmiddels geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000.

5.2. In het besluit van 21 oktober 2011 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat, nu, gelet op de taalanalyse, geen geloof wordt gehecht aan de door de vreemdeling gestelde herkomst uit Mogadishu, het niet duidelijk is waar de vreemdeling daadwerkelijk vandaan komt. Dit dient dan ook voor zijn eigen rekening en risico te komen, aldus de staatssecretaris. Ter zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris daaraan toegevoegd dat de vreemdeling er niet in is geslaagd zijn algehele herkomst aannemelijk te maken. Uit de taalanalyse blijkt immers dat het Somalisch dat de vreemdeling spreekt, zowel in Noordwest-Somalië als in Djibouti voorkomt. Het is volgens de staatssecretaris dan ook niet vast te stellen of ten aanzien van de vreemdeling sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3 van de Vw 2000. Evenmin is geloofwaardig dat de vreemdeling behoort tot een categorie asielzoekers voor wie ten tijde van zijn aanvraag een categoriaal beleid gold, aldus de staatssecretaris.

5.3. Zoals onder 2.4. is overwogen, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling de over zijn herkomst gerezen twijfel niet heeft weggenomen. In het licht hiervan heeft de staatssecretaris zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw 2000.

De beroepsgrond faalt.

6. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

7. Het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2011 is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 juni 2012 in zaak nr. 10/25958;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Roosmalen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2013

53-64