Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201304591/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:4283, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304591/1/V6.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2013 in zaak nr. 12/11719 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. Devkinandan-Premchand, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft.

Gelet op de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) mogen volgens de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek om naturalisatie geen zogenaamde 'verblijfsgaten' voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen.

3. Bij besluit van 15 augustus 2005 is aan [appellant] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij [echtgenote]’ verleend, met een geldigheidsduur van 14 juli 2005 tot 14 juli 2006. De geldigheidsduur is laatstelijk tot 14 juli 2011 verlengd. Deze verblijfsvergunning is bij besluit van 28 maart 2011 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 28 januari 2011. Op 13 juli 2011 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om de beperking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te wijzigen in ‘voortgezet verblijf’. Bij besluit van 5 augustus 2011 is de beperking gewijzigd in ‘voortgezet verblijf’ met ingang van 13 juli 2011. Niet in geschil is dat [appellant] van 28 januari 2011 tot 13 juli 2011 niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning was.

4. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat [appellant] niet sedert ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan dat verzoek toelating en verblijf in Nederland heeft gehad, omdat hij in de periode van 28 januari 2011 tot 13 juli 2011 niet in het bezit van een verblijfsvergunning was, zodat een verblijfsgat is ontstaan.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat zich een verblijfsgat voordoet.

5.1. Hetgeen [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt een loutere herhaling van hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Aangezien de rechtbank gemotiveerd heeft uiteengezet dat en waarom die gronden niet slagen en het betoog van [appellant] in hoger beroep geen gemotiveerde betwisting daarvan vormt, leidt dat niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, ambtenaar van staat.

w.g. Hent w.g. Woestenburg-Bertels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

501-800.