Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201304016/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:1390, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college aan De Maaskant een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een vleesvarkensstal, een spoelplaats en voer- en spuiwatersilo's op het perceel [locatie 1] te Escharen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304016/1/A1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vennootschap onder firma V.O.F. De Maaskant, gevestigd te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B] (hierna: De Maaskant),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 maart 2013 in zaak nr. 11/2431 in het geding tussen:

De Maaskant

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college aan De Maaskant een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een vleesvarkensstal, een spoelplaats en voer- en spuiwatersilo's op het perceel [locatie 1] te Escharen.

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, de door [partij A], [partij B], [partij C] en [partij D] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 21 september 2010 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 26 maart 2013 heeft de rechtbank het door De Maaskant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Maaskant hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Maaskant heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [partij A], [partij C] en [partij B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2013, waar De Maaskant, vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door E. Daanen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [partij C] gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok" met de aanduiding "A".

Ingevolge artikel 13, onder A, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 13, onder B, aanhef en onder 1, mag per bouwblok slechts één agrarisch bedrijf aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 1, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

2. Niet in geschil is dat [belanghebbende], wonend aan de [locatie 2] te Escharen, in 1991 zijn varkenshouderij heeft verkocht aan De Maaskant.

3. De Maaskant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op het bouwblok twee agrarische bedrijven aanwezig zijn, zodat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert zij aan dat de activiteiten die [belanghebbende] na de voormelde verkoop heeft ontplooid, namelijk het exploiteren van landbouwgrond, illegaal zijn, en niet als het voor eigen rekening en risico uitoefenen van een agrarisch bedrijf kunnen worden aangemerkt. Het aantal Nederlandse grootte-eenheden (hierna: nge) van het bedrijf van [belanghebbende] vormt daarvoor geen bewijs, aldus De Maaskant. Zij voert voorts aan dat dat op de landbouwgrond van [belanghebbende] door derden gewassen worden geteeld. Bovendien heeft [belanghebbende] geen jaarstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij een agrarisch bedrijf exploiteert en moet hij, gezien zijn leeftijd, niet in staat worden geacht een zodanig bedrijf te exploiteren, aldus De Maaskant.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van belang op het perceel, naast de door De Maaskant geëxploiteerde varkenshouderij, een tweede agrarisch bedrijf als bedoeld in de planvoorschriften, was gevestigd. Hiertoe wordt overwogen dat [belanghebbende] in de door hem op 22 juni 2012 aan het college verzonden brief, heeft verklaard dat hij in 1991 uitsluitend zijn varkenshouderij aan De Maaskant heeft verkocht, hetgeen ter zitting is bevestigd. In de bedoelde brief heeft [belanghebbende] voorts verklaard dat hij na de verkoop van de varkenshouderij zijn akkerbouwbedrijf, dat hij ter plaatse vanaf 1956 heeft uitgeoefend, heeft voortgezet, en dat hij daarvoor de nodige landbouwmachines bezit. Uit de brief komt verder naar voren dat, naar ter zitting is bevestigd, [belanghebbende] een perceel van 7,7 ha, waar nodig met behulp van loonwerkers, gebruikt voor akkerbouw. Ook is gebleken dat hij, zoals ook de rechtbank terecht van belang heeft geacht, in 1995, derhalve nadat De Maaskant de varkenshouderij van hem heeft overgenomen, een bouwvergunning voor een landbouwloods van 30 bij 15 m heeft aangevraagd, welke vergunning hem ook is verleend en in 2002 een melding heeft gedaan in het kader van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer.

Daargelaten dat in de planvoorschriften niet het vereiste is opgenomen dat een agrarisch bedrijf de omvang dient te hebben van een bepaald aantal nge, heeft de rechtbank voorts terecht belang gehecht aan de omstandigheid dat uit de door het college bij brief van 2 juli 2012 overgelegde gegevens blijkt dat [belanghebbende] in de periode 2008 tot en met 2011 onder meer aardappelen, zomergerst en bospeen heeft verbouwd en dat de omvang van zijn bedrijf in die periode, behoudens in 2008, meer dan tien nge heeft bedragen. Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat [belanghebbende] de door hem ontplooide agrarische activiteiten ten tijde van belang nog steeds verrichtte.

Dat [belanghebbende] niet de leeftijd heeft om een agrarisch bedrijf uit te oefenen en de teelt niet voor eigen rekening en risico uitvoert, wat daarvan zij, geeft geen grond voor een ander oordeel. Dit zijn geen voorwaarden die voortvloeien uit artikel 13, onder B, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften. Evenmin biedt de omstandigheid dat door [belanghebbende] geen jaarcijfers in het geding zijn gebracht, grond voor een ander oordeel, reeds nu de rechtbank het college, en niet [belanghebbende], in de gelegenheid heeft gesteld het standpunt dat op het perceel twee agrarische bedrijven zijn gevestigd, met gegevens te staven. De stelling van De Maaskant dat de activiteiten van [belanghebbende] illegaal zijn, leidt evenmin tot het door hem daarmee beoogde doel. Naar hiervoor is overwogen, beschikt [belanghebbende] over een agrarisch bedrijf als bedoeld in de planvoorschriften en beperkt het onderhavige geschil zich, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, tot de vraag of ten tijde van het besluit van 24 mei 2011 binnen het agrarisch bouwblok meer dan één agrarisch bedrijf aanwezig was. Het door De Maaskant ter zitting toegelichte standpunt dat artikel 13, onder B, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften zo zou moeten worden gelezen, dat haar varkenshouderij als het enige agrarische bedrijf op het perceel moet worden beschouwd, kan daaraan niet afdoen. Dit volgt niet uit de bewoordingen van die bepaling.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

414-619