Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
201205976/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om bij de berekening van zijn huurtoeslag met ingang van 10 november 2008 met een bijzondere situatie rekening te houden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205976/1/A2.

Datum uitspraak: 6 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 mei 2012 in zaak nr. AWB 11/2267 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om bij de berekening van zijn huurtoeslag met ingang van 10 november 2008 met een bijzondere situatie rekening te houden afgewezen.

Bij besluit van 27 juli 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) bestaat, indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen, als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen, indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstellingen, bedoeld in afdeling 5.3 en 5.3A van die wet.

Ingevolge artikel 47 is de minister van Financiën, in overeenstemming met de ministers wie het aangaat, bevoegd bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van voormelde bepaling mochten voordoen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de krachtens die laatste bepaling vastgestelde Uitvoeringsregeling Awir blijft op verzoek van de belanghebbende artikel 7, derde lid, van de Awir buiten toepassing ten aanzien van degene, bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen, indien de rendementsgrondslag, als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zou worden verminderd met immateriële schadevergoedingen.

3. [appellant] heeft verzocht om een krachtens een ongevallen inzittendenverzekering aan hem uitgekeerd bedrag bij het berekenen van het vermogen niet in aanmerking te nemen.

4. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 27 juli 2011 ten grondslag gelegd dat de uitkering wordt gezien als een vergoeding van materiële schade en derhalve niet onder de uitzonderingen van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling valt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de uitkering, die hem is verstrekt, nadat hem een eenzijdig ongeval was overkomen, gelijk te stellen is met een immateriële schadevergoeding en om die reden buiten de berekening van het vermogen, als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Awir, moest blijven.

5.1. Volgens de Nota van Toelichting bij de Uitvoeringsregeling Awir spelen immateriële schadevergoedingen een rol in situaties, waarbij naar aanleiding van een ongeval een schadevergoeding is uitgekeerd. Alleen het gedeelte dat daadwerkelijk als smartengeld is verstrekt mag dan voor de vermogenstoets op de rendementsgrondslag in mindering worden gebracht, aldus de toelichting.

5.2. Uit de regeling en de toelichting daarop volgt niet dat alleen vergoedingen van immateriële schade die als zodanig zijn benoemd onder het bereik van de in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling geregelde uitzondering vallen. Uit deze bepaling volgt evenmin dat alleen vergoedingen voor toepassing van deze bepaling in aanmerking komen, indien een derde de immateriële schade heeft veroorzaakt. Ook anderszins kan blijken dat een uitkering ter vergoeding van immateriële schade is gedaan.

In dit geval is aan [appellant] naar aanleiding van het ongeval dat hem is overkomen krachtens een sommenverzekering een bedrag uitgekeerd wegens blijvende invaliditeit. Weliswaar is volgens de bepalingen van de verzekeringsovereenkomst de hoogte van de uitkering niet afhankelijk van de omvang van de schade, maar dat neemt niet weg dat blijvende invaliditeit hoe dan ook schadelijke gevolgen heeft en de verzekering ertoe strekt die gevolgen geheel of gedeeltelijk op te vangen. Onder die schadelijke gevolgen kan in beginsel ook de immateriële schade worden begrepen. De uitkering aan [appellant] moet worden geacht te dienen als geldelijke compensatie voor schade ten gevolge van die blijvende invaliditeit. Dat zij is gedaan krachtens een sommenverzekering die [appellant] zelf heeft afgesloten, betekent dan ook niet dat die uitkering reeds daarom niet strekt of mede strekt ter vergoeding van immateriële schade. De Belastingdienst/Toeslagen mocht zich naar aanleiding van het gemaakte bezwaar derhalve niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat het uitgekeerde bedrag geheel moest worden aangemerkt als materiële schadevergoeding, te minder nu hij aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd dat niet is vast te stellen, welk deel van de uitkering is aan te merken als immateriële schadevergoeding.

Het betoog slaagt.

6. De conclusie is dat het besluit van 27 juli 2011 in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht ontoereikend is gemotiveerd. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om de Belastingdienst/Toeslagen op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in dat besluit te herstellen. Daartoe dient de dienst binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit op het door [appellant] tegen het besluit van 9 maart 2011 gemaakte bezwaar te nemen. De Belastingdienst/Toeslagen dient daarbij met het volgende rekening te houden.

6.1. Krachtens de verzekering die [appellant] heeft afgesloten wordt een bedrag van maximaal € 30.000,00 in hoofdsom uitgekeerd, afhankelijk van de mate van invaliditeit. In de verklaring van de verzekeraar die [appellant] desgevraagd heeft overgelegd is over de aard van het uitgekeerde bedrag, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"De Ongevallenverzekering is een sommenverzekering.

De ongevallenverzekering zoals u die bij AEGON sloot, keert uit bij blijvende invaliditeit van het lichaam na het ongeval. De blijvende invaliditeit wordt vastgesteld door ons medisch adviseur. Alleen als er sprake is van medisch objectiveerbaar letsel als direct en enkel gevolg van het ongeval is er recht op uitkering.

Bij het bepalen van de hoogte van de uitkering worden persoonlijke aspecten zoals arbeidsongeschiktheid en daadwerkelijk gemaakte kosten als gevolg van het letsel, etc. buiten beschouwing gelaten. Er wordt puur op basis van de in polisvoorwaarden genoemde percentages uitgekeerd en zijn niet variabel.".

Uit deze verklaring blijkt niet, of en zo ja, welk deel van de uitkering geacht moet worden te dienen als vergoeding van de immateriële schade ten gevolge van het ongeval en de daaruit voortgevloeide blijvende invaliditeit. Uit de persoonlijke omstandigheden van [appellant] blijkt dit evenmin. Anderzijds zijn er evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de gehele uitkering als vergoeding van materiële schade moet worden aangemerkt. Gelet hierop, is het aan de Belastingdienst/Toeslagen om vast te stellen, welk deel van de uitgekeerde verzekeringspenningen als vergoeding voor materiële schade en welk deel voor immateriële schade heeft te gelden. Bij twijfel dient in het voordeel van [appellant] te worden beslist. Het besluit dient toereikend te worden gemotiveerd.

7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de Belastingdienst/Toeslagen op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit aan [appellant] toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013

17.